Kanariepiet

Nog heel duidelijk herinner ik me de dag dat ik als twaalfjarige voor het eerst naar mijn nieuwe school fietste – naar Mater Dei in Overpelt.
De fiets had ik in mei van datzelfde jaar voor mijn Plechtige Communie gekregen. Hij was grijs en had handremmen. Geen terugtraprem meer, maar échte remmen, en de bel rinkelde helder en gedistingeerd. Vier maanden lang stond hij veilig en wel in de garage. Dat hoorde toen nog bij de opvoeding: eerst wachten om iets te krijgen en daarna wachten om het te mogen gebruiken.
Mijn jas hadden mijn moeder en ik in Hasselt gekocht. Hij was geel. Kanariepietengeel. In Hasselt vond ik hem heel mooi. Hij had brede revers, was een beetje getailleerd, en kwam tot net boven mijn knieën. Het met opzet verkreukelde imitatieleer blonk als een spiegel en de grote knopen waren rond en zwart.
Mijn vader vond de jas heel geschikt. Zo veilig, zei hij. Ik zou goed opvallen in het verkeer. Dagelijks twaalf kilometer op de fiets, zes heen en zes terug, met zo´n jas kon me echt niks meer gebeuren.
Ik was dus heel gelukkig met mijn jas. Tot ik op de eerste schooldag naar mijn nieuwe school fietste. Al in onze straat had ik het gevoel dat alle mensen naar me keken en daar werd ik, zenuwachtig als ik al was, niet rustiger van. De jas voelde ook wat stijf aan, niet echt om soepel in te bewegen. Maar mijn fiets liep tenminste lekker en ik trapte dapper verder. Over het kruispunt in de Barrier, langs Overpelt-fabriek en via de Houtmolen naar Overpelt-centrum.  Toen ik het schoolplein opstapte, raakte ik helemaal overstuur. Ineens voelde ik me als een kanariepiet in de mijn. Stokstijf bleef ik staan en verwachtte ieder moment dood te zullen gaan.

Ik was maar wat blij met de schort die we allemaal vanaf de eerste dag moesten dragen. Hij was van synthetisch materiaal, had lange mouwen en moest van voren worden dicht geknoopt. De kleur was afschuwelijk – vies olijfgroen. Anders als de meeste meisjes van mijn school heb ik hem nooit gehaat. Ik voelde me veilig in die schort. Heel wat veiliger dan in mijn gele jas.

 

Advertenties

Vakantie

Hoewel ik ooit heb beloofd regelmatig iets op Rimpelingen te posten, komt daar de laatste tijd weinig van in huis. Tot mijn grote vreugde tonen mijn statistieken dat mijn site toch vrijwel elke dag wordt bezocht. Hartverwarmend vind ik dat, en ik dank jullie daarvoor.

Dat ik weinig post heeft met verschillende dingen te maken. Hieronder volgt een beetje uitleg.
Ten eerste: ik ben lid van een schrijfclub. Elke maand komen we bij elkaar. We krijgen een opdracht van de docent die onze groep leidt, schrijven thuis een tekst en lezen die de volgende keer voor. We geven en krijgen dan feedback. Sommigen zijn bezig met een boek of een blog rond een bepaald thema en schrijven daarover iets. Anderen houden zich mooi aan de opdracht. De teksten die ik daarvoor schrijf, vind ik niet altijd geschikt voor publicatie op Rimpelingen. Omdat het zulke delicate onderwerpen zijn of omdat ik denk dat niemand er iets aan heeft. Wat dus betekent dat ik wel blijf schrijven maar jullie niet alles laat lezen.
Ten tweede: ik ben echtgenote, moeder, schoonmoeder en grootmoeder. Ook vriendin, zus, schoonzus en schoondochter. Er doen zich dus genoeg grappige, verdrietige, onrustwekkende of deugddoende situaties voor. Mijn man heeft er niets op tegen dat ik hem af en toe ‘gebruik’ maar niet iedereen vindt het leuk in een blogpost te verschijnen en ik probeer daarin een gulden middenweg te bewandelen. Er valt zo wel een en ander weg waarover ik zou willen of kunnen schrijven.
Ten derde: het lijkt wel of er in het Kaufhof niks meer gebeurt. Toch niet meer sinds het werd omgebouwd. Het is ook mogelijk dat mijn gedachten zo mijlenver weg zijn dat ik gewoon niet meer opmerk wat er rondom mij te horen of te zien is. Want ondertussen schrijf ik ook aan een boek en dat vraagt best veel hersenwerk. Of het ooit iets wordt, weet ik niet, maar ondertussen heb ik wel een project. (Een goede vriendin vindt dat alleen al geweldig: Ingrid stelt haar man niet meer verantwoordelijk voor het hebben van het project; ze heeft er zelf één!)

