Herblogd

Gedicht van Wiskawa Szymborska, gelezen op  ZICHTBAAR ALLEEN

Notitie

Leven is de enige manier

om met bladeren begroeid te raken,

op het zand naar adem te happen,

op vleugels proberen op te vliegen;

om hond te zijn

of hem over zijn gladde vacht te aaien;

om pijn te onderscheiden

van alles wat geen pijn is;

om zich in gebeurtenissen te bevinden,

zich in een uitzicht te verbergen,

naar de kleinst mogelijke vergissing te speuren.

Een uitzonderlijke kans

om je even te herinneren

waarover werd gesproken

toen de lamp niet brandde

en om ten minste eenmaal

over een steen te struikelen,

in een of andere regen nat te worden,

je sleutels kwijt te raken in het gras;

en een vonkje in de wind na te kijken;

en zonder ophouden iets belangrijks

niet te weten.

Gewoon op straat

‘De meeste verhalen liggen gewoon op straat. Je moet alleen goed kijken en luisteren.’ Met die gedachte in het achterhoofd stapte ik voor het begin van de pandemie wel eens in mijn auto om naar het Kaufhof in Aken te rijden – ook wanneer ik niets nodig had. Het was een ideale plek om columns te sprokkelen: iemand sprak me aan om iets te vragen, ik ving gesprekken op tussen winkelende vriendinnen of tussen verkoopsters, er gebeurde iets in het pashokje of aan de kassa, – kortom, altijd maakte ik wel iets mee waarover ik kon schrijven. Mijn kinderen en kleinkinderen zijn ook een bron van inspiratie, maar vinden het niet fijn ‘gebruikt’ te worden. Mijn man heeft daar gelukkig geen problemen mee. Ergens een lekker stukje taart of een ijsje eten kon eveneens tot een column leiden. Ofwel bracht het gesprek met diegene met wie ik aan een tafeltje zat me op een idee, ofwel luistervinkte ik bij de buren. 

Sinds de eerste lockdown zijn toevallige ontmoetingen zeldzaam geworden. Ik heb ze dan ook deerlijk gemist. Slechts voor het hoogstnodige de deur uit mogen of pas na afspraak ergens kunnen binnengaan, best alleen en ook nog met een mondmasker op, zorgt voor bedroevend weinig interactie. Op den duur kreeg ik zelfs het onbehaaglijke gevoel dat het sociale deel van mijn hersenen verschrompelde. Of toch nog weinig oplichtte. Als robotten liepen we op veilige afstand van elkaar door de straten en de winkels om uiterst doelgericht onze spullen te gaan kopen. Uitgebreid kijken, vergelijken, passen, twijfelen of een voorbijganger aanspreken was er niet meer bij. Samen met het teloorgaan van die toevallige contacten leek ook mijn creativiteit te verminderen. 

Vandaag, al surfend op het internet, las ik dat Lea, een als rollator vermomde robot, de gebruiker niet alleen helpt en beschermt bij het lopen, maar ook stimuleert om lichamelijk actief te blijven. Met oefeningen en met dansen. Voor het eerst sinds lange tijd begon het creatieve gedeelte van mijn hersenen weer op te lichten: een robot die zich vermomt als rollator en met je begint te dansen. Waar en wanneer zou ze dat doen? Als ze er zelf zin in heeft of op commando? Ik zag het al helemaal voor me: allemaal negentigjarigen, mannen en vrouwen, dansend met hun rollator, gewoon op straat. Ineens heb ik zelfs stof genoeg voor een vervolgverhaal. 

Fitness

(variatie op een oud stokpaardje)

Ik ben best sportief. Altijd geweest, eigenlijk. Toch in de zin van ‘met plezier lichamelijke activiteit beoefenen’. Als tiener deed ik mee aan zwemwedstrijden en op school was ik één van de besten in het lange afstandslopen. Ik deed ook graag grondoefeningen. Toestelturnen was dan weer minder mijn ding. Aan een rek hangen durfde ik nog, maar over een paard of een bok springen was net iets teveel gevraagd. Dat de gymleraar me daarbij maar al te graag een ruggensteuntje gaf, hielp niet echt. Ik wist nooit zeker waarnaar hij grabbelde. Bovendien haatte ik het pakje dat we in de turnles moesten dragen: een donkerblauwe, sponzen onesie met korte mouwen en nog kortere broekspijpen. Zwemmen doe ik nog altijd graag, maar omdat ik allergisch reageer op water (lach niet, het bestaat wel degelijk) komt het er nog zelden van en ga ik liever wandelen. Dit alles om aan te tonen dat ik niets tegen wat beweging heb. Daarom maak ik ook zelf mijn huis schoon. 

