Secuur werkje

We zijn net de parkeergarage uitgereden. Vijf verdiepingen zijn we naar omlaag gecirkeld en in mijn achteruitkijkspiegel zie ik hoe de slagboom gehoorzaam op zijn plaats gaat hangen.

Van opzij kijkt mijn metgezel me aan. Ik voel dat hij iets wil zeggen. Maar hij twijfelt – hij kent me niet goed genoeg om mijn reactie te kunnen peilen. Dan komt het toch: ‘Euh, ik zeg het niet om te lachen, hé, maar ik vind, voor een vrouw kunt gij wel heel vlot rijden.’  Ik verschiet van kleur maar om een andere reden dan hij denkt. Ik, vlot rijden? Dat hebben er nog niet veel gezegd. Ja, de parkeergarage ken ik ondertussen wel, en de stad doorkruisen is ook al lang geen probleem meer. En ja, blik ik terug, ik had mijn autootje toch maar keurig geparkeerd en ik ben ook zwierig achteruit weer van die plaats weg gereden. Uiterst ingenomen met mezelf denk ik ook nog terug aan de bochten die ik vandaag, eerst naar boven en daarna naar beneden, heel gezwind heb genomen. Nee, zijn indruk is heus niet verkeerd en ik geloof hem op slag: ik ben een vrouw die vlot kan rijden.

Terwijl P. en ik ´s avonds in de auto zitten, vertel ik hoe mijn dag is geweest. En dat ik een schoon compliment heb gekregen. Dat er misschien zelfs iets van waar is, babbel ik gezellig, want het laatste jaar is er niks meer gebeurd, toch? Hoofdschuddend kijkt P. me aan. ‘Gelijk gij het toch kunt uitleggen. Onderhand gaat ge nog beweren dat ge beter kunt rijden dan ik’, zegt hij, ‘terwijl ik nog nooit, enfin,  terwijl gij toch degene zijt, die …’

We komen thuis. Ik stap uit en mijn man rijdt achterwaarts de carport in. Dat is een secuur werkje, want het is er niet heel breed en er ligt een stapel hout achterin. Terwijl ik naar de achterdeur loop, weerklinkt een soort gekraak. Hier in de buurt hoor je nu ook eens altijd iets, denk ik geërgerd en loop naar binnen. Even later komt P. ook. ‘Wat was dat nu weer, daarjuist?’, vraag ik. ‘Mwaah, niks’, antwoordt hij en ontwijkt mijn blik, ‘ik heb alleen de houtstapel onder de carport opnieuw gesorteerd.’

Gedichtendag 2017

De lezer

De lezer is een vreemde soort.
Men hoort hem niet
en denkt dat men hem ziet,

maar waar hij zit is hij niet
en ongehoord
is het leven in zijn hoofd.

Stoor hem dus niet,
hij is er bezig met bestaan.
Komt hij zo terug, weer

het gerucht in waar hij hoort,
luister dan: het lezen
heeft hem anders verwoord.

Bernard Dewulf

Bernard Dewulf (Vlaams columnist, essayist, dichter, kunstkenner, enz., geboren in 1960) was in  2012-2013 stadsdichter van Antwerpen en schreef toen dit gedicht voor de opening van de nieuwe openbare bibliotheek in Wilrijk. Het werd aangebracht op een muur van de benedenverdieping van de bibliotheek.

Heerlijk relaxed

Ik ga niet graag naar de kapper. Dat heb ik nooit graag gedaan. Je moet er voor de spiegel zitten en kunnen babbelen over niets – twee dingen waar ik een hekel aan heb. Sommige mensen vinden het ontspannend en leggen al weken van te voren hun afspraak vast. Bij mij werkt dat niet. Ik kan toch nu nog niet voorspellen of ik over een paar weken niet in een of andere flow zit. Een schrijfflow of een leesflow, ik zeg  maar iets. Allemaal veel belangrijker dan de kapper.

