Er was iets tussen ons

 

Met de kerstdagen in het vooruitzicht en een regel uit onderstaand liedje van Els De Schepper in het achterhoofd:

Beste mijnheer God,

De laatste tijd hebben we weinig van elkaar gehoord. Hopelijk klinkt dit niet als een verwijt want dat is geenszins de bedoeling. Ik begrijp ook wel dat U op andere plaatsen meer nodig bent dan hier. Bovendien, ik kan mezelf echt niet betichten van veel initiatief naar U toe. Maar hoe gaat het met U? Bent U nog goed gezond? En hoe gaat het met Uw Zoon en de Heilige Geest?

Zelf heb ik het erg druk gehad. Met het werk, familie en vrienden. Op zondag naar de kerk gaan lukt echt niet meer. U kent dat wel, U hoort het vast wel vaker, en ik hoop dat U het begrijpt. Omdat ik het contact met U toch graag wil onderhouden, schrijf ik deze brief. Uw adres vond ik zomaar op het internet. U lijkt nog altijd geen waarde te hechten aan Uw privacy?

Laatst was ik op de begrafenis van een lieve vriendin, die veel vertrouwen had in U. Veel meer dan ik. Ik realiseerde me toen – mede daarom schrijf ik U – dat ik goede herinneringen heb aan U. Drie dagen na mijn geboorte was U er al bij. Mijn eerste communie, mijn plechtige communie, mijn huwelijk, de doop van mijn kinderen, de begrafenis van mijn ouders, alle belangrijke momenten in mijn leven heeft U van nabij meegemaakt. En wat hebben onze ontmoetingen me deugd gedaan. Ook op gewone dagen kon ik altijd met alles bij U terecht. U was getuige van al mijn vreugde en al mijn verdriet en U oordeelde of veroordeelde niet. Ik moest mijn handen maar in elkaar slaan, mijn ogen dicht doen en hop, daar was U al. Wanneer dat veranderd is, weet ik niet precies.

Ik moet zeggen, ik mis U. Niet mijn kinderlijke geloof in U – ik weet niet eens of U bestaat. Wel het gevoel van verbondenheid. Ik mis de verbondenheid met een hogere macht en met mensen die in hetzelfde geloven. Soms komt er iets van dat gevoel weer naar boven – bij de geboorte van een kind, wanneer ik in de lente naar de tuin kijk, bij mooie muziek. Dan voel ik: er was iets tussen ons dat me bijbleef al die tijd; er was iets tussen ons, ik raak het nooit meer kwijt.

Bij deze dank ik U dus alvast hartelijk voor Uw bijdrage aan mijn leven.

Met vriendelijke groet en in de hoop spoedig iets van U te vernemen,

Ingrid Vanderkrieken

Advertenties

Hij keek naar mij

Genietend van alles wat Wenen te bieden heeft, zitten we bij Konditorei Oberlaa koffie te drinken en eten er een stuk Sachertorte bij. De chocoladetaart vinden we wat overroepen maar dat deert ons niet. We bevinden ons in hoger sferen. De show van de Spanische Hofreitschule die we vanochtend bijwoonden overtrof al onze verwachtingen en wie zeurt er dan over een stuk taart dat wat tegenvalt?

