Plaatsvervangende schaamte

Nog eens naar de film geweest:

In The Square, de winnaar van de Gouden Palm en nu ook beste Europese film van het jaar, volgen we een week lang het leven van Christian Nielsen, een gescheiden vader van twee dochters en de zelfbewuste, gerespecteerde hoofdcurator van een museum voor hedendaagse kunst in Stockholm. Hij bevindt zich midden in de voorbereidingen van de interactieve installatie The Square, een grote, vierkante plek die passanten moet toelaten hier hun zorgen achter te laten, hulp te vragen en ook te krijgen. Nadat op straat zijn mobiele telefoon gestolen werd, geraakt zijn comfortabele leven uit balans. Hij probeert de dader op te sporen en wordt daarbij geconfronteerd met zijn eigen vooroordelen en vermeend altruïsme. De reclamecampagne voor de installatie loopt totaal uit de hand en de affaire met Anne, een Amerikaanse kunstjournaliste, loopt ook niet zoals hij had gehoopt.
De Zweedse regisseur, Ruben Östlund, plaatst zijn personages in de loop van deze lange film – hij duurt 142 minuten – voortdurend voor een dilemma. Telkens weer moeten ze nadenken over hun omgang met de media, over solidariteit en vrijheid van meningsuiting. In het museum moeten ze letterlijk kiezen tussen vertrouwen of wantrouwen en op straat vragen ze zich af hoe ze bedelaars zullen behandelen. Als toeschouwer zie je hoe de personages hun dunne laagje beschaafdheid verliezen en hun dierlijke instincten naar boven laten komen. Meer dan eens krijg je last van plaatsvervangende schaamte.
We krijgen opvallend veel hulpgeroep te horen. Van bedelaars, van een vrouw die tijdens een galadiner door de optredende kunstenaar wordt lastig gevallen en van een jongetje dat van de trap valt. Het help van het jongetje klinkt nog lang na en het is niet duidelijk of Christian het alleen maar in zijn hoofd hoort, of dat het jongetje daar echt de hele tijd om hulp ligt te roepen. Dat de scène zo lang duurt, verhoogt het onbehaaglijke gevoel dat je erbij krijgt.
Met deze barstensvolle film houdt Ruben Östlund de hedendaagse kunstwereld, en bij uitbreiding onze hele maatschappij, een spiegel voor. Hij doet dat op een humoristische en indringende wijze. Vaak moet je met de gebeurtenissen lachen, maar even vaak word je er heel ongemakkelijk van. Er zijn te veel verschillende verhaallijnen om ze allemaal goed te kunnen uitwerken maar dat geeft niet. Op de achtergrond worden ze herhaaldelijk begeleid door het Ave Maria van Bach, ondersteund door het doo-da-da van Bobby Mc Ferrin – jawel, de zanger van Don´t worry be happy. Het klinkt mooi en troostrijk.

Ruben Östlund, The Square, 2017

Advertenties

Fantasie

Stel, zegt hij, stel, je wint een schrijfweek. En je mag kiezen waar je naartoe gaat. Want het is de uitdrukkelijke bedoeling dat je je woonplaats verlaat. Kom, vooruit, vertel eens, hoe ziet die plek eruit?

Het tollen begint. Die trullo in Puglia. Alleen al dat uitzicht daar. Tot in Martina Franca kan je kijken! De hele dag buiten zitten, een eigen zwembad, fijne buren. Of nee, te gezellig, en dan komt er van schrijven ook weer niks. Een gîte in Varengeville-sur-mer! Elke dag wandelen langs de Atlantische Oceaan. De kerk, de hortensiatuin en Bois des Moutiers nog eens bezoeken. Hoewel, dan wil hij vast ook een paar dagen mee. En het is míjn schrijfweek. Ha, ik weet het. Een huisje in Ierland. Op de plek die we afgelopen zomer tijdens onze rondreis bezochten en waarvan ik toen al dacht: hier kom ik terug. Helemaal alleen kom ik hier terug om een week lang te lezen en te schrijven – misschien dat het hier weer lukt.
Ik kan het me al helemaal voorstellen. Het is herfst – ik houd van de herfst en al zijn kleuren – en in een kleine cottage niet ver van de zee staat mijn opengeklapte laptop op een lange, houten tafel. Naast mijn laptop ligt een blok A4-papier met hoge ruiten. Ik wil mijn denkproces bijhouden en dat kan ik alleen door met de hand te schrijven. A4 moet het zijn en hoge ruiten, geen vierkantjes of lijnen, want het is me nog nooit gelukt op iets anders mijn gedachten neer te schrijven. Mijn lievelingspen ligt er bovenop. Hij is gevuld met koningsblauwe inkt. Ik heb geen andere kleur. Rood is me te frivool, groen te harmonieus en zwart te definitief. Koningsblauw heeft iets verhevens en hoopvols, iets wat voor mijn gevoel goed bij schrijven past.
Op het uiteinde van de tafel ligt een stapel boeken – een paar oude, vertrouwde en een paar nieuwe. De oude heb ik nodig voor mijn eigen boek, de nieuwe zijn voor alle avonden dat ik me nestel in een hoge, geruite leunstoel bij de haard, de geur snuif van brandend hout en met mijn voeten op een bankje geniet van een glas rode wijn. Ik lees, staar filosofisch in de vlammen en iedere avond, net voordat ik ga slapen, luister ik naar Spiegel im Spiegel van Arvo Pärt.

