Sevilla

Nadat ik Duitse vrienden had verteld waar we na Pasen naartoe zouden gaan, barstten ze – midden in de foyer van het Grenzlandtheater – spontaan uit in luid gezang. “Sie will ja nach Sevilla” is een carnavalslied dat ik tot hun grote verbazing nog niet kende. Daarom brachten ze het eensgezind nogmaals ten gehore. Ze begonnen bijna te hossen, daar in de foyer. Enfin, ik begreep eruit dat je Sevilla uitspreekt als Sevil-ja.

Sevil-ja, ach wat”, zei mijn man een dag later met grote stelligheid, “het is Sevi-ja. Een dubbelle l spreek je uit als j. En ik kan het weten”, voegde hij eraan toe, “want ik heb ooit Spaans geleerd.” Nu ben ik niet geneigd mannen zomaar te geloven. Ook niet mijn man. Zeker niet als iets met zoveel stelligheid wordt verkondigd. “Ja maar”, begon ik dus voorzichtig, “dat is toch ik weet niet hoeveel jaar geleden. En gij hebt geprobeerd het uzelf bij te brengen. Met luistercassettes. Onze kinderen weten niet eens meer wat dat ís: luistercassettes. Was dat niet in dezelfde tijd dat gij besloot panfluit te gaan spelen? Trouwens, waar ís die fluit?”
Zo kwam van het een het ander, u weet ook wel hoe dat gaat. Eensgezindheid over de uitspraak van Sevilla en nog een paar andere dingen was ineens ver zoek.

Onze reisgezellen, Vlaamse vrienden, beweerden hetzelfde als mijn man. Ik twijfelde nog altijd aan Sevi-ja en we besloten het te vragen aan de inwoners van Sevilla zelf. De eerste die we het vroegen was onze taxichauffeur. Het antwoord klonk als Sebidzja. Niet helemaal overtuigd vroegen we het aan de balie van het hotel opnieuw: Sevi-ja hoorden we daar. Op het eerste terrasje verzekerde de ober ons dan weer dat het Sevil-ja was. Kortom, verwarring heerste alom. Wel grappig, zeiden we tegen elkaar, hoe Spanjaarden met zoveel stelligheid iets kunnen zeggen en het toch niet weten.

We hebben ervan genoten. Het hotel was meer dan in orde en de zon scheen alsof ze een weddenschap was aangegaan. De stad was gezellig en kleurrijk en we hebben zowat  alle bezienswaardigheden bezocht, te voet of met de fiets. We hebben een flamenco-voorstelling bijgewoond en alle dagen hebben we lekker gegeten. In bijna elk restaurant hebben we ons laten overreden iets anders te bestellen dan we oorspronkelijk van plan waren. Omdat de ober zei dat het te veel was, of te weinig, of dat er toch nog iets veel beters te krijgen was. Spanjaarden kunnen met de grootste overtuiging iets beweren. En het is raar, maar als het over eten ging, geloofden we ze allemaal.

 

Advertenties

World Poetry Day 2018

Voor wie dit leest

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken;
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,
ben menigen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

Liefde is het meestal ook geweest
die mij het potlood in de hand bewoog
tot ik mij slapende vooroverboog
over de woorden die Gij wakker leest.

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn
en door de letters heen van dit gedicht
kijken in uw lezende gezicht
en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,
zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;
en laat Uw blik hun innigste niet raken
tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,
en wees gerust, en vrees niet de gedachte
dat U door deze woorden werd gekust:
Ik heb je zo lief.

