Sevilla

Nadat ik Duitse vrienden had verteld waar we na Pasen naartoe zouden gaan, barstten ze – midden in de foyer van het Grenzlandtheater – spontaan uit in luid gezang. “Sie will ja nach Sevilla” is een carnavalslied dat ik tot hun grote verbazing nog niet kende. Daarom brachten ze het eensgezind nogmaals ten gehore. Ze begonnen bijna te hossen, daar in de foyer. Enfin, ik begreep eruit dat je Sevilla uitspreekt als Sevil-ja.

Sevil-ja, ach wat”, zei mijn man een dag later met grote stelligheid, “het is Sevi-ja. Een dubbelle l spreek je uit als j. En ik kan het weten”, voegde hij eraan toe, “want ik heb ooit Spaans geleerd.” Nu ben ik niet geneigd mannen zomaar te geloven. Ook niet mijn man. Zeker niet als iets met zoveel stelligheid wordt verkondigd. “Ja maar”, begon ik dus voorzichtig, “dat is toch ik weet niet hoeveel jaar geleden. En gij hebt geprobeerd het uzelf bij te brengen. Met luistercassettes. Onze kinderen weten niet eens meer wat dat ís: luistercassettes. Was dat niet in dezelfde tijd dat gij besloot panfluit te gaan spelen? Trouwens, waar ís die fluit?”
Zo kwam van het een het ander, u weet ook wel hoe dat gaat. Eensgezindheid over de uitspraak van Sevilla en nog een paar andere dingen was ineens ver zoek.

Onze reisgezellen, Vlaamse vrienden, beweerden hetzelfde als mijn man. Ik twijfelde nog altijd aan Sevi-ja en we besloten het te vragen aan de inwoners van Sevilla zelf. De eerste die we het vroegen was onze taxichauffeur. Het antwoord klonk als Sebidzja. Niet helemaal overtuigd vroegen we het aan de balie van het hotel opnieuw: Sevi-ja hoorden we daar. Op het eerste terrasje verzekerde de ober ons dan weer dat het Sevil-ja was. Kortom, verwarring heerste alom. Wel grappig, zeiden we tegen elkaar, hoe Spanjaarden met zoveel stelligheid iets kunnen zeggen en het toch niet weten.

We hebben ervan genoten. Het hotel was meer dan in orde en de zon scheen alsof ze een weddenschap was aangegaan. De stad was gezellig en kleurrijk en we hebben zowat  alle bezienswaardigheden bezocht, te voet of met de fiets. We hebben een flamenco-voorstelling bijgewoond en alle dagen hebben we lekker gegeten. In bijna elk restaurant hebben we ons laten overreden iets anders te bestellen dan we oorspronkelijk van plan waren. Omdat de ober zei dat het te veel was, of te weinig, of dat er toch nog iets veel beters te krijgen was. Spanjaarden kunnen met de grootste overtuiging iets beweren. En het is raar, maar als het over eten ging, geloofden we ze allemaal.

 

Advertenties

World Poetry Day 2018

Voor wie dit leest

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken;
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,
ben menigen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

Liefde is het meestal ook geweest
die mij het potlood in de hand bewoog
tot ik mij slapende vooroverboog
over de woorden die Gij wakker leest.

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn
en door de letters heen van dit gedicht
kijken in uw lezende gezicht
en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,
zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;
en laat Uw blik hun innigste niet raken
tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,
en wees gerust, en vrees niet de gedachte
dat U door deze woorden werd gekust:
Ik heb je zo lief.

Leo Vroman

Ontbijtgesprek

We zitten samen aan de ontbijttafel, gezellig, ieder met zijn krant. Mijn man met de papieren versie van de Aachener Zeitung en ik met de digitale uitgave van de Standaard.