Terwijl onze mannen de kaart van de stad bestuderen, vraagt mijn vriendin: ‘En, hebt ge die ene, oudere man ook gezien, die knappe met zijn helblauwe ogen?’ Verheerlijkt roert ze in haar koffie.
‘Maar zeker’, jubel ik, ‘iedere keer als hij onze richting uitkwam, sloeg hij zijn ogen op en keek hij naar mij. Oh, zulke schone, blauwe ogen, ge zoudt voor minder een doodzonde begaan.’
‘Hm’, fronst mijn vriendin.
Nog vol van die blauwe, op mij gerichte ogen, sla ik geen acht op haar. ‘Gelijk hij dat paard bereed, zo statig en elegant, ik dacht nog, zo ziet hij er dus uit, de prins op het witte paard. Als hij me gevraagd had met hem weg te lopen, ik had het prompt gedaan. Ik zie het al helemaal voor me. Nee, ik vóel het al, ik van voor op dat paard, tjok tjok, maar dan elegant, en hij zit achter mij en houdt mijn taille vast…’
Ze valt me in de rede. ‘Allez zeg, uw taille, bestaat die nog? Uw gevoel voor realiteit tart wel alle verbeelding…’
Helemaal op dreef ga ik gewoon door. ‘En iedere keer opnieuw dat charmante, uitnodigende lachje. Ik voelde me op slag dertig jaar jonger. Maar ja, hij zal ook wel gezien hebben dat ik daar met mijn man en mijn vriendin zat. Als ge tien keer aan de tribune voorbijkomt en ge hebt interesse in de vrouw die daar zit, dan hebt ge dat gauw door, denkt ge niet?’
Met een spijtig gevoel kijk ik haar aan. En dan klinkt het triomfantelijk: ‘Hij zal in ieder geval meer doorhebben dan gij. Want iedere keer als hij voorbijkwam, keek hij wel naar míj.’

Verandering

Zondag 14 oktober

Vanochtend al vroeg mijn stem uitgebracht. Met volle overtuiging want ik geloof in de democratie en ben vóór verplicht stemmen.
Om vijf uur voor de televisie gaan zitten – was erg benieuwd naar eventueel grote politieke verschuivingen in ons land. Stelde vast dat ze veel te vroeg beginnen met de live-uitzendingen. Bleef toch zitten om te luisteren naar de prognoses. Met een handvol getelde kiesbureaus werden fictieve coalities samengesteld en journalisten en professoren gisten naar wie er burgemeester wordt. Ivan de Vadder mocht ontelbare keren grafieken aanwijzen en van links naar rechts swipen. Hij deed dat goed, echt, heel gedreven. Wallonië kwam pas laat aan bod.
Heb nu het onbevredigende gevoel dat ik voor niks uren aan het scherm gekluisterd zat, want wat de partijen met onze stemmen gaan doen – het is voorlopig nog een raadsel. 
Over de politici zelf wel een en ander bijgeleerd.

Maandag 15 oktober

De politieke onderhandelingen zijn begonnen. De strategieën doorzie ik niet. Wat wil bijvoorbeeld Wouter Van Besien? En wat is dat daar in Gent en Oostende? Met de buurvrouw erover gesproken maar het blijft kodffiedik kijken.
Ter ontspanning naar “Boer zoekt vrouw – De wereld rond ” gekeken. Weinig of geen mooie natuurbeelden gezien en bij twee van de vijf boeren gebeurde er niets. Niet in Noorwegen, niet in Zuid-Afrika. Ben nu kwaad op mezelf. Op twee dagen tijd een uur of acht op de sofa naar het scherm zitten turen en ben ik er iets wijzer van geworden? Geen sikkepit. Ik kijk nooit nog televisie.

Dinsdag 15 oktober

In de voormiddag het album Dream Darling van The Slow Show gehoord. Zwaar onder de indruk.
Mijn grijs vestje bij vriendin gaan halen – had ik vorige week bij haar vergeten. Van gedachten gewisseld over trouwen, dopen, ouders en kinderen. Hoewel, gewisseld. We denken hetzelfde.
In het Grenzlandtheater een wel heel kolderieke uitvoering gezien van De Vrek van Molière. Iedereen was enthousiast, behalve ik. Het deed me teveel aan Kulderzipken denken.
Te weinig bewogen vandaag en teveel gesnoept. Dat moet dringend veranderen.

Woensdag 16 oktober

Vanmorgen eerst de strijk weggewerkt. Ik haat strijken, maar frommels nog meer. 
Kleinzoon was namiddag hier. Ondanks het mooie weer wilde hij binnen met Playmobil spelen. Uren op de grond gelegen maar was heel fijn.
Rond acht uur een wandeling gemaakt en daarna beginnen lezen in Terug naar Neerpelt van Lieve Joris. Kan nog geen oordeel vellen.
Genoeg beweging gehad maar iets teveel gesnoept. Dat moet veranderen.

Donderdag 17 oktober

Benen en rug stijf. De hele dag bureauwerk gedaan en daarna naar de pizzeria geweest.
Te weinig beweging, teveel gegeten en gesnoept. Er moet echt iets veranderen.

