Examenkoorts

Op weg naar vrienden stoppen we nog even bij de bloemist.
‘Zorg dat het niet te lang duurt, hé’, roept mijn man me na, ‘ik moet ook nog tanken.’

In de bloemenzaak ligt een mooi boeket op de toonbank. Weelderig ziet het eruit. Losjes gebonden, met blauwe en witte bloemen. Een ernstig meisje met lang, bruinblond haar komt achter de toonbank uit en vraagt of ze me kan helpen.
‘Jazeker’, zeg ik. ‘Ik had graag een boeket in blauw en wit. Zoals dat daar’, wijs ik, ‘voor ongeveer…’
Aarzelend onderbreekt ze me: ‘Wilt u soms dit boeket meenemen?’
‘Als dat kan’, antwoord ik verrast. Dat gaat hier rap, denk ik opgetogen. P. zal content zijn.
Ze begint te rekenen en te rekenen en komt er maar niet uit. Paniekerig draait ze zich naar een oudere verkoopster, die in opdracht van de enige andere klant één roos tot een mooi boeket probeert te verwerken. ‘Euh, weet jij, hoeveel moet ik…’
‘Maar meiske’, sist haar collega binnensmonds, ‘die bloemen kun je toch niet verkopen. Ze hebben twee dagen achter in een emmer gestaan!’
Het meisje merkt dat ik het gehoord heb. ‘Euh, ja, dat is mijn proefboeket’, zegt ze verlegen. ‘Als alles goed gaat, haal ik volgende week mijn diploma. Dat u het mooi vindt… dat is een goed teken. Nu weet ik het zeker, mijn examenboeket wordt ook zo.’ Ze klinkt opgelucht. Ach, examenkoorts, denk ik vertederd.
‘Zou je dan iets gelijkaardigs voor me willen maken’, vraag ik en knik haar bemoedigend toe. Bedrijvig loopt ze naar de vazen in de winkel, zoekt bloemen uit, rekent alles fronsend bij elkaar, loopt weer naar de toonbank en begint te binden. Ze goochelt met de bloemenstelen, kiest zorgvuldig het groen uit dat er nog tussen moet, knipt hier wat weg en steekt daar wat bij. Geboeid kijk ik toe. Het wordt prachtig. Ze gaat haar examen halen, ik weet het zeker.

Behalve als het op de tijd aankomt. Want als ik bij het buitengaan naar de parking kijk, loopt mijn man daar ongedurig op en neer. Vijfendertig minuten ben ik binnen geweest.

Banger hart

Wanneer ik enthousiast reageer op een lied durft mijn man me wel eens te vragen of ik ook weet waarover het gaat. Dat bedoelt hij niet ironisch – de tekst interesseert hem oprecht. Ik heb hem al meer dan eens met een woordenboek betrapt terwijl hij naar Mark Knöpfler zit te luisteren.

Niettemin word ik altijd kregelig van die vraag. Want het is niet leuk te moeten bekennen dat ik er meestal geen jota van begrijp. Ermee geconfronteerd worden dat ik iets mooi vind en ervan geniet, soms zelfs heel hard meezing met woorden die heel anders zijn bedoeld dan ik ze interpreteer, is helemaal niet fijn.

Daarom durf ik ook nooit goed te antwoorden op de vraag van welke muziek ik houd. Mensen oordelen zo snel. Wat als ik bijvoorbeeld zeg dat ik Two out of three van Meatloaf zo graag hoor en compleet uit de bol ga bij Banger hart van Rob de Nijs? Laat ik hen dan vermoeden dat het helemaal fout zit in mijn relatie? En wat als ik spreek over mijn weemoed bij The ghosts that we knew van Mumford and Sons en Gone fishing van Chris Rea? Of bij Love of my life van Queen en Je tʼ aime avec ma peau van Mireille Mathieu? Denken ze dan dat ik alle nachten lig te huilen?