Dit alles wil niet zeggen dat ik van plan ben Rimpelingen op te geven. Bij lange na niet. Maar nu ga ik eerst wat vakantie houden. Wie weet zie ik Claudio terug, eet ik onderweg daar naartoe boterhammen met ei en snoep ik een hele zak Napoleonbollen leeg.

Ik wens jullie allemaal fijne, zomerse weken en tot binnenkort!

Een heel natuurlijke beweging

DSCF3043

Vandaag – het is een zonnige zondag – kom ik kijken hoe leden van de Maastrichtse Watersport Club zich voorbereiden op de deelname aan Le boucle de Liège, een roeiwedstrijd met handicap rond het Parc de la Boverie in Luik, een eilandje in de Maas.
Het eerste psychologische  gevecht met de grote favoriet – ça va? – oui, euh, non, j´ai mal aux jambes – en het opriggeren bij de botenwagen zijn achter de rug. Hun  startnummers hebben ze bij elkaar opgespeld en op de boten aangebracht. Ze moeten nu nog wat koolhydraten – in de vorm van een stuk taart – naar binnen spelen en daarom gaan we samen aan een lange tafel met bank zitten, onder een grote parasol. Vlakbij stroomt de Maas. Ietwat dreigend, vind ik. Maar de zon schijnt en op de achtergrond zingt Gérard Lenorman de ballade van de gelukkige mensen.

Roeien lijkt me ontzettend moeilijk. Je ziet toch niet waar je naartoe moet? Bovendien komt die roeibeweging me zo onnatuurlijk voor. Niks voor mij, denk ik, terwijl mijn gesprekspartner, zittend op de bank, probeert de beweging letterlijk met handen en voeten uit te leggen. Roeien – nee, daar is mijn coördinatievermogen echt niet goed genoeg voor. Het heeft iets van achteruit parkeren. Tot grote ontsteltenis van mijn rijinstructeur kreeg ik dat maar niet beredeneerd en kon ik het dus ook niet. Pas toen ik er niet meer over nadacht ging het beter. Tegenwoordig ben ik zelfs een kei in het achteruit parkeren.
‘Sta eens even op’, onderbreekt hij mijn gedachtegang. En voor ik het goed en wel besef is hij al recht geveerd. Verwonderd kijk ik hem aan.
‘Ja, sta maar eens op,’ dringt hij aan, ‘en kom tegenover me staan. Dan leg ik iets op de grond en jij raapt het op.’
Gehoorzaam zwier ik mijn been over de bank en ga tegenover hem op het gras staan. Gelukkig is er nog niet veel volk, denk ik, terwijl ik schichtig om me heen kijk. Zo dadelijk sla ik hier vast een figuur als modder. In mijn geval geven de simpelste bewegingen aanleiding daartoe.
Hij legt zijn zonnebril op het gras en kijkt verwachtingsvol naar mij. Lichtjes in de war ga ik door mijn knieën en raap de bril op. Was dit wat hij van mij verwachtte? Ging het wel goed?
‘Heb je het gemerkt’, straalt hij, ‘voel je het, weet je wat je hebt gedaan? Eerst je knieën gebogen, daarna je rug. De armen strekte je van je weg, en toen je weer recht kwam deed je de omgekeerde beweging. Zo werkt het. Zie je wel, zo simpel als wat, een heel natuurlijke beweging.’
Verrast ga ik weer zitten en kijk over de kade naar de opeens veel vriendelijkere Maas. Ik kan het. Als ik maar niet nadenk. Ooit word ik nog een kei in het roeien.