Vrijdag 18 oktober

Slecht geslapen en maar langzaam op gang gekomen. Tijdens ontbijt gelezen dat een restaurantuitbater aan zee genoeg heeft van spelende kinderen in zijn etablissement. Maakte de bedenking dat het tot veel discussie zal leiden op Facebook. Heb niet gekeken.  
Boodschappen gedaan, drie machines gewassen en zelf bladerdeegpizza gemaakt, onder begeleiding van Golden Slumbers. Het speelde de hele tijd door mijn hoofd. De versie van Elbow.
De werken in de straat gekeurd. Of alles klaar is tegen eind oktober waag ik ten zeerste  te betwijfelen.
Mezelf in de spiegel bekeken en de nieuwe puntenlijst van Weight Watchers bestudeerd. Vanaf morgen gaat het veranderen.

Kanariepiet

Nog heel duidelijk herinner ik me de dag dat ik als twaalfjarige voor het eerst naar mijn nieuwe school fietste – naar Mater Dei in Overpelt.
De fiets had ik in mei van datzelfde jaar voor mijn Plechtige Communie gekregen. Hij was grijs en had handremmen. Geen terugtraprem meer, maar échte remmen, en de bel rinkelde helder en gedistingeerd. Vier maanden lang stond hij veilig en wel in de garage. Dat hoorde toen nog bij de opvoeding: eerst wachten om iets te krijgen en daarna wachten om het te mogen gebruiken.
Mijn jas hadden mijn moeder en ik in Hasselt gekocht. Hij was geel. Kanariepietengeel. In Hasselt vond ik hem heel mooi. Hij had brede revers, was een beetje getailleerd, en kwam tot net boven mijn knieën. Het met opzet verkreukelde imitatieleer blonk als een spiegel en de grote knopen waren rond en zwart.
Mijn vader vond de jas heel geschikt. Zo veilig, zei hij. Ik zou goed opvallen in het verkeer. Dagelijks twaalf kilometer op de fiets, zes heen en zes terug, met zo´n jas kon me echt niks meer gebeuren.
Ik was dus heel gelukkig met mijn jas. Tot ik op de eerste schooldag naar mijn nieuwe school fietste. Al in onze straat had ik het gevoel dat alle mensen naar me keken en daar werd ik, zenuwachtig als ik al was, niet rustiger van. De jas voelde ook wat stijf aan, niet echt om soepel in te bewegen. Maar mijn fiets liep tenminste lekker en ik trapte dapper verder. Over het kruispunt in de Barrier, langs Overpelt-fabriek en via de Houtmolen naar Overpelt-centrum.  Toen ik het schoolplein opstapte, raakte ik helemaal overstuur. Ineens voelde ik me als een kanariepiet in de mijn. Stokstijf bleef ik staan en verwachtte ieder moment dood te zullen gaan.

Ik was maar wat blij met de schort die we allemaal vanaf de eerste dag moesten dragen. Hij was van synthetisch materiaal, had lange mouwen en moest van voren worden dicht geknoopt. De kleur was afschuwelijk – vies olijfgroen. Anders als de meeste meisjes van mijn school heb ik hem nooit gehaat. Ik voelde me veilig in die schort. Heel wat veiliger dan in mijn gele jas.

 

Vakantie

Hoewel ik ooit heb beloofd regelmatig iets op Rimpelingen te posten, komt daar de laatste tijd weinig van in huis. Tot mijn grote vreugde tonen mijn statistieken dat mijn site toch vrijwel elke dag wordt bezocht. Hartverwarmend vind ik dat, en ik dank jullie daarvoor.