In sommige milieus doen ze dat niet. Daar láten ze schoonmaken. Eén van de argumenten die ik daarbij hoor, is dat ze dan meer tijd overhouden om iets zinvollers te gaan doen. Zoals sporten. Waarmee ze dus bedoelen: sporten is zinvol maar schoonmaken niet. Schoonmaken, beweren ze ook, leidt tot niets. Akkoord, knik ik dan toegeeflijk, er ontstáát niets. Het is niet hetzelfde als pakweg je eigen groenten kweken of een trui breien. Maar wat in hemelsnaam ontstaat er door te gaan joggen, tennissen of fitnessen? 

Er is dus sprake van een uiterst eigenaardige redenering. Bij mijn weten betekent sporten: een lichamelijke of mentale activiteit beoefenen waarbij vaardigheid, kracht en inzicht vereist worden. En de strekbeweging bij het ramen lappen, of het zeulen met de stofzuiger, door de knieën gaan en op een laddertje kruipen om stof af te nemen, strijken, tapijten uitkloppen, is dat dan geen lichamelijke activiteit? Is daar geen kracht voor nodig, of inzicht? Echt, het wil er bij mij niet in. Kilometers joggen of fietsen, zomaar, nergens naartoe, of nog erger: gaan fitnessen – is daar meer zingeving mee gemoeid dan wanneer je, ik zeg maar, de vloeren van je boven- én benedenverdieping op één uur dweilt?

Ik wil hier niet beweren dat ik gráág schoonmaak. Maar het zelf doen houdt me fit en met de voeten op de grond. Ondertussen krijg ik ook vaak verhelderende gedachten over het leven. Grootse, filosofische redeneringen zijn er al bij op gang gekomen. Over zin en onzin van theedoeken strijken, over stof dat alsmaar wederkeert, over steeds opnieuw beginnen en mijn eigen vergankelijkheid. Eerlijk, bij sporten heb ik dat nog niet gehad. Dan is het enige wat me bezighoudt: waarom doe ik dit eigenlijk? Hoe lang duurt het nog? Aan wie moet ik hier iets bewijzen? Of: ik zou mijn tijd beter besteden aan ramen lappen, want mijn schoonouders komen op bezoek. Heb ik in een moeite door een buig- én strekbeweging. Ook al leidt het dan tot niets. 

Over berg en dal

Vorige week dinsdag zijn we gaan wandelen. Niet zomaar wat kuieren, nee, echt wandelen, met wandelschoenen aan en een rugzak mee. Urenlang liepen mijn man en ik van het ene beekdal in het land van Herve naar het andere. We stapten over bospaadjes en geasfalteerde wegen, soms naast elkaar, soms achter elkaar, doorkruisten weiden met klaphekjes en kwamen stevige klimmetjes tegen. Ondertussen genoten we van de vele vergezichten.

De heuvelachtige streek waar ik woon, kan me nog niet zo heel lang bekoren. Geboren en getogen in de Limburgse Kempen bemin ik nog altijd de droge, zwarte grond, de geur van de naaldbossen en vooral het vlakke landschap daar. Alles is er zo overzichtelijk en behapbaar. En een plat landschap opent de geest. Daarom ga ik ook graag naar zee. Liever dan naar de bergen, die ik pas als tiener leerde kennen, toen ik met een oom en tante mee op skivakantie mocht. De sneeuw was fijn, vooral als je van binnen naar buiten keek, maar die bergen… er waren er te veel en ze waren te hoog. Ze beklemden me. In de bergen voel ik me nog steeds niet op mijn gemak. Ik vind ze bedreigend. Sommigen beweren dat bergen sprookjesachtig zijn, en mysterieus. Nou, ik geloof niet meer in sprookjes en mysteries maken me nerveus.
Het moeten wel heel speciale mensen zijn, mensen die van wandelen in de bergen houden en een top beklimmen, gewoon om die top te halen en te kijken wat erachter ligt. Je ziet toch alleen maar nóg meer bergen die je moet bedwingen? Waarschijnlijk zien ze het leven als iets waar ieder obstakel moet en kan overwonnen worden, denk ik dan, en weten ze nog niet dat dat niet gaat, dat je sommige dingen in een hoekje moet laten staan.