 

DSCF3042

 

 

Sevilla

Nadat ik Duitse vrienden had verteld waar we na Pasen naartoe zouden gaan, barstten ze – midden in de foyer van het Grenzlandtheater – spontaan uit in luid gezang. “Sie will ja nach Sevilla” is een carnavalslied dat ik tot hun grote verbazing nog niet kende. Daarom brachten ze het eensgezind nogmaals ten gehore. Ze begonnen bijna te hossen, daar in de foyer. Enfin, ik begreep eruit dat je Sevilla uitspreekt als Sevil-ja.

Sevil-ja, ach wat”, zei mijn man een dag later met grote stelligheid, “het is Sevi-ja. Een dubbelle l spreek je uit als j. En ik kan het weten”, voegde hij eraan toe, “want ik heb ooit Spaans geleerd.” Nu ben ik niet geneigd mannen zomaar te geloven. Ook niet mijn man. Zeker niet als iets met zoveel stelligheid wordt verkondigd. “Ja maar”, begon ik dus voorzichtig, “dat is toch ik weet niet hoeveel jaar geleden. En gij hebt geprobeerd het uzelf bij te brengen. Met luistercassettes. Onze kinderen weten niet eens meer wat dat ís: luistercassettes. Was dat niet in dezelfde tijd dat gij besloot panfluit te gaan spelen? Trouwens, waar ís die fluit?”
Zo kwam van het een het ander, u weet ook wel hoe dat gaat. Eensgezindheid over de uitspraak van Sevilla en nog een paar andere dingen was ineens ver zoek.

Onze reisgezellen, Vlaamse vrienden, beweerden hetzelfde als mijn man. Ik twijfelde nog altijd aan Sevi-ja en we besloten het te vragen aan de inwoners van Sevilla zelf. De eerste die we het vroegen was onze taxichauffeur. Het antwoord klonk als Sebidzja. Niet helemaal overtuigd vroegen we het aan de balie van het hotel opnieuw: Sevi-ja hoorden we daar. Op het eerste terrasje verzekerde de ober ons dan weer dat het Sevil-ja was. Kortom, verwarring heerste alom. Wel grappig, zeiden we tegen elkaar, hoe Spanjaarden met zoveel stelligheid iets kunnen zeggen en het toch niet weten.

We hebben ervan genoten. Het hotel was meer dan in orde en de zon scheen alsof ze een weddenschap was aangegaan. De stad was gezellig en kleurrijk en we hebben zowat  alle bezienswaardigheden bezocht, te voet of met de fiets. We hebben een flamenco-voorstelling bijgewoond en alle dagen hebben we lekker gegeten. In bijna elk restaurant hebben we ons laten overreden iets anders te bestellen dan we oorspronkelijk van plan waren. Omdat de ober zei dat het te veel was, of te weinig, of dat er toch nog iets veel beters te krijgen was. Spanjaarden kunnen met de grootste overtuiging iets beweren. En het is raar, maar als het over eten ging, geloofden we ze allemaal.

 

World Poetry Day 2018

Voor wie dit leest

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken;
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,
ben menigen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

Liefde is het meestal ook geweest
die mij het potlood in de hand bewoog
tot ik mij slapende vooroverboog
over de woorden die Gij wakker leest.

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn
en door de letters heen van dit gedicht
kijken in uw lezende gezicht
en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,
zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;
en laat Uw blik hun innigste niet raken
tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,
en wees gerust, en vrees niet de gedachte
dat U door deze woorden werd gekust:
Ik heb je zo lief.

Leo Vroman

Ontbijtgesprek

We zitten samen aan de ontbijttafel, gezellig, ieder met zijn krant. Mijn man met de papieren versie van de Aachener Zeitung en ik met de digitale uitgave van de Standaard.