Dat ik weinig post heeft met verschillende dingen te maken. Hieronder volgt een beetje uitleg.
Ten eerste: ik ben lid van een schrijfclub. Elke maand komen we bij elkaar. We krijgen een opdracht van de docent die onze groep leidt, schrijven thuis een tekst en lezen die de volgende keer voor. We geven en krijgen dan feedback. Sommigen zijn bezig met een boek of een blog rond een bepaald thema en schrijven daarover iets. Anderen houden zich mooi aan de opdracht. De teksten die ik daarvoor schrijf, vind ik niet altijd geschikt voor publicatie op Rimpelingen. Omdat het zulke delicate onderwerpen zijn of omdat ik denk dat niemand er iets aan heeft. Wat dus betekent dat ik wel blijf schrijven maar jullie niet alles laat lezen.
Ten tweede: ik ben echtgenote, moeder, schoonmoeder en grootmoeder. Ook vriendin, zus, schoonzus en schoondochter. Er doen zich dus genoeg grappige, verdrietige, onrustwekkende of deugddoende situaties voor. Mijn man heeft er niets op tegen dat ik hem af en toe ‘gebruik’ maar niet iedereen vindt het leuk in een blogpost te verschijnen en ik probeer daarin een gulden middenweg te bewandelen. Er valt zo wel een en ander weg waarover ik zou willen of kunnen schrijven.
Ten derde: het lijkt wel of er in het Kaufhof niks meer gebeurt. Toch niet meer sinds het werd omgebouwd. Het is ook mogelijk dat mijn gedachten zo mijlenver weg zijn dat ik gewoon niet meer opmerk wat er rondom mij te horen of te zien is. Want ondertussen schrijf ik ook aan een boek en dat vraagt best veel hersenwerk. Of het ooit iets wordt, weet ik niet, maar ondertussen heb ik wel een project. (Een goede vriendin vindt dat alleen al geweldig: Ingrid stelt haar man niet meer verantwoordelijk voor het hebben van het project; ze heeft er zelf één!)

Dit alles wil niet zeggen dat ik van plan ben Rimpelingen op te geven. Bij lange na niet. Maar nu ga ik eerst wat vakantie houden. Wie weet zie ik Claudio terug, eet ik onderweg daar naartoe boterhammen met ei en snoep ik een hele zak Napoleonbollen leeg.

Ik wens jullie allemaal fijne, zomerse weken en tot binnenkort!

Een heel natuurlijke beweging

DSCF3043

Vandaag – het is een zonnige zondag – kom ik kijken hoe leden van de Maastrichtse Watersport Club zich voorbereiden op de deelname aan Le boucle de Liège, een roeiwedstrijd met handicap rond het Parc de la Boverie in Luik, een eilandje in de Maas.
Het eerste psychologische  gevecht met de grote favoriet – ça va? – oui, euh, non, j´ai mal aux jambes – en het opriggeren bij de botenwagen zijn achter de rug. Hun  startnummers hebben ze bij elkaar opgespeld en op de boten aangebracht. Ze moeten nu nog wat koolhydraten – in de vorm van een stuk taart – naar binnen spelen en daarom gaan we samen aan een lange tafel met bank zitten, onder een grote parasol. Vlakbij stroomt de Maas. Ietwat dreigend, vind ik. Maar de zon schijnt en op de achtergrond zingt Gérard Lenorman de ballade van de gelukkige mensen.

Roeien lijkt me ontzettend moeilijk. Je ziet toch niet waar je naartoe moet? Bovendien komt die roeibeweging me zo onnatuurlijk voor. Niks voor mij, denk ik, terwijl mijn gesprekspartner, zittend op de bank, probeert de beweging letterlijk met handen en voeten uit te leggen. Roeien – nee, daar is mijn coördinatievermogen echt niet goed genoeg voor. Het heeft iets van achteruit parkeren. Tot grote ontsteltenis van mijn rijinstructeur kreeg ik dat maar niet beredeneerd en kon ik het dus ook niet. Pas toen ik er niet meer over nadacht ging het beter. Tegenwoordig ben ik zelfs een kei in het achteruit parkeren.
‘Sta eens even op’, onderbreekt hij mijn gedachtegang. En voor ik het goed en wel besef is hij al recht geveerd. Verwonderd kijk ik hem aan.
‘Ja, sta maar eens op,’ dringt hij aan, ‘en kom tegenover me staan. Dan leg ik iets op de grond en jij raapt het op.’
Gehoorzaam zwier ik mijn been over de bank en ga tegenover hem op het gras staan. Gelukkig is er nog niet veel volk, denk ik, terwijl ik schichtig om me heen kijk. Zo dadelijk sla ik hier vast een figuur als modder. In mijn geval geven de simpelste bewegingen aanleiding daartoe.
Hij legt zijn zonnebril op het gras en kijkt verwachtingsvol naar mij. Lichtjes in de war ga ik door mijn knieën en raap de bril op. Was dit wat hij van mij verwachtte? Ging het wel goed?
‘Heb je het gemerkt’, straalt hij, ‘voel je het, weet je wat je hebt gedaan? Eerst je knieën gebogen, daarna je rug. De armen strekte je van je weg, en toen je weer recht kwam deed je de omgekeerde beweging. Zo werkt het. Zie je wel, zo simpel als wat, een heel natuurlijke beweging.’
Verrast ga ik weer zitten en kijk over de kade naar de opeens veel vriendelijkere Maas. Ik kan het. Als ik maar niet nadenk. Ooit word ik nog een kei in het roeien.

