Aandacht

Een dag of wat geleden las ik op Facebook het volgende:  Aandachtige wensen voor iedereen, een nieuw jaar met warmte, verbondenheid, open deuren, open gedachten en liefde naar jezelf en anderen

Het raakte me, ik vond het mooi, maar toen ik er even bij stilstond bracht het me ook in verwarring. Want die aandachtige wensen – sloegen die op de eigen welgemeende aandacht van de schrijver voor de lezers van zijn kerstwensen of op zijn hoop dat ze meer aandacht zouden geven aan hun medemens? Of op allebei? En die open deuren. Open deuren kan je intrappen. Maar je kan er ook mensen door binnen laten. Toen zat het spel op de wagen. Open gedachten – bedoelde hij dat ze leesbaar zouden moeten zijn voor iedereen, of dat je moet openstaan voor andere gedachten? Het begon me licht te duizelen. Was de schrijver met opzet meerduidig, of helemaal niet en was ik het die de dingen weer moeilijker maakt dan ze zijn? 

De kerstwensen hebben me dus best wat hoofdbrekens gekost. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat het er niet toe doet wat de schrijver ervan precies heeft bedoeld, of hij met opzet meerduidig is geweest of niet. Zijn boodschap blijft mooi. 

Bij deze wil ik jullie van harte bedanken voor het trouwe volgen van Rimpelingen en wens jullie allemaal een zalige Kerstmis en gelukkig Nieuwjaar! 

Mysterie

De statistieken op WordPress bekijken is een interessante bezigheid. Van elk bericht dat ik plaats, kan ik nagaan hoe vaak en in welk land het wordt bekeken. Ik weet nooit wíe er leest, maar weet wel dat er in Nederland evenveel gelezen wordt als in België. Ik kan ook zien dat mijn blog elke dag wordt aangeklikt. Dat verblijdt me zeer en voor iemand die dit jaar nog maar vier berichten heeft geplaatst, vind ik dat een hele eer.
Een paar jaar geleden schreef ik elke week iets. Ik had mezelf die discipline opgelegd, wat soms moeite kostte maar vaak ook niet. En toch ben ik nu al een hele tijd aan het slabakken. Zo schrik ik ervan dat het alweer van oktober geleden is dat ik nog iets publiceerde.
Ik moet wel toegeven, het is soms moeilijk. Veel onderwerpen zijn de revue al gepasseerd en ik merk dat ik met het ouder worden niet meer zo de behoefte voel mijn mening over bijvoorbeeld de actualiteit in het openbaar te ventileren. Of het misschien niet meer durf. Nochtans, ik kan me nog altijd hevig opwinden over wat er zoal gaande is in de wereld. Dat begint vaak al ´s morgens vroeg bij het ontbijt, wanneer ik de krant nog maar opensla. Wanneer het gaat over een nieuwe wetgeving rond abortus en euthanasie in ons land, bijvoorbeeld, krijg ik hartkloppingen en moet ik oppassen niet te beginnen roepen. Mijn man heeft dat niet graag, dus mompel ik maar wat. Zulke belangrijke ethische kwesties eens rap door een regering in lopende zaken laten behandelen, dat zouden ze moeten boycotten. Zo normaal als het wordt leven en dood als een medische act te zien. De zelfbeschikking ten top gevoerd. Waarom mogen geboorte en dood niet moeilijk zijn? Waar blijft het mysterie? Straks hoeven we over niets nog te filosoferen – leven en dood worden per vingerknip voor ons geregeld.
Eigenlijk wou ik er hier niets over zeggen. Het zijn maar gemompelde gevoelens, bedenkingen. De bedenkingen van een ouder worden vrouw, een moeder en een oma, die soms versteld staat van wat er rond haar gebeurt en daar niet altijd raad mee weet. Vergeet ze dus maar.

P.S.: Om over mysteries te spreken: afgelopen zaterdag hebben we Sinterklaas gevierd. Het was een mooie dag, een dag om nooit te vergeten. Soms ben ik heel dankbaar om wat ik allemaal mag meemaken.