Al die hoogteverschillen en vooral de zon nog niet gewend, kreeg ik het af en toe moeilijk. Met een kop die er volgens mijn man uitzag als een tomaatrode pompoen moest ik dan ook af en toe vragen een kleine rustpauze in te lassen. Gelukkig had hij daar alle begrip voor. Misschien is dat waarom ons huwelijk al zo lang standhoudt: we sleuren elkaar door de heuvels en valleien, door de bergen en dalen van het leven, houden af en toe halt om elkaar weer moed in te spreken en daarna weer samen verder gaan. Soms naast elkaar, soms achter elkaar, maar altijd weer komen we bijeen.

Droef

– En, hoe gaat het?
– Och… pijn in mijn schouder, mentaal gaat het vandaag ook niet zo goed. Ik vind het toch bedrukkend allemaal.
– Oei, klinkt niet zo goed. Je schouder?
– Beetje overtraind, neem ik aan. Nu de sportschool dicht is, doe ik mijn oefeningen thuis. Aan de toestellen in de kelder. Er is toch niets anders te doen, tenzij het nieuws volgen. En dat is altijd hetzelfde. Corona, de cijfers, de vaccins – ik kan het niet meer horen. Alsof er ineens geen oorlogen meer zijn. Ook geen woord meer over de sprinkhanenplaag in Afrika. Al die mensen die níet aan Corona doodgaan – wie praat daar nog over? En de controle zonet aan de grens… ik had zin om te zeggen dat ik extra vanuit Aken naar Hauset kom om het virus te verspreiden. En dat ik een erg hoge viruslast heb.
– Ach ja, het beste ervan maken, zeker. De juiste papieren mee en dan is het toch geen probleem? Doen we die wandeling rond de spoorwegbrug? Wacht, ik moet mijn handschoenen en muts nog uit de auto halen. Het is toch kouder dan ik dacht.
– Eigenlijk heb ik alleen maar zin in een lekkere kop koffie en een stuk taart. Rabarbertaart met meringue van bij Zum Mohren. En dat dáár opeten, zoals we van tevoren deden. Al dat gewandel van de laatste tijd. Het praat toch heel wat makkelijker als je tegenover elkaar zit.
– Tja, dat zal nu niet gaan. Er is nergens iets open en ik mag je thuis niet binnen uitnodigen. De volgende keer breng ik een thermos koffie en wafels mee, oké? Laatst hebben we met onze Vlaamse vrienden ook wat te eten meegenomen. Schuimwijn, hapjes erbij, brood en soep. Op dat tafeltje met twee banken hier verderop een tafellakentje gelegd, alles mooi uitgestald, gezellig gegeten. Iedereen die eraan voorbij kwam, stond te likkebaarden.
– Héhé, jij met je positief gedoe. Besef je niet wat er allemaal aan de hand is? We bewegen ons langzaam naar een totalitaire samenleving. Ze jagen ons angst aan met een onnozel virus, niet meer dan een griepje, en hup, niemand denkt nog na, iedereen doet wat de overheid zegt. Echt, ik dacht dat je slimmer was. En kijk eens wat er van ons terecht komt. Asociale wezens zijn we geworden, bang van elkaar, bang van ziekte en dood, alsof dat niet bij het leven hoort. Huidhonger heb ik. Anderhalve meter afstand, geen handen geven, niemand omhelzen. Ik mis dat. En wacht maar, straks zetten ze een glazen stolp over elk stad of dorp en maken ze ons wijs dat dat is om ons te beschermen. Op gezette tijden gaat die dan van boven open en moeten we allemaal buiten komen staan met ons gezicht naar de zon, zogezegd om vitamine D binnen te krijgen, maar het enige wat telt, is controle…
– Overdrijf toch niet zo. Je hebt teveel dystopieën gelezen. Kop op. Onze conditie is goed, we kúnnen wandelen, hebben geen van beiden geldzorgen, geen onderliggende ziektes. Denk toch eens aan wat er nog mogelijk is. Skypen, face-timen, zoomen. Onder ons gezegd, ik vind het wel iets hebben. Niet meer van afspraak naar afspraak moeten hollen, veel meer buiten zijn. En het is zo rustig op de straten. Ik voel me nu ook heel duidelijk deel uitmaken van de geschiedenis. Bedenk toch eens: dit is een kantelpunt, en daar zijn wij getuige van. Een privilege is het – dit van nabij mogen meemaken en nog niet te oud zijn om te zien hoe het allemaal afloopt. En als we voorzichtig zijn, overkomt er ons toch niets?
– Ik herken je niet meer. Mijn beste vriendin, helemaal gehersenspoeld. Alsof ik teveel van het leven verwacht. Het enige wat ik wil is naar onze chalet in Zeeland kunnen reizen en naar Gran Canaria vliegen om een beetje zon te tanken. Is dat teveel gevraagd? En mijn kinderen en kleinkinderen vastpakken zonder dat ze terugdeinzen.
– Ja, dat laatste zou ik ook wel willen, maar kijk, als we gevaccineerd zijn…
– Och, hou toch op. Dat gaat er ook nog van komen: dat de gevaccineerden wat meer mogen. Die mogen dan al eens uit die glazen stolp komen. Langs dat ene deurtje aan de achterkant. En alleen met een pasje. Die met het Pfizer-vaccin mogen hun kinderen en kleinkinderen bezoeken en het vliegtuig nemen. Ook naar andere werelddelen. Zij dragen een kapje in rood, geel en zwart. Die met AstraZeneca mogen restaurants en cultuurhuizen bezoeken en binnen Europa reizen. Hun kapje is wit met rood en blauw. Johnson&Johnson, tja, dat is nog afwachten. Onbeperkt bezoek misschien, of seks met vreemden…
– Zeg, nu staan we hier al veel te lang te palaveren. Hoog tijd dat we eraan beginnen. Die wandeling duurt wel een paar uur. Wanneer gaat bij jullie de avondklok in?