 

DSCF3042

 

 

Sevilla

Nadat ik Duitse vrienden had verteld waar we na Pasen naartoe zouden gaan, barstten ze – midden in de foyer van het Grenzlandtheater – spontaan uit in luid gezang. “Sie will ja nach Sevilla” is een carnavalslied dat ik tot hun grote verbazing nog niet kende. Daarom brachten ze het eensgezind nogmaals ten gehore. Ze begonnen bijna te hossen, daar in de foyer. Enfin, ik begreep eruit dat je Sevilla uitspreekt als Sevil-ja.

Sevil-ja, ach wat”, zei mijn man een dag later met grote stelligheid, “het is Sevi-ja. Een dubbelle l spreek je uit als j. En ik kan het weten”, voegde hij eraan toe, “want ik heb ooit Spaans geleerd.” Nu ben ik niet geneigd mannen zomaar te geloven. Ook niet mijn man. Zeker niet als iets met zoveel stelligheid wordt verkondigd. “Ja maar”, begon ik dus voorzichtig, “dat is toch ik weet niet hoeveel jaar geleden. En gij hebt geprobeerd het uzelf bij te brengen. Met luistercassettes. Onze kinderen weten niet eens meer wat dat ís: luistercassettes. Was dat niet in dezelfde tijd dat gij besloot panfluit te gaan spelen? Trouwens, waar ís die fluit?”
Zo kwam van het een het ander, u weet ook wel hoe dat gaat. Eensgezindheid over de uitspraak van Sevilla en nog een paar andere dingen was ineens ver zoek.

Onze reisgezellen, Vlaamse vrienden, beweerden hetzelfde als mijn man. Ik twijfelde nog altijd aan Sevi-ja en we besloten het te vragen aan de inwoners van Sevilla zelf. De eerste die we het vroegen was onze taxichauffeur. Het antwoord klonk als Sebidzja. Niet helemaal overtuigd vroegen we het aan de balie van het hotel opnieuw: Sevi-ja hoorden we daar. Op het eerste terrasje verzekerde de ober ons dan weer dat het Sevil-ja was. Kortom, verwarring heerste alom. Wel grappig, zeiden we tegen elkaar, hoe Spanjaarden met zoveel stelligheid iets kunnen zeggen en het toch niet weten.

We hebben ervan genoten. Het hotel was meer dan in orde en de zon scheen alsof ze een weddenschap was aangegaan. De stad was gezellig en kleurrijk en we hebben zowat  alle bezienswaardigheden bezocht, te voet of met de fiets. We hebben een flamenco-voorstelling bijgewoond en alle dagen hebben we lekker gegeten. In bijna elk restaurant hebben we ons laten overreden iets anders te bestellen dan we oorspronkelijk van plan waren. Omdat de ober zei dat het te veel was, of te weinig, of dat er toch nog iets veel beters te krijgen was. Spanjaarden kunnen met de grootste overtuiging iets beweren. En het is raar, maar als het over eten ging, geloofden we ze allemaal.

 

World Poetry Day 2018

Voor wie dit leest

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken;
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,
ben menigen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

Liefde is het meestal ook geweest
die mij het potlood in de hand bewoog
tot ik mij slapende vooroverboog
over de woorden die Gij wakker leest.