Cijfertjes en lettertjes

“Hoe langer het duurt, hoe moeilijker het wordt.” Dat geldt ook voor het weer beginnen schrijven voor Rimpelingen. Om erin te komen stort ik me in navolging van Koen Schyvens en Thomas Pannenkoek op de letters van het alfabet en ga er vrij mee associëren.

A: het abc. Ons alfabet. Zesentwintig letters. We vormen er woorden mee, zinnen, verhalen. Dat er met zesentwintig letters en een paar leestekens hele boeken worden geschreven – ik blijf me erover verbazen.

B: Brood. Ik eet graag brood. Maar die koolhydraten. Een gevaar voor de mens, vooral ´s avonds, naar het schijnt. Om de drie uur iets eten, zegt de een, want je moet het oventje brandend houden. Een pauze van zestien uur tussen de laatste en de eerste maaltijd, zweert de ander, want het lichaam moet regelmatig vasten. Al die verschillende voedingsadviezen, wat moet een mens daar nu toch mee?

C: Nu ik dan toch over eten bezig ben: chocola. Chocola is altijd goed. Als beloning en als troost. Dat weet ik uit ervaring.

D: Dromen. Soms droom ik tegen de ochtend zo heftig dat ik er tot ´s middags van onder de indruk ben. Ik heb geen nachtmerries, dat gelukkig niet.

E: Evenwicht. Mijn fysieke evenwicht verloor ik begin februari. Tijdens een avondwandeling struikelde ik en brak mijn sleutelbeen. Op het emotionele vlak neig ik ook tot zwalpen.

F: Frankrijk. Heerlijk land. Er is nog ruimte, de wegen zijn goed, het eten en de wijn zijn lekker, de mensen lijken er niet zo gehaast.

G: Grond. Altijd met de voeten op de grond blijven, heb ik geleerd. Vooral niet gaan zweven. Soms benijd ik toch de mensen die het kunnen.

H: Haver. Van haver tot gort. Ik zou kunnen zeggen: we zijn al zo lang getrouwd, ik ken mijn man van haver tot gort. Maar dat is niet zo. Misschien ook gelukkig maar.

J: Joker. Hierboven (I) heb ik mijn joker ingezet.

K: Kaartspel. Ooit weigerde de broer van mijn vriendinnetje nog verder met mij te kaarten. Kingen was het, geloof ik. Ik snapte niks van het spel en wou het eigenlijk ook niet snappen. Die broer zag ik wel zitten, maar ik had een hekel aan alles wat met cijfertjes te maken had.

L: liefde. Love of my life van Queen. Madrid van Kommil Foo. Durf jij van Ellen ten Damme.

M: Mindfulness. Een gemoedstoestand waar veel mensen naar streven, maar die weingen bereiken. Dat zie je vooral in het verkeer.

N: Naam. In Duitsland geven de meeste vrouwen hun achternaam op wanneer ze gaan trouwen. Ze nemen de naam van hun man aan en veranderen hun handtekening van de ene dag op de andere. Het leidde op de school van onze zonen ( in Aken) tot verwarring wanneer de leerkrachten zagen dat ik toetsen ondertekende met mijn meisjesnaam. Een moeder die niet dezelfde achternaam heeft als haar kinderen – iets klopte er niet.

O: Oordoppen. Blaffende honden, sniffende of smakkende mensen, tikkende radiatoren, grasmaaiers, bladblazers en bosmaaiers brengen het slechtste in mij naar boven. Wassen oordopjes zijn dus een zegen – voor mij en mijn omgeving.

P: Privacy. Niet meer vol te houden in deze tijden. Zeker niet als je een bankkaart hebt en internet. En wie kan er nog zonder?

Q: Quilten. Dat wil ik nog leren. Lijkt me leuk: met lapjes stof werken, nadenken over patronen en kleuren. Het is zoals puzzelen, stel ik me voor.

R: Radio. Vroeger stond de radio de hele dag op. Vandaag nog zelden. Elk half uur nieuws en reclame – ik heb daar geen behoefte aan.