Na tien minuten lezen sla ik mijn iPad dicht. Mijn man kijkt op en vraagt: ‘Hebt ge de krant nu al uit?’ Driftig beboter ik een stuk brood en leg er een plak kaas op. Plus wat abrikozenconfituur. Een slecht humeur vraagt om zoetigheid.
‘Awel’, begin ik uit te leggen, ‘daar staat nu eens niks in. Dan denkt ge, ik neem toch maar weer een degelijke, Vlaamse krant, dan weet ik tenminste wat er zoal gaande is in Vlaanderen en de wereld. We zouden natuurlijk ook naar Van Gils en gasten kunnen kijken. Want als ge daarnaar kijkt, weet ge wat er die dag gebeurd is, wie een nieuw boek geschreven heeft en wie een nieuwe plaat heeft uitgebracht. Maar neen, niet met u. Enfin, de krant. Het ene opiniestuk volgt op het andere. Politici zijn het niet eens en de economen ook al niet. En allemaal schrijven ze open brieven. Over de kernuitstap. Het onderwijs. Bosbeheer. Pensioenen. Jodiumpillen. Euthanasie. Ge weet toch niet meer wat ge moet denken! En dan al die columns! Het plezier gaat er toch compleet vanaf!’
Mijn man is bang dat ik in overdrive ga – ik zie het aan zijn mondhoeken. ‘Houd u nu maar kalm. Het is nog geen zeven uur en gij zijt u al aan het opjagen. Wilt ge nog een tas koffie?’
‘Nee, want dan jaag ik mij nog meer op.’
Mijn man bladert verder in zijn krant en slaat bleek uit. ‘Och, wat lees ik hier. Mijnheer Müller is dood. Zo snel kan het gaan. Vorige week heb ik hem nog gezien, in het Grenzlandtheater.’
Even later legt hij de krant weg en ik waag subtiel: ‘Gij hebt uw krant ook rap uit. Als ik iets zeggen mag.’
Hij hoort me niet. ‘Allez, wat staat er nu eigenlijk in die krant? Iets over inentingen – de mazelen rukken weer op in Duitsland. En die vriendin van uw vriendin wordt beschuldigd van persoonlijk winstbejag. Alsof dat iets nieuws is in de politiek. Vroeger, ja, vroeger, toen had ge tenminste nog idealisten. Mensen met een visie. Maar nu! Eigenlijk zou ik de krant moeten opzeggen.’

Na een paar minuten zwijgen vraagt mijn man oprecht geïnteresseerd: ‘Waarom leest gij eigenlijk de krant?  Als ge u er zo over opwindt?’
‘Om te weten wat er leeft, tiens. En gij, waarom gij?’
‘Ik? Tja. Om te weten wie er dood is?’

Ik denk er altijd aan

‘Waar zullen we gaan zitten’, vraagt hij, ‘wil je hier blijven of wil je iets meer afgezonderd met me praten?’
We staan in de huiskamer van de ouders van Jan Geboers. Zijn moeder kijkt me gespannen aan. Ik vermoed dat ze graag wil horen wat haar zoon te zeggen heeft, maar zich ook niet durft opdringen. Ik begrijp haar, mijn kinderen horen praten over hun werk of roeping, vervult me ook met verwondering, nieuwsgierigheid en trots. Jan, een jongeman van achtentwintig uit Neerpelt, met halflang, blond haar in een staartje, lijkt niets tegen haar aanwezigheid te hebben en ik vraag of hij me eerst wil vertellen waarmee hij nu bezig is en of we daarna naar zijn atelier kunnen gaan.

In de tuinkamer schenkt zijn moeder ons een kopje koffie in. ‘Hij is altijd al een creatief kind geweest, dat heeft hij van zijn grootvader’, zegt ze. Jan haalt zijn schouders op: ‘Ieder kind draagt toch een dosis creativiteit in zich, ik niet meer dan anderen. Ik denk, het is gewoon een kwestie van interesse en onderhouden.’
Om uit te leggen hoe hij te werk gaat, laat hij me een meubel zien waarvan de dragende constructie eruitziet als een ingewikkeld samenspel van zwarte blokjes en staven staal. Het is een console, een wandtafel, die hij heeft afgewerkt met houten details en een glazen tafelblad. De blokjes zijn een door hem ontworpen element waarmee hij verschillende onderdelen uit hout en staal verbindt. Hierdoor verkrijgt hij een modulair systeem dat iedereen moet toelaten zelf objecten te gaan ontwerpen en maken, in alle mogelijke materialen en afmetingen. Hij heeft interieurvormgeving gestudeerd aan de LUCA School of Arts in Brussel, volgde de opleiding meubelontwerp aan de Thomas More hogeschool in Mechelen en op een heel eigen manier vermengt hij design, technologie en kunst. Bedenken valt voor hem nagenoeg samen met maken: hij ontwerpt door proefondervindelijk te experimenteren met schaal, materiaal en techniek.
Zelf beschrijft hij zijn werk als functionele sculpturen. Van het woord mooi in verband met zijn ontwerpen houdt hij niet. Het is zijn uitdrukkelijke bedoeling te laten zien hoe de objecten die hij maakt in elkaar zitten. ‘Want dat zie je ook in de natuur’, zegt hij. ‘Kijk eens naar die boom daar. Je ziet waar de stam een tak kreeg, en waar die tak zich vertakte, en dat gaat maar door en door, tot daar die geweldige boom staat. Prachtig, toch, hoe dat in elkaar zit?’ Een lamp die alleen uit een gebogen staaf bestaat vindt hij daarom maar niks. ‘De appreciatie voor hóe iets gemaakt is, voor de gebruikte materialen, gaat helemaal verloren.’