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn
en door de letters heen van dit gedicht
kijken in uw lezende gezicht
en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,
zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;
en laat Uw blik hun innigste niet raken
tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,
en wees gerust, en vrees niet de gedachte
dat U door deze woorden werd gekust:
Ik heb je zo lief.

Leo Vroman

Ontbijtgesprek

We zitten samen aan de ontbijttafel, gezellig, ieder met zijn krant. Mijn man met de papieren versie van de Aachener Zeitung en ik met de digitale uitgave van de Standaard.

Na tien minuten lezen sla ik mijn iPad dicht. Mijn man kijkt op en vraagt: ‘Hebt ge de krant nu al uit?’ Driftig beboter ik een stuk brood en leg er een plak kaas op. Plus wat abrikozenconfituur. Een slecht humeur vraagt om zoetigheid.
‘Awel’, begin ik uit te leggen, ‘daar staat nu eens niks in. Dan denkt ge, ik neem toch maar weer een degelijke, Vlaamse krant, dan weet ik tenminste wat er zoal gaande is in Vlaanderen en de wereld. We zouden natuurlijk ook naar Van Gils en gasten kunnen kijken. Want als ge daarnaar kijkt, weet ge wat er die dag gebeurd is, wie een nieuw boek geschreven heeft en wie een nieuwe plaat heeft uitgebracht. Maar neen, niet met u. Enfin, de krant. Het ene opiniestuk volgt op het andere. Politici zijn het niet eens en de economen ook al niet. En allemaal schrijven ze open brieven. Over de kernuitstap. Het onderwijs. Bosbeheer. Pensioenen. Jodiumpillen. Euthanasie. Ge weet toch niet meer wat ge moet denken! En dan al die columns! Het plezier gaat er toch compleet vanaf!’
Mijn man is bang dat ik in overdrive ga – ik zie het aan zijn mondhoeken. ‘Houd u nu maar kalm. Het is nog geen zeven uur en gij zijt u al aan het opjagen. Wilt ge nog een tas koffie?’
‘Nee, want dan jaag ik mij nog meer op.’
Mijn man bladert verder in zijn krant en slaat bleek uit. ‘Och, wat lees ik hier. Mijnheer Müller is dood. Zo snel kan het gaan. Vorige week heb ik hem nog gezien, in het Grenzlandtheater.’
Even later legt hij de krant weg en ik waag subtiel: ‘Gij hebt uw krant ook rap uit. Als ik iets zeggen mag.’
Hij hoort me niet. ‘Allez, wat staat er nu eigenlijk in die krant? Iets over inentingen – de mazelen rukken weer op in Duitsland. En die vriendin van uw vriendin wordt beschuldigd van persoonlijk winstbejag. Alsof dat iets nieuws is in de politiek. Vroeger, ja, vroeger, toen had ge tenminste nog idealisten. Mensen met een visie. Maar nu! Eigenlijk zou ik de krant moeten opzeggen.’

Na een paar minuten zwijgen vraagt mijn man oprecht geïnteresseerd: ‘Waarom leest gij eigenlijk de krant?  Als ge u er zo over opwindt?’
‘Om te weten wat er leeft, tiens. En gij, waarom gij?’
‘Ik? Tja. Om te weten wie er dood is?’

Ik denk er altijd aan

‘Waar zullen we gaan zitten’, vraagt hij, ‘wil je hier blijven of wil je iets meer afgezonderd met me praten?’
We staan in de huiskamer van de ouders van Jan Geboers. Zijn moeder kijkt me gespannen aan. Ik vermoed dat ze graag wil horen wat haar zoon te zeggen heeft, maar zich ook niet durft opdringen. Ik begrijp haar, mijn kinderen horen praten over hun werk of roeping, vervult me ook met verwondering, nieuwsgierigheid en trots. Jan, een jongeman van achtentwintig uit Neerpelt, met halflang, blond haar in een staartje, lijkt niets tegen haar aanwezigheid te hebben en ik vraag of hij me eerst wil vertellen waarmee hij nu bezig is en of we daarna naar zijn atelier kunnen gaan.