Leo Vroman

Plaatsvervangende schaamte

Nog eens naar de film geweest:

In The Square, de winnaar van de Gouden Palm en nu ook beste Europese film van het jaar, volgen we een week lang het leven van Christian Nielsen, een gescheiden vader van twee dochters en de zelfbewuste, gerespecteerde hoofdcurator van een museum voor hedendaagse kunst in Stockholm. Hij bevindt zich midden in de voorbereidingen van de interactieve installatie The Square, een grote, vierkante plek die passanten moet toelaten hier hun zorgen achter te laten, hulp te vragen en ook te krijgen. Nadat op straat zijn mobiele telefoon gestolen werd, geraakt zijn comfortabele leven uit balans. Hij probeert de dader op te sporen en wordt daarbij geconfronteerd met zijn eigen vooroordelen en vermeend altruïsme. De reclamecampagne voor de installatie loopt totaal uit de hand en de affaire met Anne, een Amerikaanse kunstjournaliste, loopt ook niet zoals hij had gehoopt.
De Zweedse regisseur, Ruben Östlund, plaatst zijn personages in de loop van deze lange film – hij duurt 142 minuten – voortdurend voor een dilemma. Telkens weer moeten ze nadenken over hun omgang met de media, over solidariteit en vrijheid van meningsuiting. In het museum moeten ze letterlijk kiezen tussen vertrouwen of wantrouwen en op straat vragen ze zich af hoe ze bedelaars zullen behandelen. Als toeschouwer zie je hoe de personages hun dunne laagje beschaafdheid verliezen en hun dierlijke instincten naar boven laten komen. Meer dan eens krijg je last van plaatsvervangende schaamte.
We krijgen opvallend veel hulpgeroep te horen. Van bedelaars, van een vrouw die tijdens een galadiner door de optredende kunstenaar wordt lastig gevallen en van een jongetje dat van de trap valt. Het help van het jongetje klinkt nog lang na en het is niet duidelijk of Christian het alleen maar in zijn hoofd hoort, of dat het jongetje daar echt de hele tijd om hulp ligt te roepen. Dat de scène zo lang duurt, verhoogt het onbehaaglijke gevoel dat je erbij krijgt.
Met deze barstensvolle film houdt Ruben Östlund de hedendaagse kunstwereld, en bij uitbreiding onze hele maatschappij, een spiegel voor. Hij doet dat op een humoristische en indringende wijze. Vaak moet je met de gebeurtenissen lachen, maar even vaak word je er heel ongemakkelijk van. Er zijn te veel verschillende verhaallijnen om ze allemaal goed te kunnen uitwerken maar dat geeft niet. Op de achtergrond worden ze herhaaldelijk begeleid door het Ave Maria van Bach, ondersteund door het doo-da-da van Bobby Mc Ferrin – jawel, de zanger van Don´t worry be happy. Het klinkt mooi en troostrijk.

Ruben Östlund, The Square, 2017

Finale

Mijn man wil naar het Wereldkampioenschap atletiek kijken, dat plaatsvindt in het Olympisch Stadion van Londen. Het is even na tienen en nog net op tijd voor de finale van de honderd meter mannen zien we hoe alle acht de deelnemers als filmsterren uit de coulissen komen. Als laatsten verschijnen de verguisde Justin Gatlin, het nieuwe talent, Christian Coleman, en de gedoodverfde winnaar, Usain Bolt.
‘Och arme’, verzucht ik, huiselijk naast mijn man op de bank gezeten, ‘moeten ze nu echt zichzelf zo opvoeren? Is dit wel de juiste voorbereiding – kunnen ze zich zo wel focussen?’
‘Hèhè’, zegt mijn man, iets minder huiselijk,’ meent ge weer dat gíj de commentaar moet leveren? Ik wil niet alleen kijken, ik wil ook horen wat ze zeggen. Ge lijkt Lieven van Gils wel, die komt ook altijd overal tussen.’

Bolt, die hier zijn laatste solowedstrijd loopt, wordt derde. Christian Coleman wordt tweede en Justin Gatlin wint de wedstrijd. Eensgezind in onze verbazing zien we hoe de camera daarna de hele tijd op Bolt gericht blijft en de winnaar na de wedstrijd nauwelijks nog in beeld komt.
‘Ik vraag me af of overal hetzelfde wordt uitgezonden’, zegt mijn man, ‘of krijgt iedereen de beelden van de Britten?’
‘Misschien blijft Gatlin ook uit zichzelf uit de schijnwerpers en wíl hij helemaal geen ereronde lopen’, zegt hij even later. ‘Terwijl. Ge moet het toch maar doen, op uw vijfendertigste de honderd meter winnen.’ Hij ziet er bijzonder verstoord uit.
‘Ja, ge hebt helemaal gelijk’, knik ik, in een poging de huiselijkheid weer te herstellen. ‘Misschien is hij bang voor nog een keer boe-geroep. Die Britse toeschouwers hebben hem er bij het binnenkomen in het stadion ook al op getrakteerd.’
Een paar minuten later staat mijn man op en steekt een beschuldigende vinger uit naar de televisie. ‘Nu zijn de sportverslagen ook al miserabel’, zegt hij kwaad ‘waar moet het met de berichtgeving toch naartoe. Het mag dan het afscheid zijn van Bolt, maar hem nu zó fêteren en Gatlin zó negeren vind ik echt misplaatst. Weet ge wat, ik ga slapen.’
En zittend op de bank hoor ik hoe hij nijdig bonkend de trap opgaat.