In zijn atelier, het hok, zoals hij het noemt, vraag ik hem hoe belangrijk zijn kunst voor hem is. ‘Ik denkt er altijd aan’, zegt hij, ‘maar ik moet ook geld verdienen en als designer zit dat er nog niet in. Daarom heb ik een halftijdse job bij de onderzoeks- en ontwikkelingsafdeling van een bedrijf dat maatwerkapparatuur voor elektronische componenten ontwikkelt en vervaardigt; het past wel bij waarmee ik bezig ben.’ Hij beseft dat hij, om als ontwerper bekender te worden, zichzelf moet gaan promoten: vaker aan tentoonstellingen meedoen, zijn website wat beter onderhouden. Hij zou actiever kunnen worden op de sociale media, maar daar heeft hij ook een beetje een aversie tegen. ‘Mensen spreken te weinig écht met elkaar’, zegt hij.
Hij zou graag een vrouw vinden die hem en zijn werk begrijpt en hem daarin ondersteunt. Het liefst iemand die ook met hem samenwerkt. ‘Ik klink misschien wat ouderwets; soms denk ik dat ik niet pas in deze tijd. Veel hebben interesseert me niet. Auto´s en fietsen bijvoorbeeld – ik ga liever op zoek naar een oude dan naar een nieuwe. Ik houd ook niet van smartphones. Ik heb nog altijd mijn gsm van tien jaar geleden. Maar de meeste meisjes begrijpen dat niet. Ze willen mij niet als ik geen smartphone heb. Ze willen dat ik altijd bereikbaar ben en fotootjes deel. Maar dat wil ík dan weer niet.’

We praten verder over de verenigbaarheid van het kunstenaarschap met een burgerlijk leven, over open source, auteursrechten en patenten. Wanneer ik vertrek, vraagt hij of ik alles zal kunnen onthouden. Ik heb immers niets opgenomen en heb geen notities gemaakt. Maar ik heb naar zijn werk en in zijn hoofd mogen kijken. Voor mij is dat genoeg.