In de tuinkamer schenkt zijn moeder ons een kopje koffie in. ‘Hij is altijd al een creatief kind geweest, dat heeft hij van zijn grootvader’, zegt ze. Jan haalt zijn schouders op: ‘Ieder kind draagt toch een dosis creativiteit in zich, ik niet meer dan anderen. Ik denk, het is gewoon een kwestie van interesse en onderhouden.’
Om uit te leggen hoe hij te werk gaat, laat hij me een meubel zien waarvan de dragende constructie eruitziet als een ingewikkeld samenspel van zwarte blokjes en staven staal. Het is een console, een wandtafel, die hij heeft afgewerkt met houten details en een glazen tafelblad. De blokjes zijn een door hem ontworpen element waarmee hij verschillende onderdelen uit hout en staal verbindt. Hierdoor verkrijgt hij een modulair systeem dat iedereen moet toelaten zelf objecten te gaan ontwerpen en maken, in alle mogelijke materialen en afmetingen. Hij heeft interieurvormgeving gestudeerd aan de LUCA School of Arts in Brussel, volgde de opleiding meubelontwerp aan de Thomas More hogeschool in Mechelen en op een heel eigen manier vermengt hij design, technologie en kunst. Bedenken valt voor hem nagenoeg samen met maken: hij ontwerpt door proefondervindelijk te experimenteren met schaal, materiaal en techniek.
Zelf beschrijft hij zijn werk als functionele sculpturen. Van het woord mooi in verband met zijn ontwerpen houdt hij niet. Het is zijn uitdrukkelijke bedoeling te laten zien hoe de objecten die hij maakt in elkaar zitten. ‘Want dat zie je ook in de natuur’, zegt hij. ‘Kijk eens naar die boom daar. Je ziet waar de stam een tak kreeg, en waar die tak zich vertakte, en dat gaat maar door en door, tot daar die geweldige boom staat. Prachtig, toch, hoe dat in elkaar zit?’ Een lamp die alleen uit een gebogen staaf bestaat vindt hij daarom maar niks. ‘De appreciatie voor hóe iets gemaakt is, voor de gebruikte materialen, gaat helemaal verloren.’

In zijn atelier, het hok, zoals hij het noemt, vraag ik hem hoe belangrijk zijn kunst voor hem is. ‘Ik denkt er altijd aan’, zegt hij, ‘maar ik moet ook geld verdienen en als designer zit dat er nog niet in. Daarom heb ik een halftijdse job bij de onderzoeks- en ontwikkelingsafdeling van een bedrijf dat maatwerkapparatuur voor elektronische componenten ontwikkelt en vervaardigt; het past wel bij waarmee ik bezig ben.’ Hij beseft dat hij, om als ontwerper bekender te worden, zichzelf moet gaan promoten: vaker aan tentoonstellingen meedoen, zijn website wat beter onderhouden. Hij zou actiever kunnen worden op de sociale media, maar daar heeft hij ook een beetje een aversie tegen. ‘Mensen spreken te weinig écht met elkaar’, zegt hij.
Hij zou graag een vrouw vinden die hem en zijn werk begrijpt en hem daarin ondersteunt. Het liefst iemand die ook met hem samenwerkt. ‘Ik klink misschien wat ouderwets; soms denk ik dat ik niet pas in deze tijd. Veel hebben interesseert me niet. Auto´s en fietsen bijvoorbeeld – ik ga liever op zoek naar een oude dan naar een nieuwe. Ik houd ook niet van smartphones. Ik heb nog altijd mijn gsm van tien jaar geleden. Maar de meeste meisjes begrijpen dat niet. Ze willen mij niet als ik geen smartphone heb. Ze willen dat ik altijd bereikbaar ben en fotootjes deel. Maar dat wil ík dan weer niet.’

We praten verder over de verenigbaarheid van het kunstenaarschap met een burgerlijk leven, over open source, auteursrechten en patenten. Wanneer ik vertrek, vraagt hij of ik alles zal kunnen onthouden. Ik heb immers niets opgenomen en heb geen notities gemaakt. Maar ik heb naar zijn werk en in zijn hoofd mogen kijken. Voor mij is dat genoeg.

klik hier voor de website van Jan Geboers