S: The Slow Show. Een paar dagen gelden naar een concert geweest in Maastricht. Genoten!

T: Trump. Dat zijn tweets zoveel teweeg kunnen brengen. Dat hij mág tweeten. Bij mij zou het niet waar zijn.

U: Uppercut. Zou ik hem soms willen geven.

V: Voorspel. Oei. Ik wou het niet over seks hebben. Niet hier.

W: Wassen. Toen onze drie zonen nog thuis woonden, stond ik soms huilend bij de wasmachine. Omdat het werk nooit ophield. De ene mand leeg, hup, de andere alweer vol. Later huilde ik omdat er nog zo weinig te wassen was.

X: Xantippe. Zeggen ze van een lastige, humeurige vrouw. Dat moet altijd worden gecontroleerd, vind ik, want misschien is ze gewoon nuchter en verstandig.

Y: Yoga. Heb ik een tijdje gedaan. Ik zou er opnieuw mee moeten beginnen. Iedere ochtend een keer of twaalf  de zonnegroet. Het doet deugd, dat weet ik. Mijn geest is gewillig, maar het vlees is zwak.

Z: Zo, oef, ik ben er geraakt. Hopelijk tot binnenkort!

 

Gastenboek

‘D´accord’, hoor ik mijn man zeggen, ‘sept heures trente.’ Hij steekt zijn gsm terug in de zak van zijn regenjas. ‘Gelukt’, zegt hij opgetogen, ‘net een tafeltje gereserveerd.’
We zitten in Frankrijk op een terras en tersluiks kijk ik op mijn horloge. Zes uur. Geweldig. Dat betekent nog anderhalf uur honger en kou lijden. ‘En wat nu’, vraag ik beschuldigend, ‘nóg maar eens wat wandelen of hier tegenover de kerk in?’ Het wordt de kerk.
Slecht gehumeurd loop ik tot bij het altaar, bekijk vluchtig de mozaïeken op de vloer en maak dan rechtsomkeer. Op een houten pupiter vlakbij de uitgang ligt een opengeslagen gastenboek. Gastenboeken oefenen een enorme aantrekkingskracht op mij uit. Niet dat ik de drang voel er zelf iets in te schrijven, maar ze prikkelen mijn nieuwsgierigheid danig. Iemand geeft zich bloot, legt vast wat hij denkt of voelt en deelt dit met de rest van de mensheid. Ook met mij. En kunnen onderduiken in het privéleven van iemand anders is iets waaraan ik slecht kan weerstaan.
Op de linker bladzijde staat een tekst, ondertekend door een vrouw. Haar ronde, regelmatige handschrift laat me vermoeden dat hier een intelligente, evenwichtige vrouw aan het woord is en geïnteresseerd begin ik te lezen.
Als eerste looft ze de mozaïeken. Goede inleiding, knik ik waarderend. Daarna bedankt ze God: …voor Uw bemoeienissen in mijn leven en voor de mooie vrouw die ik nu ben. Zonder U was het nooit allemaal goed gekomen. Verschillende gedachten schieten door mijn hoofd. Welke vrouw beschrijft zichzelf nu als mooi? Of nee, ze heeft het over haar innerlijk. Maar dan nog… En wat zou er goed gekomen zijn? Haar huwelijk? Een verslaving? Heeft ze een ongeval gehad, haar gezicht verbrand? Verdorie, had ze nu niet wat specifieker kunnen zijn? Goh, dat ze denkt dat alleen met Gods hulp alles goed gekomen is. Ik had haar verstandiger verwacht, met dat handschrift. Volwassener. Of heeft ze echt zulk een diep geloof?
Ik heb alles om gelukkig te zijn, schrijft ze verderop, alleen, voor één klein dingetje heb ik nog wat hulp nodig. Maria, van U misschien, want God heeft al genoeg gedaan. Maria, zou U ervoor kunnen zorgen dat mijn zoon stopt met roken? Dan is mijn leven perfect. Dank U wel en ik houd heel veel van U.
Glimlachend maar ook een beetje jaloers loop ik met mijn handen diep in mijn jaszakken naar buiten. Ik zou willen dat ik zo was. Mezelf mooi vinden, mijn leven in Gods hand leggen en simpelweg Maria´s hulp inroepen om de mannen in mijn leven te laten doen wat ik wil. Ik zou al lang lekker warm in een restaurant hebben gezeten.