Na tien minuten lezen sla ik mijn iPad dicht. Mijn man kijkt op en vraagt: ‘Hebt ge de krant nu al uit?’ Driftig beboter ik een stuk brood en leg er een plak kaas op. Plus wat abrikozenconfituur. Een slecht humeur vraagt om zoetigheid.
‘Awel’, begin ik uit te leggen, ‘daar staat nu eens niks in. Dan denkt ge, ik neem toch maar weer een degelijke, Vlaamse krant, dan weet ik tenminste wat er zoal gaande is in Vlaanderen en de wereld. We zouden natuurlijk ook naar Van Gils en gasten kunnen kijken. Want als ge daarnaar kijkt, weet ge wat er die dag gebeurd is, wie een nieuw boek geschreven heeft en wie een nieuwe plaat heeft uitgebracht. Maar neen, niet met u. Enfin, de krant. Het ene opiniestuk volgt op het andere. Politici zijn het niet eens en de economen ook al niet. En allemaal schrijven ze open brieven. Over de kernuitstap. Het onderwijs. Bosbeheer. Pensioenen. Jodiumpillen. Euthanasie. Ge weet toch niet meer wat ge moet denken! En dan al die columns! Het plezier gaat er toch compleet vanaf!’
Mijn man is bang dat ik in overdrive ga – ik zie het aan zijn mondhoeken. ‘Houd u nu maar kalm. Het is nog geen zeven uur en gij zijt u al aan het opjagen. Wilt ge nog een tas koffie?’
‘Nee, want dan jaag ik mij nog meer op.’
Mijn man bladert verder in zijn krant en slaat bleek uit. ‘Och, wat lees ik hier. Mijnheer Müller is dood. Zo snel kan het gaan. Vorige week heb ik hem nog gezien, in het Grenzlandtheater.’
Even later legt hij de krant weg en ik waag subtiel: ‘Gij hebt uw krant ook rap uit. Als ik iets zeggen mag.’
Hij hoort me niet. ‘Allez, wat staat er nu eigenlijk in die krant? Iets over inentingen – de mazelen rukken weer op in Duitsland. En die vriendin van uw vriendin wordt beschuldigd van persoonlijk winstbejag. Alsof dat iets nieuws is in de politiek. Vroeger, ja, vroeger, toen had ge tenminste nog idealisten. Mensen met een visie. Maar nu! Eigenlijk zou ik de krant moeten opzeggen.’

Na een paar minuten zwijgen vraagt mijn man oprecht geïnteresseerd: ‘Waarom leest gij eigenlijk de krant?  Als ge u er zo over opwindt?’
‘Om te weten wat er leeft, tiens. En gij, waarom gij?’
‘Ik? Tja. Om te weten wie er dood is?’

Ik denk er altijd aan

‘Waar zullen we gaan zitten’, vraagt hij, ‘wil je hier blijven of wil je iets meer afgezonderd met me praten?’
We staan in de huiskamer van de ouders van Jan Geboers. Zijn moeder kijkt me gespannen aan. Ik vermoed dat ze graag wil horen wat haar zoon te zeggen heeft, maar zich ook niet durft opdringen. Ik begrijp haar, mijn kinderen horen praten over hun werk of roeping, vervult me ook met verwondering, nieuwsgierigheid en trots. Jan, een jongeman van achtentwintig uit Neerpelt, met halflang, blond haar in een staartje, lijkt niets tegen haar aanwezigheid te hebben en ik vraag of hij me eerst wil vertellen waarmee hij nu bezig is en of we daarna naar zijn atelier kunnen gaan.

In de tuinkamer schenkt zijn moeder ons een kopje koffie in. ‘Hij is altijd al een creatief kind geweest, dat heeft hij van zijn grootvader’, zegt ze. Jan haalt zijn schouders op: ‘Ieder kind draagt toch een dosis creativiteit in zich, ik niet meer dan anderen. Ik denk, het is gewoon een kwestie van interesse en onderhouden.’
Om uit te leggen hoe hij te werk gaat, laat hij me een meubel zien waarvan de dragende constructie eruitziet als een ingewikkeld samenspel van zwarte blokjes en staven staal. Het is een console, een wandtafel, die hij heeft afgewerkt met houten details en een glazen tafelblad. De blokjes zijn een door hem ontworpen element waarmee hij verschillende onderdelen uit hout en staal verbindt. Hierdoor verkrijgt hij een modulair systeem dat iedereen moet toelaten zelf objecten te gaan ontwerpen en maken, in alle mogelijke materialen en afmetingen. Hij heeft interieurvormgeving gestudeerd aan de LUCA School of Arts in Brussel, volgde de opleiding meubelontwerp aan de Thomas More hogeschool in Mechelen en op een heel eigen manier vermengt hij design, technologie en kunst. Bedenken valt voor hem nagenoeg samen met maken: hij ontwerpt door proefondervindelijk te experimenteren met schaal, materiaal en techniek.
Zelf beschrijft hij zijn werk als functionele sculpturen. Van het woord mooi in verband met zijn ontwerpen houdt hij niet. Het is zijn uitdrukkelijke bedoeling te laten zien hoe de objecten die hij maakt in elkaar zitten. ‘Want dat zie je ook in de natuur’, zegt hij. ‘Kijk eens naar die boom daar. Je ziet waar de stam een tak kreeg, en waar die tak zich vertakte, en dat gaat maar door en door, tot daar die geweldige boom staat. Prachtig, toch, hoe dat in elkaar zit?’ Een lamp die alleen uit een gebogen staaf bestaat vindt hij daarom maar niks. ‘De appreciatie voor hóe iets gemaakt is, voor de gebruikte materialen, gaat helemaal verloren.’