Facebook en Sting

In het begin van dit jaar schreef ik dat ik een beetje genoeg had van alle nieuws dat de hele dag op ons afgevuurd wordt. Ik was oververzadigd en besloot de papieren Aachener Nachrichten niet meer in te kijken, mijn dagelijkse digitale uitgave van De Standaard op te zeggen en een abonnement te nemen op de papieren zaterdageditie. Dat voornemen heb ik ook uitgevoerd. Wat het nieuws betreft, bevalt me dat best. De actuele gebeurtenissen krijg ik zo ook wel  mee.
Wel vond ik het spijtig dat ik bepaalde columnisten niet meer kon volgen. Gelukkig had ik daar al rap iets op gevonden: Facebook. De meeste columnisten verwijzen immers via een link op hun Facebookpagina naar hun teksten. Kranten publiceren er hun pakkendste artikelen en veel journalisten en schrijvers ventileren er hun persoonlijke mening. Facebook biedt echt een schat aan informatie. Ik weet nu ook wie wanneer jarig is, feliciteer meer mensen dan ik ooit heb gedaan en vind heel veel leuk. Natuurlijk post ik ook af en toe zelf een foto, publiceer ik er mijn columns en hoop dat mensen mijn berichten ook liken.
Het probleem is nu dat ik te veel tijd verdoe op Facebook. ´s Ochtends even kijken,  ´s middags iets controleren en ´s avonds nog snel eens gluren. En dat voor een moeder en grootmoeder. Ik vrees dus dat ik een verslaving heb. Een zucht naar schermen. Eerst was ik verslaafd aan de digitale krant, tussendoor aan Candy Crush en nu aan Facebook. En dan mag ik het checken van mijn website en mails nog niet vergeten.

Vandaag las ik (digitaal) dat Sting in Vorst een concert gegeven heeft. Vijfenzestig is hij en naar het schijnt ziet hij er heel patent uit en is zijn conditie prima. Hij haalt nog alle hoge noten. Dat kan ik niet zeggen. Mijn conditie is beneden alle peil. Ik sport veel te weinig. Waarschijnlijk omdat ik zoveel naar die schermen tuur. Verder ben ik uit het koor gegaan. Ik krijg de hoge mi en fa er niet meer uit. Maar Sting doet dan ook aan yoga. Misschien moet ik die app die ik in januari al heb gedownload, Yoga met Evy, toch maar activeren?

De saaiheid van het bestaan

In de filmzaal kijk ik naar acht opeenvolgende dagen uit het leven van Paterson. We zijn op ongeveer drie vierde van de bijna twee uur durende film. Hoe saai kan het leven zijn, denk ik. Moet er niet nog iets ergs gebeuren? Hoort hier geen omwenteling te komen?

   Het leven van Paterson, een jonge, sympathieke buschauffeur in de gelijknamige stad, bestaat uit een aaneenschakeling van routines. Iedere morgen wordt hij op hetzelfde uur wakker. Hij staat op, eet, wandelt naar zijn werk, rijdt met zijn bus elke dag hetzelfde parcours en loopt ´s avonds weer naar huis. Tussendoor schrijft hij dichtregels in zijn notitieboekje. Iedere avond eet hij wat zijn vrouw heeft klaargemaakt. Daarna laat hij Marvin, hun buldog, nog even uit en drinkt in de plaatselijke kroeg een biertje. In tegenstelling tot zijn baasje heeft Marvin een levendig karakter en de daarbij passende gelaatsuitdrukkingen.