Curieus

Foto door Nick Demou op Pexels.com

De laatste weken heb ik een ware obsessie voor kappers ontwikkeld. Echt, ik denk er voortdurend aan. Ik droom er zelfs van. In alle talen. Van een Friseur in Lederhose, een coiffeur in een marcelleke, een kapper op klompen en een hairdresser in kamerjas. Vanochtend was ik ineens curieus naar de herkomst van het woord ‘kapper’. Kapper komt van kappen – een werkwoord met twee betekenissen: kappen als omhakken en kappen als haar opmaken. Het kappen als haar opmaken is afgeleid van kap (hoofddeksel). Het ontstaan van het woord had dus betrekking op de gewoonte vrouwen een sierlijke hoofdkap op te zetten. Al gauw werd het algemener: het haar opmaken (al dan niet met behulp van een kap) én het werd ook toegepast op mannen. Iemand die het kappen als beroep heeft, is een kapper.

De parking van Jean Marie´s Hairshop houd ik nu al sinds een dag of tien nauwlettend in het oog. Meestal staat er maar één auto. Toch durf ik geen afspraak te maken. Bij mijn eerste bezoek na de vorige lockdown geraakte mijn kapper nogal van streek en ik wil hem niet nog eens teleurstellen. Nee, niet kleuren, had ik aan de telefoon gezegd, dan zit ik er langer dan een half uur en dat wil ik niet. Bovendien, opperde ik toen ik bij hem in de stoel zat, is dit niet dé gelegenheid eens af te wachten hoe grijs ik eigenlijk al ben? Daar was hij het duidelijk niet mee eens. Zijn ogen drukten zoveel onbegrip uit, en ja, ook treurnis, dat ik me liet overhalen een pakketje mee te nemen om mijn haar thuis zelf te kleuren. Het was niet voor herhaling vatbaar.

Ondertussen hangen mijn haren over mijn oren en voor mijn ogen. Twintig keer per dag kijk ik in de spiegel en nerveus van mijn kriebelend nektapijt zit ik alsmaar met mijn handen in mijn haar. Een vriendin stelde voor een diadeem te gaan dragen. Te verkrijgen in het Kruidvat, zei ze. En mijn man begon over schuifspelden. Schuifspelden! Ik weet niet eens of die nog bestaan. Nee, geen denken aan. Dan zet ik nog liever een hoofdkapje op.

Boude beweringen

Iedere ochtend bij het ontbijt bestudeer ik de digitale krant De Standaard terwijl mijn man tegenover me de papieren Aachener Nachrichten leest. De radio blijft daarbij meestal uit - je kan ook een te grote hoeveelheid nieuws te verwerken krijgen, vinden wij. Die vredige stilte aan tafel bevalt ons wel. Ik heb altijd wat tijd nodig om op gang te komen en mijn man vindt het prettig als ik eens níet wens te communiceren. Vanaf het moment dat hij wakker wordt is hij fris en monter maar dat wil niet zeggen dat hij meteen wil overvallen worden door mijn boude beweringen, grootse ideeën of nachtelijke zorgen.
     Nochtans zijn er ook dagen dat ik de stilte niet kan volhouden, dagen waarop ik begin iets voor te lezen waarvan ik denk dat mijn man het moet weten. Omdat ik het zo treffend geformuleerd vind, of juist ontzettend stom, of zo humoristisch. Mijn man houdt dan zijn vinger op de regel die hij net aan het lezen is, kijkt geïnteresseerd en luistert ondertussen intens naar mij. Of doet op zijn minst alsof - iets wat je heus niet van iedere man kan zeggen. 
     Laatst las ik hem een artikel van I.L. Pfeijffer voor. Het ging over de Italiaanse politiek, over Renzi en Conte, over Draghi en de familie Agnelli en eindigde ermee dat je op je hoede moet zijn voor Florentijnen. Mijn man had goed geluisterd, ik merkte het achteraf toen hij nog eens over de macht van het geld begon. Hij zei zelfs dat ik mooi kon voorlezen, dat ik een aangename stem heb om zoiets te brengen. Iets minder aangenaam vond hij - en dat zei hij drie dagen na datum, drie dágen - dat ik toen niet genoeg had gehad aan mijn eigen krant, dat ik met mijn vinger op de kop van een bericht in zíjn krant gewezen had, en hem gesommeerd had mij te vertellen waarover dat precies ging. Blijkbaar vond hij dat van het goede iets teveel. Daarom zeg ik u: hoed u voor mannen die papieren kranten lezen. 