Eensgezind

Mijn vriendin en ik hebben allebei een goede man getroffen. Echt waar, onze mannen zijn allebei sociaal, zorgzaam, intelligent en proper op hun eigen. Ze hebben gevoel voor humor en al wat je maar wilt. Ze zijn alleen wat eigenwijs.

Met z´n vieren reisden we in één auto door Italië. We zagen de Mont Blanc van dichtbij en logeerden tussen de wijnbergen. We bezochten Turijn en brachten de laatste dagen door aan het Lago Maggiore. Het weer was prachtig, elkaars gezelschap aangenaam en net als het eten smaakte de wijn heerlijk. Hoewel Claudio van de aardbodem leek te zijn verdwenen – mijn vriendin denkt nu dat ik hem heb gedroomd – was onze vakantie dus heel geslaagd. Het was een fijne mix van cultuur en natuur, dingen bekijken en heerlijk genieten op terrasjes.
In de auto was het uiterst comfortabel en gezellig, met veel muziek en bij tijden luid gezang. Maar regelmatig waren onze mannen, die de hele tijd voorin zaten, het eensgezind niet eens met de route die de gps voorstelde. Dan haalden ze Waze erbij, een mobiele navigatie-app. En al naar gelang het hun uitkwam volgden ze eerst de gps van de auto en dan weer de app op de mobiele telefoon, die onder het schermpje van de gps hing. Soms raakten ze daarmee in de problemen en moest de papieren kaart worden geraadpleegd. Mijn vriendin en ik, genoeglijk achterin de auto gezeten, verwonderden ons geenszins over de gecreëerde verwarring en registreerden berustend hoe de bijrijder met de kaart op schoot zat en instructies gaf, terwijl de chauffeur met het ene oog naar de instructies van Waze keek en met het andere naar die van de gps. Tersluiks  blikten we elkaar dan aan maar we gaven geen letter commentaar. Empathisch als we zijn, deden we soms zelfs alsof we sliepen. Van afvalligheid zouden onze echtgenoten ons niet kunnen beschuldigen.

We zijn overal geraakt. Daarover mag ik echt niet klagen. Maar dat we achteraf moesten aanhoren hoeveel we hebben geslapen – daar heb ik nu toch wel wat moeite mee.

 

IMG_1523

 

Wat het is

Tot voor kort klonk het zinnetje “Het is wat het is” me hoogst filosofisch in de oren en noopte het me tot niet-aflatende nachtelijke reflectie. Maar tegenwoordig begint het me danig te irriteren. Ik hoor het als antwoord bij de confrontatie met moeilijke onderwerpen of als antwoord op lastige vragen; discussies worden ermee afgesloten nog voordat ze goed en wel begonnen zijn. Kortom, met deze uitspraak snoeren we onze gesprekspartner gewoon de mond. Wat ik als filosofische stelling beschouwde, blijkt een cliché. Maar goed, het is wat het is, en ik zal er verder niet over zeuren.

Toch wel nieuwsgierig naar de herkomst van deze uitdrukking, kwam ik uit bij een liefdes(!)gedicht van Erich Fried (1921-1988), een Oostenrijks schrijver, dichter en essayist. Ter ere van Gedichtendag vind je het hieronder, met daarnaast de Nederlandse vertaling van Remco Campert, Nederlands dichter, columnist en schrijver.