In zijn atelier, het hok, zoals hij het noemt, vraag ik hem hoe belangrijk zijn kunst voor hem is. ‘Ik denkt er altijd aan’, zegt hij, ‘maar ik moet ook geld verdienen en als designer zit dat er nog niet in. Daarom heb ik een halftijdse job bij de onderzoeks- en ontwikkelingsafdeling van een bedrijf dat maatwerkapparatuur voor elektronische componenten ontwikkelt en vervaardigt; het past wel bij waarmee ik bezig ben.’ Hij beseft dat hij, om als ontwerper bekender te worden, zichzelf moet gaan promoten: vaker aan tentoonstellingen meedoen, zijn website wat beter onderhouden. Hij zou actiever kunnen worden op de sociale media, maar daar heeft hij ook een beetje een aversie tegen. ‘Mensen spreken te weinig écht met elkaar’, zegt hij.
Hij zou graag een vrouw vinden die hem en zijn werk begrijpt en hem daarin ondersteunt. Het liefst iemand die ook met hem samenwerkt. ‘Ik klink misschien wat ouderwets; soms denk ik dat ik niet pas in deze tijd. Veel hebben interesseert me niet. Auto´s en fietsen bijvoorbeeld – ik ga liever op zoek naar een oude dan naar een nieuwe. Ik houd ook niet van smartphones. Ik heb nog altijd mijn gsm van tien jaar geleden. Maar de meeste meisjes begrijpen dat niet. Ze willen mij niet als ik geen smartphone heb. Ze willen dat ik altijd bereikbaar ben en fotootjes deel. Maar dat wil ík dan weer niet.’

We praten verder over de verenigbaarheid van het kunstenaarschap met een burgerlijk leven, over open source, auteursrechten en patenten. Wanneer ik vertrek, vraagt hij of ik alles zal kunnen onthouden. Ik heb immers niets opgenomen en heb geen notities gemaakt. Maar ik heb naar zijn werk en in zijn hoofd mogen kijken. Voor mij is dat genoeg.