Niemand hoeft te weten dat ik meestal genoeg heb aan één zin en een paar noten muziek om helemaal van de wereld te zijn. Dat mijn gedachten vrijwel meteen op hol slaan en ik meestal na een paar regels al geen tekst meer hoor. Evenmin voel ik de behoefte te vertellen dat muziek me heel snel in een bepaalde stemming brengt maar dat ik zelden iets wil horen omdat ik in een bepaalde stemming bén.

Ook de vraag wat ze op mijn begrafenis moeten spelen vind ik een moeilijke. Om mezelf niet te schande te maken zal het vermoedelijk iets worden zónder tekst. Want stel je voor dat ik de verkeerde woorden kies. Het Adagio uit het Klarinetconcert in A Majeur, KV 622 van Mozart misschien. Heel veel kans dat ik daarvan in de juiste stemming geraak.

Asperges op Vlaamse wijze

Sinds een paar weken hebben wij een nieuwe regeling. Op vrijdag stellen mijn man en ik samen een weekmenu op en mijn man gaat daarna winkelen. Ik vind dat een hele opluchting. Niet alleen omdat hij de boodschappen doet, maar ook omdat ik nu niet meer iedere dag hoef na te denken over wat we in hemelsnaam gaan eten. Het is misschien vreemd dat ik daar nu nog mee begin. Vroeger, met drie kinderen in huis, had ik veel meer werk met het huishouden en de maaltijden. Met regelmatige tussenpozen heb ik ook wel een poging gedaan me beter te organiseren, maar dat liep altijd op niets uit. Ik hield mij daar nooit aan. Ik kon dat niet. Omdat ik echt geen zin had om te koken wat bijvoorbeeld op dag drie gepland stond of moest vaststellen dat ik de juiste ingrediënten niet in huis had. Ik was eerder iemand van de improvisatie dan van de organisatie.

Het werkt heel goed. Al drie weken houd ik me er keurig aan. Ik kijk op mijn papier, weet meteen wat ik moet koken en begin. Koken heb ik nooit erg gevonden, maar dat nádenken was er teveel aan. Dat is nu opgelost. Ik voel me veel rustiger zo. Ook mijn man is heel tevreden. ´s Ochtends verheugt hij zich al op het avondeten. Hij weet nu tenminste wat het wordt. Bovendien hebben we nooit meer te veel in huis, iets waar hij zich wel eens aan kon ergeren. Want hij brengt nooit iets mee wat niet op het lijstje staat, terwijl ik ertoe neigde dat wel te doen. Nee, het is hier tegenwoordig één en al peis en vree.

Tot afgelopen vrijdag. We hadden asperges op Vlaamse wijze gegeten. Ik krijg er nog het water van in de mond. Maar tegen negen uur kreeg mijn man weer trek. Heel het huis heeft hij afgezocht, grommend op zoek naar iets lekkers. Niks te vinden. Geen chips, geen koekje, geen chocola, niks. Het stond niet op zijn lijstje.

De schuld van de natuur

Mannen begrijpen zoiets niet. Althans de mijne niet. En de man van mijn vriendin, ik noem hem Wee, ook niet. Al meer dan eens hebben ze het er hoofdschuddend over gehad. Maar sinds kort heeft Wee er een theorie over. Die gaat zo: het heeft allemaal te maken met de structuur van onze hersenen. Daar zit onderaan een schil, of een laag, een of ander overblijfsel uit vroeger tijden, van toen de mannen nog gingen jagen en hun vrouwen op zoek gingen naar bessen en zo. De mannen gingen doelgericht af op hun prooi, lieten zich door niets of niemand afleiden en als de prooi binnen was, kwamen ze spoorslags terug naar huis. (Vrij vertaald: ze kunnen maar een ding tegelijk doen, dacht ik toen de theorie uit de doeken werd gedaan, maar ik zei niks.) Ondertussen gingen hun vrouwen op pad om bessen, noten en vruchten te verzamelen. Die moesten ze van alle kanten goed bekijken en op hun rijpheid controleren. En zo dwaalden die vrouwen wel eens af en kwamen naar huis met iets waar ze niet naar op zoek waren gegaan. Het is dus allemaal de schuld van de natuur.
‘Och, ik heb me erbij neergelegd’, schokschouderde Wee afgelopen zaterdagavond. ‘De week na carnaval waren we aan zee en T. wou gaan winkelen. Ze had nog grijze jeans nodig, zei ze. Want het enige wat ze nog niet had voor dit seizoen was een grijze broek. Wij dus naar Oostende. En wat denk je? In heel Oostende geen grijze broek te vinden. Ze heeft toen maar een nieuwe regenjas gekocht. Want die had ze opeens toch ook zó nodig en was juist wat ze in gedachten had gehad’, knipoogde hij naar mijn man.