Het maken van een afspraak is daarom eerder een impulsieve daad. Meestal gaat het als volgt: we zitten in de auto, op weg naar vrienden of familie. Ik klap het autospiegeltje open om te kijken of er niks tussen mijn tanden zit en hoe mijn haar ligt. Vervolgens verschiet ik me een ongeluk. Ik weet het, de meeste mensen controleren hun uiterlijk al van te voren. Ik vergeet zoiets. Niet dat ik nooit in de spiegel kijk. Alleen, ik zie mezelf dan niet. Omdat er dan veel interessantere dingen voor mijn geestesoog verschijnen. Ik denk dat dat een beschermingsmechanisme is. Maar goed, pas in de auto merk ik dat mijn haren ofwel als een hoed op mijn hoofd staan ofwel zo futloos hangen als tulpen die al een paar dagen droog staan. Meteen neem ik me voor een afspraak te maken. Morgen als het kan. Meestal lukt dat ook.

Vanmorgen zat ik in Jean-Marie´s Hairshop voor een muurhoge spiegel. De kapper excuseerde zich, hij kon niet veel praten. Geen gebabbel over het weer of vakantie, dacht ik blij, nu kan ik met goed fatsoen heerlijk relaxed zitten zwijgen. Opgelucht keek ik in de spiegel. En zag dat ik hoognodig mijn schoenen eens moest poetsen. Dat die grijze broek van Witteveen echt niet meer kan. En dat mijn figuur, vooral in zittende houding, zeer te wensen over laat, zelfs onder een zwarte schort. Ik werd niet goed. Ik heb mijn ogen dicht geknepen en heb gedaan of ik sliep. Anderhalf uur lang. Heel ontspannend, zo´n bezoekje aan de kapper.

Oververzadiging

Het nieuws heeft me altijd oprecht geïnteresseerd. Ook als jonge moeder vond ik het belangrijk op de hoogte te blijven van wat er in de wereld gebeurde. Ik had zelfs het idee dat dat ook redelijk lukte; dat ik via kranten, radio en televisie goed werd geïnformeerd en een goed beeld had van de realiteit.

De laatste tijd reageer ik bijna allergisch op de krant. Neem nu onze lokale krant, de Aachener Nachrichten. De woorden Terror, Horror, Angst en Unsicherheit komen me net iets te vaak voor. Toen ik laatst ook nog eens een recensie las over Tommy Wieringa´s Dit zijn de namen, heb ik de krant demonstratief dicht geplooid. Het werd me teveel. Dit prachtige boek over naar zin en bestemming zoekende mensen, over migratie en het ontstaan van een geloof, kan ik iedereen aanbevelen. Het werd kort geleden in het Duits vertaald en de vrouw van een bekend Akens politicus had de recensie geschreven. Ze had een halve(!) bladzijde ruimte gekregen en vertelde begot de hele plot. Niemand gaat dat boek nog kopen!

Sinds een paar jaar heb ik ook een abonnement op De Standaard. Een digitaal abonnement. Eerst dacht ik dat het aan het lezen op een scherm lag dat de dingen niet zo beklijfden. Daarna weet ik het aan mijn leeftijd. Vandaag denk ik dat het aan oververzadiging ligt. Er is gewoon te veel nieuws. Nieuws dat er alleen lijkt te zijn om ons vreselijke dingen te vertellen en ook nog eens eindeloos wordt herhaald. Dagelijks wordt er nieuws over ons uitgestort waar we eigenlijk niets mee kunnen doen. Het verrijkt ons leven niet. Integendeel. Het doet een beroep op onze angst. Net als reclame. Zodat we ons in naam van onze veiligheid en ons welbevinden vrijwillig laten controleren en manipuleren.

Afgelopen vrijdag publiceerde de Standaard der Letteren de toespraak die de Duits-Roemeense schrijfster Herta Müller in december gaf op de internationale conferentie European Angst. Ik ergerde me kapot. In plaats van in de bijlage had de toespraak op de eerste bladzijde moeten staan.

Ik heb veel zin mijn abonnementen op te zeggen. De tijd die dan gaat vrijkomen kan ik beter besteden aan het lezen van een goed boek. Zelfs fictieve verhalen geven vaak een beter beeld van de realiteit dan het nieuws.