 

Was es ist

Es ist Unsinn
sagt die Vernunft
Es ist was es ist
sagt die Liebe
Es ist Unglück
sagt die Berechnung
Es ist nichts als Schmerz
sagt die Angst
Es ist aussichtslos
sagt die Einsicht
Es ist was es ist
sagt die Liebe
Es ist lächerlich
sagt der Stolz
Es ist leichtsinnig
sagt die Vorsicht
Es ist unmöglich
sagt die Erfahrung
Es ist was es ist
sagt die Liebe

Erich Fried

Wat het is

Het is onzin
zegt het verstand
Het is wat het is
zegt de liefde
Het is ongeluk
zegt de berekening
Het is alleen maar verdriet
zegt de angst
Het is uitzichtloos
zegt het inzicht
Het is wat het is

zegt de liefde
Het is belachelijk
zegt de trots
Het is lichtzinnig
zegt de voorzichtigheid
Het is onmogelijk
zegt de ervaring
Het is wat het is
zegt de liefde

Remco Campert

Er was iets tussen ons

 

Met de kerstdagen in het vooruitzicht en een regel uit onderstaand liedje van Els De Schepper in het achterhoofd:

Beste mijnheer God,

De laatste tijd hebben we weinig van elkaar gehoord. Hopelijk klinkt dit niet als een verwijt want dat is geenszins de bedoeling. Ik begrijp ook wel dat U op andere plaatsen meer nodig bent dan hier. Bovendien, ik kan mezelf echt niet betichten van veel initiatief naar U toe. Maar hoe gaat het met U? Bent U nog goed gezond? En hoe gaat het met Uw Zoon en de Heilige Geest?

Zelf heb ik het erg druk gehad. Met het werk, familie en vrienden. Op zondag naar de kerk gaan lukt echt niet meer. U kent dat wel, U hoort het vast wel vaker, en ik hoop dat U het begrijpt. Omdat ik het contact met U toch graag wil onderhouden, schrijf ik deze brief. Uw adres vond ik zomaar op het internet. U lijkt nog altijd geen waarde te hechten aan Uw privacy?

Laatst was ik op de begrafenis van een lieve vriendin, die veel vertrouwen had in U. Veel meer dan ik. Ik realiseerde me toen – mede daarom schrijf ik U – dat ik goede herinneringen heb aan U. Drie dagen na mijn geboorte was U er al bij. Mijn eerste communie, mijn plechtige communie, mijn huwelijk, de doop van mijn kinderen, de begrafenis van mijn ouders, alle belangrijke momenten in mijn leven heeft U van nabij meegemaakt. En wat hebben onze ontmoetingen me deugd gedaan. Ook op gewone dagen kon ik altijd met alles bij U terecht. U was getuige van al mijn vreugde en al mijn verdriet en U oordeelde of veroordeelde niet. Ik moest mijn handen maar in elkaar slaan, mijn ogen dicht doen en hop, daar was U al. Wanneer dat veranderd is, weet ik niet precies.

Ik moet zeggen, ik mis U. Niet mijn kinderlijke geloof in U – ik weet niet eens of U bestaat. Wel het gevoel van verbondenheid. Ik mis de verbondenheid met een hogere macht en met mensen die in hetzelfde geloven. Soms komt er iets van dat gevoel weer naar boven – bij de geboorte van een kind, wanneer ik in de lente naar de tuin kijk, bij mooie muziek. Dan voel ik: er was iets tussen ons dat me bijbleef al die tijd; er was iets tussen ons, ik raak het nooit meer kwijt.

Bij deze dank ik U dus alvast hartelijk voor Uw bijdrage aan mijn leven.

Met vriendelijke groet en in de hoop spoedig iets van U te vernemen,

Ingrid Vanderkrieken

Hij keek naar mij

Genietend van alles wat Wenen te bieden heeft, zitten we bij Konditorei Oberlaa koffie te drinken en eten er een stuk Sachertorte bij. De chocoladetaart vinden we wat overroepen maar dat deert ons niet. We bevinden ons in hoger sferen. De show van de Spanische Hofreitschule die we vanochtend bijwoonden overtrof al onze verwachtingen en wie zeurt er dan over een stuk taart dat wat tegenvalt?