klik hier voor de website van Jan Geboers

Blauw en goud

De Dom is vandaag van elf tot zes voor het publiek geopend en in een nostalgische bui glip ik door de kleine ingang rechts van de bronzen Wolfsdeur naar binnen.
Jarenlang stond er altijd wel een gedeelte van de Akense Dom in de stellingen maar nu kan je overal vrij bewegen. In het midden van het octogoon hangt de grote Barbarossaluchter nog steeds spectaculair zo´n dertig meter naar beneden en vooraan, hoog tegen één van de acht blauw geaderde, marmeren zuilen, blikt Maria als vanouds welwillend naar beneden. Ik hoor Duits, Frans en Spaans en bij het preekgestoelte staat een Nederlandstalige gids heftig te gesticuleren. Ik sta even stil en luister, loop dan vóór het altaar door en ga zitten. Links in de kerk, op een lage kerkstoel aan het begin van de rij. Net als vroeger.
Blauwe en gouden mozaïeken stralen me tegemoet. Een dikke, vierkante zuil belemmert het zicht op het altaar maar van hieruit kan je goed volgen wat er op het oksaal gebeurt. Automatisch glijdt mijn blik ernaartoe. Daarboven zongen mijn zonen ter ere van God zowat de ziel uit hun lijf. Of nee, ter ere van Herr Roth, de opa-achtige en dikbuikige dirigent van het Aachener Domchor. Hoe die man door de kinderen werd aanbeden! Vooral omwille van zijn Chesna, waarin ze een kwartier mochten meevliegen zo gauw ze bewezen hadden het Credo van buiten te kennen. Hun moeders ook. Ik heb er een groot respect voor vliegtuigen aan over gehouden.
Ach, het Domchor. Zonder het koor had ik me nooit kunnen verzoenen met het wonen in Aken. Wat een geluk dat Frau Heck, de kleuterjuf, ons attent maakte op de muzikaliteit van onze tweede zoon en het bestaan van de Domsingschule, een lagere school, waar jongens – nu ook meisjes – door dagelijks muziekonderricht worden voorbereid op opname in het Aachener Domchor. Onze zoon daar aanmelden, en later ook zijn jongste broer, maakte dat we ons meer thuis begonnen te voelen in de stad waar we twee jaar tevoren naartoe waren verhuisd. Tot dan reden wij ieder vrij moment terug naar Noord-Limburg, naar waar mijn man en ik zijn opgegroeid, waar onze kinderen werden geboren en waar het grootste deel van onze familie en vrienden wonen. Toen onze zonen eenmaal in het koor waren opgenomen lukte dat niet meer zo vaak. Ze moesten repeteren, de hoogmis zingen, en op kerkelijke hoogdagen de vespers. Ze zongen de Mattheuspassie en de Johannespassie, de Stabat Mater en kerstconcerten. En overal ging een van ons mee naartoe. Pas toen kregen wij vrienden in Aken en voelde ik me hier niet zo meer zo verloren.
Ik kijk achterom. Daar, vanuit de Nicolaaskapel, kwamen ze per twee de kerk binnen, de mannen in een zwarte talaar met wit rochet en de knapen in een rode. Ik zie mijn zonen nog lopen en voel weer de trots op hun muzikaal talent, op hun aanpassings- en uithoudingsvermogen. Ik herinner me hoe mijn hart zwol bij het horen van de sacrale muziek en hoe dankbaar ik was te mogen deelnemen aan de Akense geloofs- en koorgemeenschap. De betovering was zo groot dat ik heel zeker was van het bestaan van God.

Terwijl ik opsta en genietend van alle blauw en goud weer naar het voorportaal loop, valt me op dat ik hier niets ruik. Geen geur van brandende kaarsen, geen vleugje wierook, geen boenwas, niets. Ik zal nog eens moeten terugkomen. Volgende zondag misschien, naar de hoogmis. Want – hoewel ik niet meer geloof in een persoonlijke God en de Kerk als instituut veel van zijn glans heeft verloren – ik houd nog altijd van haar muziek en rituelen.

 

IMG_1252

Plaatsvervangende schaamte

Nog eens naar de film geweest:

In The Square, de winnaar van de Gouden Palm en nu ook beste Europese film van het jaar, volgen we een week lang het leven van Christian Nielsen, een gescheiden vader van twee dochters en de zelfbewuste, gerespecteerde hoofdcurator van een museum voor hedendaagse kunst in Stockholm. Hij bevindt zich midden in de voorbereidingen van de interactieve installatie The Square, een grote, vierkante plek die passanten moet toelaten hier hun zorgen achter te laten, hulp te vragen en ook te krijgen. Nadat op straat zijn mobiele telefoon gestolen werd, geraakt zijn comfortabele leven uit balans. Hij probeert de dader op te sporen en wordt daarbij geconfronteerd met zijn eigen vooroordelen en vermeend altruïsme. De reclamecampagne voor de installatie loopt totaal uit de hand en de affaire met Anne, een Amerikaanse kunstjournaliste, loopt ook niet zoals hij had gehoopt.
De Zweedse regisseur, Ruben Östlund, plaatst zijn personages in de loop van deze lange film – hij duurt 142 minuten – voortdurend voor een dilemma. Telkens weer moeten ze nadenken over hun omgang met de media, over solidariteit en vrijheid van meningsuiting. In het museum moeten ze letterlijk kiezen tussen vertrouwen of wantrouwen en op straat vragen ze zich af hoe ze bedelaars zullen behandelen. Als toeschouwer zie je hoe de personages hun dunne laagje beschaafdheid verliezen en hun dierlijke instincten naar boven laten komen. Meer dan eens krijg je last van plaatsvervangende schaamte.
We krijgen opvallend veel hulpgeroep te horen. Van bedelaars, van een vrouw die tijdens een galadiner door de optredende kunstenaar wordt lastig gevallen en van een jongetje dat van de trap valt. Het help van het jongetje klinkt nog lang na en het is niet duidelijk of Christian het alleen maar in zijn hoofd hoort, of dat het jongetje daar echt de hele tijd om hulp ligt te roepen. Dat de scène zo lang duurt, verhoogt het onbehaaglijke gevoel dat je erbij krijgt.
Met deze barstensvolle film houdt Ruben Östlund de hedendaagse kunstwereld, en bij uitbreiding onze hele maatschappij, een spiegel voor. Hij doet dat op een humoristische en indringende wijze. Vaak moet je met de gebeurtenissen lachen, maar even vaak word je er heel ongemakkelijk van. Er zijn te veel verschillende verhaallijnen om ze allemaal goed te kunnen uitwerken maar dat geeft niet. Op de achtergrond worden ze herhaaldelijk begeleid door het Ave Maria van Bach, ondersteund door het doo-da-da van Bobby Mc Ferrin – jawel, de zanger van Don´t worry be happy. Het klinkt mooi en troostrijk.

Ruben Östlund, The Square, 2017

Waarom het hier zo stil is

Het windspel aan de achterdeur tingelt. Mijn man komt binnen. Hij hangt zijn jas in de kast, ziet dat de tafel nog niet gedekt is maar gaat toch zitten om alvast wat papieren na te kijken. Terwijl ik aan het aanrecht sta en de sla laat zwieren, begint hij het gesprek.
‘En, wat hebt gij vandaag zoal gedaan?’
‘Niks’, antwoord ik kortaf.
‘Hoe, niks?’
Slecht gezind begin ik op te sommen. ‘Naar het gemeentehuis geweest, die documenten wegbrengen. Drie machines was laten draaien en een cd bij bol.com besteld. Die stofzuiger probéren te bestellen maar daarvoor moest ik eerst die security code van de Visakaart activeren, wat om de een of andere reden niet gelukt is. Stom internet. Opnieuw een code aangevraagd maar dat duurt minstens drie dagen vooraleer ik die krijg. Nog wat online overschrijvingen gedaan. Dat is het zowat. Oh, en veel nagedacht. Over alles wat ik niet doe. En toen was de dag om.’
‘Ge zult nog wel wat meer gedaan hebben’, zegt hij verstrooid.
Ik grommel nog wat verder. ‘Ik begrijp niet hoe dat komt. Vroeger ging ik meer mee naar de praktijk, reed soms vier keer op en af naar Aken voor de kinderen, kookte alle dagen vers, het huishouden was keurig aan de kant, allez, meestal toch, en dan had ik nog tijd en energie over voor van alles en nog wat. En tegenwoordig! Dit jaar heb ik nog maar twee keer gelei gemaakt. Paardenbloemgelei in het voorjaar en kerstgelei in het najaar! Niks krijg ik gedaan en toch ben ik ´s avonds stikkapot!’
‘Ja’, zegt hij, iets alerter nu, ‘toen waart ge ook wel twintig jaar jonger.’
Even later vraagt hij heel voorzichtig: ‘Hebt ge nog iets voor uw blog geschreven of verder gewerkt aan dat vervolgverhaal voor de schrijfclub?’
‘Niks nieuws geschreven, nee’, zeg ik, nog net niet snauwend. ‘Voor dat fictieve verhaal  nog eens gelezen wat ik al heb. Ik kan dat niet, schrijven. Ik heb niet genoeg fantasie. En voor mijn blog, tja, de dingen die me écht bezighouden… ge kunt toch niet alles zomaar op het internet smijten.’

Ik zet het eten op tafel en we praten verder. Over vreugde en verdriet, over kleine en grote rimpelingen, die mij, ons, heel erg in beslag nemen maar die ik niet met iedereen kan of wil delen. Over een nieuw evenwicht, dat ik daarin nog moet vinden.