Gisteren vertrok ik naar de stad. Mijn man vroeg of ik iets bepaalds van plan was. ‘Ach’, zei ik, ‘eens kijken voor een blauw vestje. Dat ene is al zo oud als de straat, ik kan wel eens een nieuw gebruiken.’
Ik ben thuis gekomen met een heel schoon, crèmekleurig tafellaken. Allemaal de schuld van de natuur. Maar wel eentje dat ik niet hoef te strijken. Juist wat ik in gedachten had gehad.

Secuur werkje

We zijn net de parkeergarage uitgereden. Vijf verdiepingen zijn we naar omlaag gecirkeld en in mijn achteruitkijkspiegel zie ik hoe de slagboom gehoorzaam op zijn plaats gaat hangen.

Van opzij kijkt mijn metgezel me aan. Ik voel dat hij iets wil zeggen. Maar hij twijfelt – hij kent me niet goed genoeg om mijn reactie te kunnen peilen. Dan komt het toch: ‘Euh, ik zeg het niet om te lachen, hé, maar ik vind, voor een vrouw kunt gij wel heel vlot rijden.’  Ik verschiet van kleur maar om een andere reden dan hij denkt. Ik, vlot rijden? Dat hebben er nog niet veel gezegd. Ja, de parkeergarage ken ik ondertussen wel, en de stad doorkruisen is ook al lang geen probleem meer. En ja, blik ik terug, ik had mijn autootje toch maar keurig geparkeerd en ik ben ook zwierig achteruit weer van die plaats weg gereden. Uiterst ingenomen met mezelf denk ik ook nog terug aan de bochten die ik vandaag, eerst naar boven en daarna naar beneden, heel gezwind heb genomen. Nee, zijn indruk is heus niet verkeerd en ik geloof hem op slag: ik ben een vrouw die vlot kan rijden.

Terwijl P. en ik ´s avonds in de auto zitten, vertel ik hoe mijn dag is geweest. En dat ik een schoon compliment heb gekregen. Dat er misschien zelfs iets van waar is, babbel ik gezellig, want het laatste jaar is er niks meer gebeurd, toch? Hoofdschuddend kijkt P. me aan. ‘Gelijk gij het toch kunt uitleggen. Onderhand gaat ge nog beweren dat ge beter kunt rijden dan ik’, zegt hij, ‘terwijl ik nog nooit, enfin,  terwijl gij toch degene zijt, die …’

We komen thuis. Ik stap uit en mijn man rijdt achterwaarts de carport in. Dat is een secuur werkje, want het is er niet heel breed en er ligt een stapel hout achterin. Terwijl ik naar de achterdeur loop, weerklinkt een soort gekraak. Hier in de buurt hoor je nu ook eens altijd iets, denk ik geërgerd en loop naar binnen. Even later komt P. ook. ‘Wat was dat nu weer, daarjuist?’, vraag ik. ‘Mwaah, niks’, antwoordt hij en ontwijkt mijn blik, ‘ik heb alleen de houtstapel onder de carport opnieuw gesorteerd.’

Heerlijk relaxed

Ik ga niet graag naar de kapper. Dat heb ik nooit graag gedaan. Je moet er voor de spiegel zitten en kunnen babbelen over niets – twee dingen waar ik een hekel aan heb. Sommige mensen vinden het ontspannend en leggen al weken van te voren hun afspraak vast. Bij mij werkt dat niet. Ik kan toch nu nog niet voorspellen of ik over een paar weken niet in een of andere flow zit. Een schrijfflow of een leesflow, ik zeg  maar iets. Allemaal veel belangrijker dan de kapper.