   Laura, de kwieke, bloedmooie vrouw van Paterson, koestert grote, artistieke ambities. Voor zichzelf en voor haar man. Zelf zou ze graag een beroemde countryzangeres worden, of een gevierde kunstenares. Hoewel Paterson keer op keer aangeeft dat hij alleen schrijft voor zijn plezier, stimuleert Laura hem iedere dag opnieuw zijn gedichten te publiceren. Haar lijzige stemgeluid strookt absoluut niet met de energie die ze tentoonspreidt en begint me na verloop van tijd te irriteren. Samen met het flegmatieke karakter van Paterson maakt dit wel geloofwaardig dat er, ondanks de zichtbare liefde tussen die twee, gedurende die acht dagen geen enkele keer sprake is van seks.

     Paterson is gelukkig met zijn leven en zijn gedichten worden steeds beter. Ondertussen zit ik te wachten op de grote ommekeer. Ik kijk nu eenmaal naar een film. Maar die komt er niet. De gebeurtenissen die de dagelijkse routine af en toe onderbreken, hebben geen grote consequenties. Paterson is een dichtende buschauffeur en blijft een dichtende buschauffeur. Toch verveel ik me geen moment. De herhalingen hebben iets grappigs en ik word geraakt door de mooie, subtiele verfilming van het alledaagse leven. En ná de film begin ik het te begrijpen: deze film is een gedicht – een ode aan de banaliteit van het bestaan. Om kunst te kunnen maken móet het leven saai zijn.

Jim Jarmusch, Paterson, 2016

Oververzadiging

Het nieuws heeft me altijd oprecht geïnteresseerd. Ook als jonge moeder vond ik het belangrijk op de hoogte te blijven van wat er in de wereld gebeurde. Ik had zelfs het idee dat dat ook redelijk lukte; dat ik via kranten, radio en televisie goed werd geïnformeerd en een goed beeld had van de realiteit.

De laatste tijd reageer ik bijna allergisch op de krant. Neem nu onze lokale krant, de Aachener Nachrichten. De woorden Terror, Horror, Angst en Unsicherheit komen me net iets te vaak voor. Toen ik laatst ook nog eens een recensie las over Tommy Wieringa´s Dit zijn de namen, heb ik de krant demonstratief dicht geplooid. Het werd me teveel. Dit prachtige boek over naar zin en bestemming zoekende mensen, over migratie en het ontstaan van een geloof, kan ik iedereen aanbevelen. Het werd kort geleden in het Duits vertaald en de vrouw van een bekend Akens politicus had de recensie geschreven. Ze had een halve(!) bladzijde ruimte gekregen en vertelde begot de hele plot. Niemand gaat dat boek nog kopen!

Sinds een paar jaar heb ik ook een abonnement op De Standaard. Een digitaal abonnement. Eerst dacht ik dat het aan het lezen op een scherm lag dat de dingen niet zo beklijfden. Daarna weet ik het aan mijn leeftijd. Vandaag denk ik dat het aan oververzadiging ligt. Er is gewoon te veel nieuws. Nieuws dat er alleen lijkt te zijn om ons vreselijke dingen te vertellen en ook nog eens eindeloos wordt herhaald. Dagelijks wordt er nieuws over ons uitgestort waar we eigenlijk niets mee kunnen doen. Het verrijkt ons leven niet. Integendeel. Het doet een beroep op onze angst. Net als reclame. Zodat we ons in naam van onze veiligheid en ons welbevinden vrijwillig laten controleren en manipuleren.

Afgelopen vrijdag publiceerde de Standaard der Letteren de toespraak die de Duits-Roemeense schrijfster Herta Müller in december gaf op de internationale conferentie European Angst. Ik ergerde me kapot. In plaats van in de bijlage had de toespraak op de eerste bladzijde moeten staan.

Ik heb veel zin mijn abonnementen op te zeggen. De tijd die dan gaat vrijkomen kan ik beter besteden aan het lezen van een goed boek. Zelfs fictieve verhalen geven vaak een beter beeld van de realiteit dan het nieuws.