Daarom dus is het hier zo stil.

Fill fuel!

Als kind prevelde ik ´s avonds in bed een gedicht van Alice Nahon: Het is goed in ´t eigen hert te kijken, nog even voor het slapengaan, of ik van dageraad tot avond geen enkel hert heb zeer gedaan. Of ik geen ogen heb doen schreien, geen weemoed op een wezen lei, ... Omdat ik dan meteen begon te denken aan alles wat die dag verkeerd was gelopen, aan alle mensen die ik tekort had gedaan, geraakte ik nooit veel verder dan die laatste zin. Want vaak waren de rampen niet te overzien. Ik werd daar heel verdrietig van en ben er   ergens tijdens mijn pubertijd mee opgehouden.

Een tijdje geleden las ik iets interessants over positiever in het leven staan. Sinds een dikke week oefen ik nu de dankbaarheid. Vlak voordat ik ga slapen of wanneer ik al in bed lig, overloop ik de dag en probeer drie dingen te vinden waarvoor ik dankbaar ben. Het is wonderlijk hoe goed dat werkt en hoeveel positiever je daarvan wordt. Zo word ik de laatste dagen al blij van dingen die niet gebeurd zijn. Vorige week bijvoorbeeld heb ik de benzinetank van mijn auto niet volledig leeg gereden. Het was op het nippertje, maar mijn autootje heeft het gehaald. Een week geleden zou ik bij thuiskomst nog geraasd hebben over hoe immens groot de spanning was, hoe hard ik gezweet heb, liters, kijk maar naar mijn okselvijvers, gewoonweg niet te doen, en dat het allemaal aan hém ligt dat ik een auto heb met een veel te kleine benzinetank, om over die kofferruimte nog maar te zwijgen. En dat ik tot overmaat van ramp geen cd kon inleggen om wat te kalmeren omdat er, zoals hij heel goed weet, geen cd-speler voorhanden is, alleen zo´n stomme aux-ingang. En rijd daar maar eens op de autosnelweg met zo´n flikkerend Fill fuel op uw dashboard, ook nog met reuzegroot uitroepteken, zou ik gezegd hebben, tussen twee kanjers van vrachtwagens van Essers, ziet ge het al voor u? Kortom, er zou veel ellende uit mijn verhaal naar voren zijn gekomen. Nu niets meer van dit alles. Ik was gewoon dankbaar. ´s Avonds in bed heb ik het hem dan ook verteld. Hoe dankbaar ik was dat ik met mijn autootje tot aan dat dure tankstation bij de Nederlandse grens ben geraakt.

Fantasie

Stel, zegt hij, stel, je wint een schrijfweek. En je mag kiezen waar je naartoe gaat. Want het is de uitdrukkelijke bedoeling dat je je woonplaats verlaat. Kom, vooruit, vertel eens, hoe ziet die plek eruit?

Het tollen begint. Die trullo in Puglia. Alleen al dat uitzicht daar. Tot in Martina Franca kan je kijken! De hele dag buiten zitten, een eigen zwembad, fijne buren. Of nee, te gezellig, en dan komt er van schrijven ook weer niks. Een gîte in Varengeville-sur-mer! Elke dag wandelen langs de Atlantische Oceaan. De kerk, de hortensiatuin en Bois des Moutiers nog eens bezoeken. Hoewel, dan wil hij vast ook een paar dagen mee. En het is míjn schrijfweek. Ha, ik weet het. Een huisje in Ierland. Op de plek die we afgelopen zomer tijdens onze rondreis bezochten en waarvan ik toen al dacht: hier kom ik terug. Helemaal alleen kom ik hier terug om een week lang te lezen en te schrijven – misschien dat het hier weer lukt.
Ik kan het me al helemaal voorstellen. Het is herfst – ik houd van de herfst en al zijn kleuren – en in een kleine cottage niet ver van de zee staat mijn opengeklapte laptop op een lange, houten tafel. Naast mijn laptop ligt een blok A4-papier met hoge ruiten. Ik wil mijn denkproces bijhouden en dat kan ik alleen door met de hand te schrijven. A4 moet het zijn en hoge ruiten, geen vierkantjes of lijnen, want het is me nog nooit gelukt op iets anders mijn gedachten neer te schrijven. Mijn lievelingspen ligt er bovenop. Hij is gevuld met koningsblauwe inkt. Ik heb geen andere kleur. Rood is me te frivool, groen te harmonieus en zwart te definitief. Koningsblauw heeft iets verhevens en hoopvols, iets wat voor mijn gevoel goed bij schrijven past.
Op het uiteinde van de tafel ligt een stapel boeken – een paar oude, vertrouwde en een paar nieuwe. De oude heb ik nodig voor mijn eigen boek, de nieuwe zijn voor alle avonden dat ik me nestel in een hoge, geruite leunstoel bij de haard, de geur snuif van brandend hout en met mijn voeten op een bankje geniet van een glas rode wijn. Ik lees, staar filosofisch in de vlammen en iedere avond, net voordat ik ga slapen, luister ik naar Spiegel im Spiegel van Arvo Pärt.