Poëzieweek

Duif


Het had geonweerd en de straat was nat,
het asfalt lag als water aan de oever
van het trottoir, waar plechtig trad
een duif en koerde als een kind, maar droever.

De hemel boven ’t park werd licht,
de bomen stonden groen, afzonderlijk
en ieder leek een bos, zo bol zo wonderlijk
en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.

Ik liep te kijken in de korte stille straat
en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels
en poten roze als de dageraad.


uit: ‘Verzamelde gedichten’, M. Vasalis, p. 72

Afbeelding

Ademloos

Een maand of twee geleden kocht ik een nieuwe agenda, of nee, twee agenda´s om precies te zijn, een persoonlijke en, hoewel ons huishouden nog maar uit twee personen bestaat, een gezinskalender, iets waar lange tijd geen behoefte aan bestond omdat ik alle afspraken van ieder lid van ons gezin kon onthouden, daar zelfs prat op ging, maar spijtig genoeg vanaf het ogenblik dat ik begon te studeren en te schrijven niet meer zo goed functioneerde, immers, studeren en schrijven zijn twee activiteiten die veel concentratie vragen, en geloof het of niet, maar zelfs om je verbeelding te laten spreken moet je je kunnen concentreren en daar hoort afspraken in je hoofd prenten absoluut niet bij, met als gevolg dat ik nu ieder jaar in november een agenda koop, een agenda die aan verschillende criteria moet voldoen: hij hoort in elke handtas te passen, een buigzame kaft te hebben en glad en wit papier, plus een indeling over twee bladzijden zodat je wanneer je hem openslaat meteen een overzicht hebt van de hele week, wat je hele gemoed in één klap kan doen opklaren, alleszins het mijne, zo keurig en net als mijn afspraken in mijn agenda staan, sommige in potlood en andere in de kleur van mijn lievelingspen, gewoon omdat ik maar niet kan besluiten waarmee ik liever schrijf (ofschoon ik me daarover ook wel weer kan ergeren), omdat, tja, potlood heeft iets provisorisch, nietwaar, alsof het nog niet zeker is wat er staat, wat me enerzijds bij het schrijven goed van pas komt, me anderzijds in mijn kalender zo kan spijten voor de afspraak die ik heb gemaakt, terwijl het koningsblauw van mijn pen iets verhevens heeft, edoch niet bij iedere afspraak past, maar goed, in november heb ik dus twee agenda´s gekocht, een gezinskalender waarin mijn man heel af en toe iets schrijft, en een persoonlijke, een duurzame, recycleer- en composteerbaar lees ik op de achterkant, in het juiste formaat en met een buigzame kaft, alleen, het papier is niet wit maar beige gespikkeld, en ook niet glad, omdat het is gemaakt van snelgroeiend en -drogend gras, waarmee ik niet wil zeggen dat ik daarover struikel, duurzaam is duurzaam, nochtans weet ik vandaag niet goed of ik hem nog wel zo leuk vind, hij ziet er zo leeg uit, en hoewel die weinige afspraken die erin staan zorgen voor perspectief, me het gevoel geven dat ik toch nog iets van een sociaal leven leid, confronteert hij me er ook mee dat dat leven zich hoofdzakelijk afspeelt op het internet, op Zoom, FaceTime en Skype, beneemt hij me soms zelfs de adem, met als gevolg dat ik dan weer mijn heil moet zoeken op Youtube, bij Yoga with Adrienne, om op mijn sportmat in de woonkamer samen met acht miljoen andere gebruikers mijn ademhalingsoefeningen te doen.