Het maken van een afspraak is daarom eerder een impulsieve daad. Meestal gaat het als volgt: we zitten in de auto, op weg naar vrienden of familie. Ik klap het autospiegeltje open om te kijken of er niks tussen mijn tanden zit en hoe mijn haar ligt. Vervolgens verschiet ik me een ongeluk. Ik weet het, de meeste mensen controleren hun uiterlijk al van te voren. Ik vergeet zoiets. Niet dat ik nooit in de spiegel kijk. Alleen, ik zie mezelf dan niet. Omdat er dan veel interessantere dingen voor mijn geestesoog verschijnen. Ik denk dat dat een beschermingsmechanisme is. Maar goed, pas in de auto merk ik dat mijn haren ofwel als een hoed op mijn hoofd staan ofwel zo futloos hangen als tulpen die al een paar dagen droog staan. Meteen neem ik me voor een afspraak te maken. Morgen als het kan. Meestal lukt dat ook.

Vanmorgen zat ik in Jean-Marie´s Hairshop voor een muurhoge spiegel. De kapper excuseerde zich, hij kon niet veel praten. Geen gebabbel over het weer of vakantie, dacht ik blij, nu kan ik met goed fatsoen heerlijk relaxed zitten zwijgen. Opgelucht keek ik in de spiegel. En zag dat ik hoognodig mijn schoenen eens moest poetsen. Dat die grijze broek van Witteveen echt niet meer kan. En dat mijn figuur, vooral in zittende houding, zeer te wensen over laat, zelfs onder een zwarte schort. Ik werd niet goed. Ik heb mijn ogen dicht geknepen en heb gedaan of ik sliep. Anderhalf uur lang. Heel ontspannend, zo´n bezoekje aan de kapper.

Oervertrouwen

Bid jij? Het is een pijnlijke vraag en het antwoord is ook vaak pijnlijk. Bidden geldt als kinderlijk en kinderachtig. Omdat het voor de meeste mensen de eerste kennismaking was met het geloof en omdat bidden zonder een soort kinderlijk oervertrouwen niet werkt. Bidden is spreken met God, maar God antwoordt niet. Spreken met Hem geldt dus als verdacht en naïef. Het is iets uit lang vervlogen tijden – iets wat niet meer past in onze moderne, geseculariseerde samenleving.

….

Bidden betekent: geluk, ongeluk en wensen uitspreken in gebaren en in taal. We doen het vooral in extreme situaties. Bij het begin van het leven of het einde ervan. Het vermijdt dat we sprakeloos worden. Er is niets wat we niet mogen zeggen of vragen. We mogen God zelfs aanklagen. Waarom vragen we, en hoe lang? Waarom ik? In het gebed is er geen censuur. Is dat geloven? Misschien is dat niet belangrijk. Ook ongelovigen kunnen  bidden. Het belangrijkste van het gebed is misschien wel dat diegene die vragen stelt, aanklaagt of iets wenst, niet resigneert. Hij is al begonnen iets te ondernemen tegen dat wat hem of anderen wordt aangedaan.

Dit is een vrije vertaling van een tekst* die ik gisteren heb gelezen. Bidden zorgt ervoor dat we vreugde en verdriet niet verzwijgen, leerde ik. Ook ongelovigen bidden en bidden wil zeggen dat je niet berust. Mooi en passend voor deze tijd, dacht ik. Bidden is zo gek nog niet.

Vandaag belde ik iemand op om naar haar gezondheidstoestand te informeren. Ze is gelovig en daarom wou ik vragen: Bid jij nog? Maar ik durfde niet. Want het is een pijnlijke vraag en het antwoord is ook vaak pijnlijk. ‘Van een paar dingen heb ik geluk’, zei ze in de loop van het gesprek. ‘Ik kan goed slapen en ik stel al die vragen niet: waarom ik, waarom nu, en hoe lang dit nog gaat duren.’ Ik was er erg van aangedaan en of ze nu wel bidt of niet, is niet meer relevant. Ze had hoop uitgesproken, en een groot vertrouwen.