Twee keer per dag ga ik wandelen, ´s ochtends na het ontbijt en ´s avonds voor het donker wordt. Zodra ik buiten kom, ruik ik de zilte, koele lucht. Het waait maar het regent niet, een hele week regent het niet, en boven me hangen de meest wonderbaarlijke wolkenpartijen. Vol overgave kijk en luister ik naar de zee en de wind. Mijn fantasie slaat op hol, wat een geluk, mijn fantasie slaat op hol, en ik haast me terug naar mijn cottage om te schrijven. Elke dag ga ik tot een uur of zeven door. Ik vergeet te eten en te drinken, ik schrijf en ik schrijf en ik schrijf. Eindelijk.

 

Finale

Mijn man wil naar het Wereldkampioenschap atletiek kijken, dat plaatsvindt in het Olympisch Stadion van Londen. Het is even na tienen en nog net op tijd voor de finale van de honderd meter mannen zien we hoe alle acht de deelnemers als filmsterren uit de coulissen komen. Als laatsten verschijnen de verguisde Justin Gatlin, het nieuwe talent, Christian Coleman, en de gedoodverfde winnaar, Usain Bolt.
‘Och arme’, verzucht ik, huiselijk naast mijn man op de bank gezeten, ‘moeten ze nu echt zichzelf zo opvoeren? Is dit wel de juiste voorbereiding – kunnen ze zich zo wel focussen?’
‘Hèhè’, zegt mijn man, iets minder huiselijk,’ meent ge weer dat gíj de commentaar moet leveren? Ik wil niet alleen kijken, ik wil ook horen wat ze zeggen. Ge lijkt Lieven van Gils wel, die komt ook altijd overal tussen.’

Bolt, die hier zijn laatste solowedstrijd loopt, wordt derde. Christian Coleman wordt tweede en Justin Gatlin wint de wedstrijd. Eensgezind in onze verbazing zien we hoe de camera daarna de hele tijd op Bolt gericht blijft en de winnaar na de wedstrijd nauwelijks nog in beeld komt.
‘Ik vraag me af of overal hetzelfde wordt uitgezonden’, zegt mijn man, ‘of krijgt iedereen de beelden van de Britten?’
‘Misschien blijft Gatlin ook uit zichzelf uit de schijnwerpers en wíl hij helemaal geen ereronde lopen’, zegt hij even later. ‘Terwijl. Ge moet het toch maar doen, op uw vijfendertigste de honderd meter winnen.’ Hij ziet er bijzonder verstoord uit.
‘Ja, ge hebt helemaal gelijk’, knik ik, in een poging de huiselijkheid weer te herstellen. ‘Misschien is hij bang voor nog een keer boe-geroep. Die Britse toeschouwers hebben hem er bij het binnenkomen in het stadion ook al op getrakteerd.’
Een paar minuten later staat mijn man op en steekt een beschuldigende vinger uit naar de televisie. ‘Nu zijn de sportverslagen ook al miserabel’, zegt hij kwaad ‘waar moet het met de berichtgeving toch naartoe. Het mag dan het afscheid zijn van Bolt, maar hem nu zó fêteren en Gatlin zó negeren vind ik echt misplaatst. Weet ge wat, ik ga slapen.’
En zittend op de bank hoor ik hoe hij nijdig bonkend de trap opgaat.