Twee keer per dag ga ik wandelen, ´s ochtends na het ontbijt en ´s avonds voor het donker wordt. Zodra ik buiten kom, ruik ik de zilte, koele lucht. Het waait maar het regent niet, een hele week regent het niet, en boven me hangen de meest wonderbaarlijke wolkenpartijen. Vol overgave kijk en luister ik naar de zee en de wind. Mijn fantasie slaat op hol, wat een geluk, mijn fantasie slaat op hol, en ik haast me terug naar mijn cottage om te schrijven. Elke dag ga ik tot een uur of zeven door. Ik vergeet te eten en te drinken, ik schrijf en ik schrijf en ik schrijf. Eindelijk.

 

Mariëlle of de herinnering aan een warme zomer

De zon brandt en er is veel volk in en rond het zwembad. De geur van chloor vermengt zich met die van zonnecrème. In het ondiepe gedeelte dobberen kleine kinderen in hun zwemband of spelen met een strandbal. Baantjes trekken gaat niet meer. Bovendien heeft de breedgeschouderde badmeester zijn oceaanblauwe ogen vandaag wéér niet op mij laten vallen. Ontgoocheld besluit ik op het grasveld naast het bad even in de zon te gaan liggen. Ik zwem naar de kant en begin mezelf aan de rand omhoog te hijsen. Halverwege richt ik mijn hoofd op en zie hoe een slank, melkwit meisje in een lichtblauwe bikini voorzichtig door het water van het voetbad waadt. Ze komt me bekend voor, maar ik weet niet van waar. Met een vloeiend gebaar drapeert ze haar lange, blonde haren met één hand in een staart over haar schouder. In de andere hand draagt ze een grote, roze tas. Ze loopt langs het zwembad op en ter hoogte van de plek waar ik nu met mijn buik op de stenen rand hang, zet ze haar tas tegen de omheining rond het zwembad. Het is Mariëlle. Mariëlle met de groene snottebellen. Het bleke, ziekelijke meisje van op de lagere school. Vijftien is ze, net als ik. Ze is mooi geworden, registreer ik jaloers.

Mariëlle kijkt onderzoekend rond. Ze ziet me, doet alsof ze me niet kent en loopt heupwiegend naar het trapje aan de ondiepe kant. Aarzelend steekt ze haar voet in het water, slaakt een gemaakte gil en doet een stap terug. Het water is te koud. Zwemmen is ook niet echt de bedoeling. Met een denkbeeldige kras op haar dij loopt ze naar de badmeester en vraagt met verleidelijk knipperende oogleden om een pleister. Hoe aanstellerig, denk ik minachtend en zet me klaar om me met mijn armen verder omhoog te duwen. Maar dan zie ik hoe hij reageert. Hoe hij haar aanraakt en in haar ogen kijkt. Opeens voelt mijn lijf als een natte zandzak. Ik laat me terugvallen in het water en moedeloos zwem ik naar het trapje. Zo gaat het dus. Kinderachtig doen en jezelf opdringen. Niets voor mij, weet ik. En hoe belachelijk en onnozel van de redder.

Ik sjok naar mijn handdoek. En terwijl Let´s just kiss and say goodbye van de Manhattans door de luidsprekers rond het zwembad klinkt, droog ik me langzaam af – overlopend van heimwee naar iets wat niet eens begonnen was.