klik hier voor de website van Jan Geboers

Blauw en goud

De Dom is vandaag van elf tot zes voor het publiek geopend en in een nostalgische bui glip ik door de kleine ingang rechts van de bronzen Wolfsdeur naar binnen.
Jarenlang stond er altijd wel een gedeelte van de Akense Dom in de stellingen maar nu kan je overal vrij bewegen. In het midden van het octogoon hangt de grote Barbarossaluchter nog steeds spectaculair zo´n dertig meter naar beneden en vooraan, hoog tegen één van de acht blauw geaderde, marmeren zuilen, blikt Maria als vanouds welwillend naar beneden. Ik hoor Duits, Frans en Spaans en bij het preekgestoelte staat een Nederlandstalige gids heftig te gesticuleren. Ik sta even stil en luister, loop dan vóór het altaar door en ga zitten. Links in de kerk, op een lage kerkstoel aan het begin van de rij. Net als vroeger.
Blauwe en gouden mozaïeken stralen me tegemoet. Een dikke, vierkante zuil belemmert het zicht op het altaar maar van hieruit kan je goed volgen wat er op het oksaal gebeurt. Automatisch glijdt mijn blik ernaartoe. Daarboven zongen mijn zonen ter ere van God zowat de ziel uit hun lijf. Of nee, ter ere van Herr Roth, de opa-achtige en dikbuikige dirigent van het Aachener Domchor. Hoe die man door de kinderen werd aanbeden! Vooral omwille van zijn Chesna, waarin ze een kwartier mochten meevliegen zo gauw ze bewezen hadden het Credo van buiten te kennen. Hun moeders ook. Ik heb er een groot respect voor vliegtuigen aan over gehouden.
Ach, het Domchor. Zonder het koor had ik me nooit kunnen verzoenen met het wonen in Aken. Wat een geluk dat Frau Heck, de kleuterjuf, ons attent maakte op de muzikaliteit van onze tweede zoon en het bestaan van de Domsingschule, een lagere school, waar jongens – nu ook meisjes – door dagelijks muziekonderricht worden voorbereid op opname in het Aachener Domchor. Onze zoon daar aanmelden, en later ook zijn jongste broer, maakte dat we ons meer thuis begonnen te voelen in de stad waar we twee jaar tevoren naartoe waren verhuisd. Tot dan reden wij ieder vrij moment terug naar Noord-Limburg, naar waar mijn man en ik zijn opgegroeid, waar onze kinderen werden geboren en waar het grootste deel van onze familie en vrienden wonen. Toen onze zonen eenmaal in het koor waren opgenomen lukte dat niet meer zo vaak. Ze moesten repeteren, de hoogmis zingen, en op kerkelijke hoogdagen de vespers. Ze zongen de Mattheuspassie en de Johannespassie, de Stabat Mater en kerstconcerten. En overal ging een van ons mee naartoe. Pas toen kregen wij vrienden in Aken en voelde ik me hier niet zo meer zo verloren.
Ik kijk achterom. Daar, vanuit de Nicolaaskapel, kwamen ze per twee de kerk binnen, de mannen in een zwarte talaar met wit rochet en de knapen in een rode. Ik zie mijn zonen nog lopen en voel weer de trots op hun muzikaal talent, op hun aanpassings- en uithoudingsvermogen. Ik herinner me hoe mijn hart zwol bij het horen van de sacrale muziek en hoe dankbaar ik was te mogen deelnemen aan de Akense geloofs- en koorgemeenschap. De betovering was zo groot dat ik heel zeker was van het bestaan van God.

Terwijl ik opsta en genietend van alle blauw en goud weer naar het voorportaal loop, valt me op dat ik hier niets ruik. Geen geur van brandende kaarsen, geen vleugje wierook, geen boenwas, niets. Ik zal nog eens moeten terugkomen. Volgende zondag misschien, naar de hoogmis. Want – hoewel ik niet meer geloof in een persoonlijke God en de Kerk als instituut veel van zijn glans heeft verloren – ik houd nog altijd van haar muziek en rituelen.

 

IMG_1252

Plaatsvervangende schaamte

Nog eens naar de film geweest:

In The Square, de winnaar van de Gouden Palm en nu ook beste Europese film van het jaar, volgen we een week lang het leven van Christian Nielsen, een gescheiden vader van twee dochters en de zelfbewuste, gerespecteerde hoofdcurator van een museum voor hedendaagse kunst in Stockholm. Hij bevindt zich midden in de voorbereidingen van de interactieve installatie The Square, een grote, vierkante plek die passanten moet toelaten hier hun zorgen achter te laten, hulp te vragen en ook te krijgen. Nadat op straat zijn mobiele telefoon gestolen werd, geraakt zijn comfortabele leven uit balans. Hij probeert de dader op te sporen en wordt daarbij geconfronteerd met zijn eigen vooroordelen en vermeend altruïsme. De reclamecampagne voor de installatie loopt totaal uit de hand en de affaire met Anne, een Amerikaanse kunstjournaliste, loopt ook niet zoals hij had gehoopt.
De Zweedse regisseur, Ruben Östlund, plaatst zijn personages in de loop van deze lange film – hij duurt 142 minuten – voortdurend voor een dilemma. Telkens weer moeten ze nadenken over hun omgang met de media, over solidariteit en vrijheid van meningsuiting. In het museum moeten ze letterlijk kiezen tussen vertrouwen of wantrouwen en op straat vragen ze zich af hoe ze bedelaars zullen behandelen. Als toeschouwer zie je hoe de personages hun dunne laagje beschaafdheid verliezen en hun dierlijke instincten naar boven laten komen. Meer dan eens krijg je last van plaatsvervangende schaamte.
We krijgen opvallend veel hulpgeroep te horen. Van bedelaars, van een vrouw die tijdens een galadiner door de optredende kunstenaar wordt lastig gevallen en van een jongetje dat van de trap valt. Het help van het jongetje klinkt nog lang na en het is niet duidelijk of Christian het alleen maar in zijn hoofd hoort, of dat het jongetje daar echt de hele tijd om hulp ligt te roepen. Dat de scène zo lang duurt, verhoogt het onbehaaglijke gevoel dat je erbij krijgt.
Met deze barstensvolle film houdt Ruben Östlund de hedendaagse kunstwereld, en bij uitbreiding onze hele maatschappij, een spiegel voor. Hij doet dat op een humoristische en indringende wijze. Vaak moet je met de gebeurtenissen lachen, maar even vaak word je er heel ongemakkelijk van. Er zijn te veel verschillende verhaallijnen om ze allemaal goed te kunnen uitwerken maar dat geeft niet. Op de achtergrond worden ze herhaaldelijk begeleid door het Ave Maria van Bach, ondersteund door het doo-da-da van Bobby Mc Ferrin – jawel, de zanger van Don´t worry be happy. Het klinkt mooi en troostrijk.