Terwijl onze mannen de kaart van de stad bestuderen, vraagt mijn vriendin: ‘En, hebt ge die ene, oudere man ook gezien, die knappe met zijn helblauwe ogen?’ Verheerlijkt roert ze in haar koffie.
‘Maar zeker’, jubel ik, ‘iedere keer als hij onze richting uitkwam, sloeg hij zijn ogen op en keek hij naar mij. Oh, zulke schone, blauwe ogen, ge zoudt voor minder een doodzonde begaan.’
‘Hm’, fronst mijn vriendin.
Nog vol van die blauwe, op mij gerichte ogen, sla ik geen acht op haar. ‘Gelijk hij dat paard bereed, zo statig en elegant, ik dacht nog, zo ziet hij er dus uit, de prins op het witte paard. Als hij me gevraagd had met hem weg te lopen, ik had het prompt gedaan. Ik zie het al helemaal voor me. Nee, ik vóel het al, ik van voor op dat paard, tjok tjok, maar dan elegant, en hij zit achter mij en houdt mijn taille vast…’
Ze valt me in de rede. ‘Allez zeg, uw taille, bestaat die nog? Uw gevoel voor realiteit tart wel alle verbeelding…’
Helemaal op dreef ga ik gewoon door. ‘En iedere keer opnieuw dat charmante, uitnodigende lachje. Ik voelde me op slag dertig jaar jonger. Maar ja, hij zal ook wel gezien hebben dat ik daar met mijn man en mijn vriendin zat. Als ge tien keer aan de tribune voorbijkomt en ge hebt interesse in de vrouw die daar zit, dan hebt ge dat gauw door, denkt ge niet?’
Met een spijtig gevoel kijk ik haar aan. En dan klinkt het triomfantelijk: ‘Hij zal in ieder geval meer doorhebben dan gij. Want iedere keer als hij voorbijkwam, keek hij wel naar míj.’

Verandering

Zondag 14 oktober

Vanochtend al vroeg mijn stem uitgebracht. Met volle overtuiging want ik geloof in de democratie en ben vóór verplicht stemmen.
Om vijf uur voor de televisie gaan zitten – was erg benieuwd naar eventueel grote politieke verschuivingen in ons land. Stelde vast dat ze veel te vroeg beginnen met de live-uitzendingen. Bleef toch zitten om te luisteren naar de prognoses. Met een handvol getelde kiesbureaus werden fictieve coalities samengesteld en journalisten en professoren gisten naar wie er burgemeester wordt. Ivan de Vadder mocht ontelbare keren grafieken aanwijzen en van links naar rechts swipen. Hij deed dat goed, echt, heel gedreven. Wallonië kwam pas laat aan bod.
Heb nu het onbevredigende gevoel dat ik voor niks uren aan het scherm gekluisterd zat, want wat de partijen met onze stemmen gaan doen – het is voorlopig nog een raadsel. 
Over de politici zelf wel een en ander bijgeleerd.

Maandag 15 oktober

De politieke onderhandelingen zijn begonnen. De strategieën doorzie ik niet. Wat wil bijvoorbeeld Wouter Van Besien? En wat is dat daar in Gent en Oostende? Met de buurvrouw erover gesproken maar het blijft kodffiedik kijken.
Ter ontspanning naar “Boer zoekt vrouw – De wereld rond ” gekeken. Weinig of geen mooie natuurbeelden gezien en bij twee van de vijf boeren gebeurde er niets. Niet in Noorwegen, niet in Zuid-Afrika. Ben nu kwaad op mezelf. Op twee dagen tijd een uur of acht op de sofa naar het scherm zitten turen en ben ik er iets wijzer van geworden? Geen sikkepit. Ik kijk nooit nog televisie.

Dinsdag 15 oktober

In de voormiddag het album Dream Darling van The Slow Show gehoord. Zwaar onder de indruk.
Mijn grijs vestje bij vriendin gaan halen – had ik vorige week bij haar vergeten. Van gedachten gewisseld over trouwen, dopen, ouders en kinderen. Hoewel, gewisseld. We denken hetzelfde.
In het Grenzlandtheater een wel heel kolderieke uitvoering gezien van De Vrek van Molière. Iedereen was enthousiast, behalve ik. Het deed me teveel aan Kulderzipken denken.
Te weinig bewogen vandaag en teveel gesnoept. Dat moet dringend veranderen.