 

* uit Der andere Advent 2016/17: Da hilft nur Beten van Heribert Prantl

Een leven in één koffer

Vijf jaar geleden, ook in oktober, vertrok onze middelste zoon naar het buitenland om er te gaan wonen en werken. Soms lijkt dat een eeuwigheid geleden, dan weer lijkt het alsof het gisteren was.

De grootste koffer die hij op zolder heeft kunnen vinden ligt geopend op de vloer van zijn jongenskamer. Hij zit op zijn knieën en is bezig met inpakken.

Ik sta in de deuropening en zie de bijna lege kamer. Zo vaak heb ik over de rommel gezeurd en nu voelt het als een klap in mijn gezicht. Zijn bureau is opgeruimd en zijn boeken, bierglazen, en alle persoonlijke dingetjes die hij in de loop der jaren heeft verzameld, liggen in dozen of plastic zakken. Geconcentreerd schikt hij zijn hemden in de koffer om ze er daarna weer uit te halen en in een ander hoekje in te passen. Hetzelfde gebeurt met zijn ondergoed en sokken. Zijn pas gestoomde dassen komen bovenop. Tientallen foto´s moeten ook nog mee. Rond zeven uur ´s avonds sluit hij met een ritueel gebaar de koffer. En zoals hij zelf – toch wat weemoedig nu – tegen zijn vader zegt: zijn hele leven zit nu in één koffer.

In Zaventem wordt zijn bagage gewogen en te zwaar bevonden. Wat hij al van te voren wist – maar je kunt het altijd eens proberen, is zijn stelling. En dan hebben ze nog niet gezien dat zijn vader ergens verderop staat met zijn handbagage, een gitaar, een fototoestel en twee maatpakken. Als hij zijn koffer opent om te kijken wat hij ons mee terug kan geven, rolt alles over de vloer. Heel zijn leven ligt te grabbel. Rode vlekken kruipen in zijn hals omhoog en terwijl hij alles wat hij zo minutieus had ingepakt weer in de koffer propt, kijkt hij verlegen lachend naar ons op. Ik had me voorgenomen sterk te blijven maar begin toch te huilen. Of hij het begrijpt? Dat ik hem nu al los moet laten…

Ondertussen is hij al een paar keer terug thuis geweest en zijn wij naar hem gereisd. We zijn op plaatsen geweest die we zonder hem nooit hadden gezien. De jongen is een man geworden en ik heb beter leren loslaten. De laatste keer heb ik bij het afscheid niet gehuild. Toch niet dat hij het heeft gezien.

Woorden en daden

Onze zoon en zijn vriendin hebben een tent gekocht. Een werptent. Ik had er nog nooit van gehoord en had zo mijn bedenkingen. Als het maar niet wégwerp is, dacht ik ongerust. Zo´n klein pakketje, ik geloof nooit dat daar een degelijke tent inzit. Tot hij glunderend demonstreerde hoe je zo´n ding opengooit en pijlsnel opzet. In twee minuten was het geflikt en de tent zag er meer dan behoorlijk uit.

Toen ze terugkwamen van hun vakantie moest de tent weer worden opgesteld om ze terug proper te krijgen en fatsoenlijk te laten drogen. Mijn zoon en zijn vriendin wonen op een appartement en het was dus niet meer dan logisch dat dat hier zou gebeuren. Het poetsen gebeurde op het terras. Daarna werd de tent naar de garage gesleurd om ze daar een nacht te laten drogen. Wij zouden ze de volgende dag weer samenvouwen.  “Zo gemakkelijk als iets”, zei onze zoon terwijl zijn vriendin overtuigend knikte. “Het wijst zich vanzelf. Papa, gij gaat dat zeker kunnen. Kijk, ge moet hieraan trekken, die gele gesp aan die andere daar vastmaken, dan hetzelfde met de oranje riempjes. Daarna gewoon alles samenvouwen, in de hoes steken en hupsakee. En als er onverwachts problemen zouden zijn, dan staat hier nog een afbeelding.”