Buitengewoon schoon gedacht

Het plan was dat ik als laatste bericht voor dit jaar nog eens iets plezierigs zou plaatsen. Iets humoristisch. Over mijn man bijvoorbeeld, want dat lezen jullie blijkbaar graag.

Op dinsdagmorgen was ik om zeven uur opgestaan. Ik had goed geslapen en mijn humeur was navenant. (Dat verdient enige aandacht want dat gebeurt niet alle dagen.) In mijn hoofd had ik al een planning opgemaakt. Na het ontbijt eerst opruimen, bedacht ik terwijl ik mijn haar föhnde, want gisteravond zag het huis eruit uit alsof hier nog altijd vijf mensen wonen in plaats van twee. Nog wat kerstversiering aanbrengen. Daarna een column schrijven. Boodschappen doen. Pompoensoep koken – die met venkel. In de namiddag boek terugbrengen naar de bib in Vaals en op de terugweg bloemen kopen. Een paar dringende telefoongesprekken voeren. Granola maken. Zelfs een uurtje strijken had ik ingepland. Terwijl ik op andere dagen was en strijk met alle plezier uit mijn gedachten ban. Vol energie ging ik naar beneden.

Ik zette de radio aan en begon aan mijn kommetje met fruit. Pardoes verslikte ik me in een stukje mandarijn. Aanslag in Berlijn – op de kerstmarkt. Europa in zijn kern geraakt. Ik werd bang. Voor de zoveelste keer dit jaar werd ik bang en mijn gedachten gingen uit naar al die mensen die dit jaar door geweld zijn gestorven, of door geweld iemand hebben verloren.
Daarna dacht ik: de maatschappij wíl dat we bang zijn. Voor Rusland, Turkije, Azië, Afrika en Amerika. Voor de islam, de klimaatverandering, voor armoede en voor al te grote rijkdom. En als we maar bang genoeg zijn, zijn we bereid heel wat van onze vrijheden op te offeren. Eigenlijk wil ik daar niet aan meedoen.
Meteen heb ik de radio uitgezet. De krant heb ik opgevouwen op tafel laten liggen en ik heb die dag ook niet naar de televisie gekeken. Omdat ik niet wéér elke minuut van de dag wou geconfronteerd worden met vragen en vermoedens, met oud nieuws en nieuw nieuws en met nog meer variaties op het nieuws. Ik heb gewoon mijn programma afgewerkt. Behalve die leuke column dan, die heb ik niet geschreven. Dat ging niet meer.

Zondag is het Kerstmis. Herdenking van een geboorte als teken van vernieuwing. Ik vind dat een buitengewoon schoon gedacht: ieder jaar opnieuw de kans krijgen me te vernieuwen of te verbeteren. Daar ga ik me dus nog eens over bezinnen. Daarna hoop ik het leven, fris en opgewekt en zonder bang te zijn, tegemoet te treden. Uiteraard hoop ik voor jullie hetzelfde.

ZALIG KERSTFEEST EN GELUKKIG NIEUWJAAR!

FROHE WEINHACHTEN UND EIN SCHÖNES NEUES JAHR!

JOYEUY NOËL ET BONNE ANNÉE!

MERYY CHRISTMAS AND A HEPPY NEW YEAR!

engel

Frauenfrühstück

Met zeven Duitse dames zit ik bij S. thuis aan het ontbijt. Ik ken hen van haar vorige verjaardagen. Het zijn niet de mensen die ik zelf zou uitzoeken maar ik probeer er het beste van te maken en wijd me volledig aan wat me bij dit soort gelegenheden het beste ligt: luisteren.