Woensdag 16 oktober

Vanmorgen eerst de strijk weggewerkt. Ik haat strijken, maar frommels nog meer. 
Kleinzoon was namiddag hier. Ondanks het mooie weer wilde hij binnen met Playmobil spelen. Uren op de grond gelegen maar was heel fijn.
Rond acht uur een wandeling gemaakt en daarna beginnen lezen in Terug naar Neerpelt van Lieve Joris. Kan nog geen oordeel vellen.
Genoeg beweging gehad maar iets teveel gesnoept. Dat moet veranderen.

Donderdag 17 oktober

Benen en rug stijf. De hele dag bureauwerk gedaan en daarna naar de pizzeria geweest.
Te weinig beweging, teveel gegeten en gesnoept. Er moet echt iets veranderen.

Vrijdag 18 oktober

Slecht geslapen en maar langzaam op gang gekomen. Tijdens ontbijt gelezen dat een restaurantuitbater aan zee genoeg heeft van spelende kinderen in zijn etablissement. Maakte de bedenking dat het tot veel discussie zal leiden op Facebook. Heb niet gekeken.  
Boodschappen gedaan, drie machines gewassen en zelf bladerdeegpizza gemaakt, onder begeleiding van Golden Slumbers. Het speelde de hele tijd door mijn hoofd. De versie van Elbow.
De werken in de straat gekeurd. Of alles klaar is tegen eind oktober waag ik ten zeerste  te betwijfelen.
Mezelf in de spiegel bekeken en de nieuwe puntenlijst van Weight Watchers bestudeerd. Vanaf morgen gaat het veranderen.

Kanariepiet

Nog heel duidelijk herinner ik me de dag dat ik als twaalfjarige voor het eerst naar mijn nieuwe school fietste – naar Mater Dei in Overpelt.
De fiets had ik in mei van datzelfde jaar voor mijn Plechtige Communie gekregen. Hij was grijs en had handremmen. Geen terugtraprem meer, maar échte remmen, en de bel rinkelde helder en gedistingeerd. Vier maanden lang stond hij veilig en wel in de garage. Dat hoorde toen nog bij de opvoeding: eerst wachten om iets te krijgen en daarna wachten om het te mogen gebruiken.
Mijn jas hadden mijn moeder en ik in Hasselt gekocht. Hij was geel. Kanariepietengeel. In Hasselt vond ik hem heel mooi. Hij had brede revers, was een beetje getailleerd, en kwam tot net boven mijn knieën. Het met opzet verkreukelde imitatieleer blonk als een spiegel en de grote knopen waren rond en zwart.
Mijn vader vond de jas heel geschikt. Zo veilig, zei hij. Ik zou goed opvallen in het verkeer. Dagelijks twaalf kilometer op de fiets, zes heen en zes terug, met zo´n jas kon me echt niks meer gebeuren.
Ik was dus heel gelukkig met mijn jas. Tot ik op de eerste schooldag naar mijn nieuwe school fietste. Al in onze straat had ik het gevoel dat alle mensen naar me keken en daar werd ik, zenuwachtig als ik al was, niet rustiger van. De jas voelde ook wat stijf aan, niet echt om soepel in te bewegen. Maar mijn fiets liep tenminste lekker en ik trapte dapper verder. Over het kruispunt in de Barrier, langs Overpelt-fabriek en via de Houtmolen naar Overpelt-centrum.  Toen ik het schoolplein opstapte, raakte ik helemaal overstuur. Ineens voelde ik me als een kanariepiet in de mijn. Stokstijf bleef ik staan en verwachtte ieder moment dood te zullen gaan.

Ik was maar wat blij met de schort die we allemaal vanaf de eerste dag moesten dragen. Hij was van synthetisch materiaal, had lange mouwen en moest van voren worden dicht geknoopt. De kleur was afschuwelijk – vies olijfgroen. Anders als de meeste meisjes van mijn school heb ik hem nooit gehaat. Ik voelde me veilig in die schort. Heel wat veiliger dan in mijn gele jas.