Energiek begonnen we eraan. Een vol kwartier hebben we met dat kreng geworsteld. Mijn man met daden, ik met woorden. Het wou maar niet lukken en gefrustreerd haalde ik er een YouTube-filmpje bij. Zes keer hebben we het bekeken, maar niks. Tot we door hadden dat je ín die tent moest kruipen om die gele gesp helemaal achteraan te pakken te krijgen en er met dat ding in de hand weer uit moest komen. Dat je die tent bijna binnenste buiten moest draaien, dan het geheel in een acht moest buigen en die acht weer tot een cirkelvormig iets in mekaar moest drukken. Om daarna dat cirkelvormig iets in een hoes te frommelen. Het zweet stond onder onze oksels en in ons haar. Bij mij van het aanvuren en bijsturen, bij mijn man van het daadwerkelijke samenvouwen, duwen en trekken. Maar het is gelukt. In twee minuten (en een beetje), heb ik via WhatsApp laten weten. Omdat je nooit mag liegen.

tent

Benen, lijsten en Claudio

Teleurstelling van de week:   Wanneer mijn zussen een daguitstap maken naar de Belgische kust komen ze mooi egaal gebruind op armen én benen terug naar huis. Ik heb de afgelopen dagen in Italië doorgebracht, heb zon gehad van ´s morgens tot ´s avonds en het is weer niet gelukt. Mijn benen zijn nog altijd wit. Ik zal niet zeggen melkflessenwit, maar het scheelt toch niet veel.

Compliment van de week: De gastheer van onze B&B zei bij ons vertrek zo tussen neus en lippen dat wij bij hem op de witte lijst staan. Als we willen mogen we dus nog eens terug komen. En dat wil in zijn geval wat zeggen.

Bekentenis van de week: Ik hád verliefd kunnen worden. Op Claudio. Geef toe, de naam alleen al.

We belden aan, troffen niemand thuis en teleurgesteld liepen we terug naar onze auto. Opeens dook er toch iemand op. Verrast keek ik hem aan en hield mijn adem in. Hij leek wel uit de film weggelopen, deze mooie, mannelijke man. Een zwarte veeg liep schuin over zijn hoekige gezicht en zijn grijze T-shirt zat vol zweetvlekken. Zijn haren staken alle kanten op en zijn handen waren vuil. Maar hij had zo´n lieve ogen en hij lachte zo mooi, een beetje verlegen bijna. En zijn witte tanden schitterden zo aantrekkelijk in zijn bruinverbrande kop. Uitgebreid excuseerde hij zich voor zijn vieze uiterlijk. Alsof dat me ook maar iets kon schelen. Hij kwam recht uit zijn wijngaard, zei hij, hij was daar aan het werk, en of we rond een uur of twee konden terugkomen? Natuurlijk konden we dat.  P. had zich vast voorgenomen op onze laatste vakantiedag van Claudio´s rode wijn te proeven en ik had er niets op tegen Claudio nog een tweede keer te mogen zien.

Fris gewassen, in een bruin T-shirt dat over zijn gespierde borstkas spande, zat hij in zijn cantina voor ons aan een tafeltje. Teder opende hij drie flessen, gaf er een beetje uitleg bij en ging verder zo liefdevol met zijn wijn om dat ik dacht… nee, ik ga niet zeggen wat ik dacht. Zijn wijn smaakte hemels, al kan ik nu niet meer met zekerheid zeggen waar het aan lag. Dat vond P. ook en dus kochten we ervan. We betaalden en namen afscheid.  Het speet me dat ik geen enkele reden kon verzinnen om nog langer te blijven. De aanblik van Claudio had ik gemakkelijk nog een paar uur langer kunnen verdragen. Dromerig stapte ik terug naar buiten. Boven op het balkon liep een kleine, grijze hond luid keffend heen en weer. Een man met een nerveuze, keffende hond, dacht ik terwijl ik naar omhoog keek, ai, mensen lijken meestal op hun hond, of omgekeerd. Op slag waren mijn ontluikende gevoelens voor Claudio bekoeld.

wijngaard Claudio