Ruben Östlund, The Square, 2017

Waarom het hier zo stil is

Het windspel aan de achterdeur tingelt. Mijn man komt binnen. Hij hangt zijn jas in de kast, ziet dat de tafel nog niet gedekt is maar gaat toch zitten om alvast wat papieren na te kijken. Terwijl ik aan het aanrecht sta en de sla laat zwieren, begint hij het gesprek.
‘En, wat hebt gij vandaag zoal gedaan?’
‘Niks’, antwoord ik kortaf.
‘Hoe, niks?’
Slecht gezind begin ik op te sommen. ‘Naar het gemeentehuis geweest, die documenten wegbrengen. Drie machines was laten draaien en een cd bij bol.com besteld. Die stofzuiger probéren te bestellen maar daarvoor moest ik eerst die security code van de Visakaart activeren, wat om de een of andere reden niet gelukt is. Stom internet. Opnieuw een code aangevraagd maar dat duurt minstens drie dagen vooraleer ik die krijg. Nog wat online overschrijvingen gedaan. Dat is het zowat. Oh, en veel nagedacht. Over alles wat ik niet doe. En toen was de dag om.’
‘Ge zult nog wel wat meer gedaan hebben’, zegt hij verstrooid.
Ik grommel nog wat verder. ‘Ik begrijp niet hoe dat komt. Vroeger ging ik meer mee naar de praktijk, reed soms vier keer op en af naar Aken voor de kinderen, kookte alle dagen vers, het huishouden was keurig aan de kant, allez, meestal toch, en dan had ik nog tijd en energie over voor van alles en nog wat. En tegenwoordig! Dit jaar heb ik nog maar twee keer gelei gemaakt. Paardenbloemgelei in het voorjaar en kerstgelei in het najaar! Niks krijg ik gedaan en toch ben ik ´s avonds stikkapot!’
‘Ja’, zegt hij, iets alerter nu, ‘toen waart ge ook wel twintig jaar jonger.’
Even later vraagt hij heel voorzichtig: ‘Hebt ge nog iets voor uw blog geschreven of verder gewerkt aan dat vervolgverhaal voor de schrijfclub?’
‘Niks nieuws geschreven, nee’, zeg ik, nog net niet snauwend. ‘Voor dat fictieve verhaal  nog eens gelezen wat ik al heb. Ik kan dat niet, schrijven. Ik heb niet genoeg fantasie. En voor mijn blog, tja, de dingen die me écht bezighouden… ge kunt toch niet alles zomaar op het internet smijten.’

Ik zet het eten op tafel en we praten verder. Over vreugde en verdriet, over kleine en grote rimpelingen, die mij, ons, heel erg in beslag nemen maar die ik niet met iedereen kan of wil delen. Over een nieuw evenwicht, dat ik daarin nog moet vinden.

Daarom dus is het hier zo stil.