Met verve vertelt de vrouw rechts van mij over het ongeval dat ze de vorige dag heeft gehad. Opmerkingen vliegen over en weer en iedereen is het er roerend over eens: verzekeringsmaatschappijen proberen overal onderuit te komen en politiemensen zijn te lomp om te helpen donderen. Voorbeelden te over, hoor ik, het ene al schrijnender dan het andere.
Als vanzelf komen ze op artsen. Artsen zijn geldgeile machtswellustelingen die niet kunnen communiceren, vinden ze.  Vooral de klassiek geschoolden. Ik zeg niets.
Even later moeten de politici eraan geloven. Hun beleid en hun pensioenen. Ik denk aan Karel de Gucht maar zwijg. Wat ze hier op tafel gooien is al erg genoeg.
Rond een uur of elf zijn ze bij de ziektes aanbeland. De vrouw tegenover mij heeft al drie knieprothesen gehad en is hard op weg naar de vierde. Dit keer staan haar na de operatie zes tot acht weken rolstoel te wachten, zegt ze terwijl ze door haar randloze bril vergenoegd van de een naar de ander kijkt. Ik krijg medelijden met haar man en kinderen.
Daarna komt het gesprek op inentingen – vaste prik in deze ronde. Wat daarvan de gevolgen kunnen zijn! Motorische en mentale achterstand, spraakgebreken, chronisch vermoeidheidssyndroom, onvruchtbaarheid! De gemoederen verhitten en wanneer er gezegd wordt dat iedereen het maar voor zich moet weten, wordt het me teveel. Ik vind het helemaal geen zaak van ieder voor zich, zeg ik luid. Ziektes als polio en mazelen kunnen alleen worden uitgeroeid wanneer meer dan negentig procent van de bevolking zich laat inenten. En dat zij die zich niet laten inenten gemakkelijk praten hebben; dat ze erop rekenen dat anderen het wél hebben gedaan. Ik haal de klassieke geneeskunde erbij en in mijn bevlogenheid overweeg ik de verzekeringen, de politie en de politiek er ook nog bij te sleuren. Ik doe het niet. Er zijn grenzen. Aan mijn welbespraaktheid en mijn Duits.

Tsunami

De Olympsiche Spelen hebben iets magisch. Vooral voordat ze begonnen zijn. Iedere keer neem ik me voor toch zeker het zwemmen en atletiek te gaan volgen. Als het kan ook het schoonspringen, turnen en judo. Weer op de hoogte zijn van de beste tijden en de nieuwste technieken, al die prachtige lichamen kunnen bewonderen, mogen genieten van gebalde competitiedrang en saamhorigheid, het wordt gewoon een feest, denk ik dan.

Ze zijn nu een paar dagen bezig, de Spelen in Rio, en menig uur heb ik al voor de televisie doorgebracht. Jammer genoeg kan ik er tot nu toe niet veel van navertellen. Blijkbaar ben ik ondertussen zo op rampspoed geconditioneerd dat ik alleen nog weet dat het been van de Franse turner Samir Ait Said na een oefensprong in een wel heel akelige hoek stond, dat de Nederlandse wielrenster Annemiek Van Vleuten zo zwaar ten val kwam dat ze voor dood bleef liggen, en dat de Belgische Karine Donckers tijdens de cross-country van haar paard duikelde. De naam van dat paard klonk heel exclusief. Ik dacht nog, da´s een mooie om zo eens in een gesprek te laten vallen. Toch ben ik hem weer vergeten. Ik erger me teveel en ergernis is niet goed. Je verliest dan andere, belangrijkere dingen uit het oog. Maar ik kan er niks aan doen. Die tsunami aan woorden die wij als kijker en toehoorder over ons heen moeten laten gaan, begint me echt de keel uit te hangen. En waarom moeten ze tegenwoordig met z´n tweeën verslag uitbrengen? Het commentaar wordt er voor mijn part niet beter van. Zijn de televisiemakers zo bang voor stiltes? Ik zou het echt niet erg vinden, wanneer er wat meer gezwegen werd bij sport op televisie. Dat geleuter en geteuter is soms niet te harden. De gouden medaille van Greg van Avermaet (heb ik blijkbaar toch ook onthouden en oh ja, Dirk van Tichelt won brons!) heeft van zijn glans verloren, alleen al omdat de commentatoren de tijd tussen zijn overwinning en het uitreiken van de medaille moesten of wilden volpraten.  Ze hadden beter wat meer mooie natuurbeelden laten zien. Met op de achtergrond een diepe, eerbiedige stilte.