Buitengewoon schoon gedacht

Het plan was dat ik als laatste bericht voor dit jaar nog eens iets plezierigs zou plaatsen. Iets humoristisch. Over mijn man bijvoorbeeld, want dat lezen jullie blijkbaar graag.

Op dinsdagmorgen was ik om zeven uur opgestaan. Ik had goed geslapen en mijn humeur was navenant. (Dat verdient enige aandacht want dat gebeurt niet alle dagen.) In mijn hoofd had ik al een planning opgemaakt. Na het ontbijt eerst opruimen, bedacht ik terwijl ik mijn haar föhnde, want gisteravond zag het huis eruit uit alsof hier nog altijd vijf mensen wonen in plaats van twee. Nog wat kerstversiering aanbrengen. Daarna een column schrijven. Boodschappen doen. Pompoensoep koken – die met venkel. In de namiddag boek terugbrengen naar de bib in Vaals en op de terugweg bloemen kopen. Een paar dringende telefoongesprekken voeren. Granola maken. Zelfs een uurtje strijken had ik ingepland. Terwijl ik op andere dagen was en strijk met alle plezier uit mijn gedachten ban. Vol energie ging ik naar beneden.

Ik zette de radio aan en begon aan mijn kommetje met fruit. Pardoes verslikte ik me in een stukje mandarijn. Aanslag in Berlijn – op de kerstmarkt. Europa in zijn kern geraakt. Ik werd bang. Voor de zoveelste keer dit jaar werd ik bang en mijn gedachten gingen uit naar al die mensen die dit jaar door geweld zijn gestorven, of door geweld iemand hebben verloren.
Daarna dacht ik: de maatschappij wíl dat we bang zijn. Voor Rusland, Turkije, Azië, Afrika en Amerika. Voor de islam, de klimaatverandering, voor armoede en voor al te grote rijkdom. En als we maar bang genoeg zijn, zijn we bereid heel wat van onze vrijheden op te offeren. Eigenlijk wil ik daar niet aan meedoen.
Meteen heb ik de radio uitgezet. De krant heb ik opgevouwen op tafel laten liggen en ik heb die dag ook niet naar de televisie gekeken. Omdat ik niet wéér elke minuut van de dag wou geconfronteerd worden met vragen en vermoedens, met oud nieuws en nieuw nieuws en met nog meer variaties op het nieuws. Ik heb gewoon mijn programma afgewerkt. Behalve die leuke column dan, die heb ik niet geschreven. Dat ging niet meer.

Zondag is het Kerstmis. Herdenking van een geboorte als teken van vernieuwing. Ik vind dat een buitengewoon schoon gedacht: ieder jaar opnieuw de kans krijgen me te vernieuwen of te verbeteren. Daar ga ik me dus nog eens over bezinnen. Daarna hoop ik het leven, fris en opgewekt en zonder bang te zijn, tegemoet te treden. Uiteraard hoop ik voor jullie hetzelfde.

ZALIG KERSTFEEST EN GELUKKIG NIEUWJAAR!

FROHE WEINHACHTEN UND EIN SCHÖNES NEUES JAHR!

JOYEUY NOËL ET BONNE ANNÉE!

MERYY CHRISTMAS AND A HEPPY NEW YEAR!

engel

Oervertrouwen

Bid jij? Het is een pijnlijke vraag en het antwoord is ook vaak pijnlijk. Bidden geldt als kinderlijk en kinderachtig. Omdat het voor de meeste mensen de eerste kennismaking was met het geloof en omdat bidden zonder een soort kinderlijk oervertrouwen niet werkt. Bidden is spreken met God, maar God antwoordt niet. Spreken met Hem geldt dus als verdacht en naïef. Het is iets uit lang vervlogen tijden – iets wat niet meer past in onze moderne, geseculariseerde samenleving.

….

Bidden betekent: geluk, ongeluk en wensen uitspreken in gebaren en in taal. We doen het vooral in extreme situaties. Bij het begin van het leven of het einde ervan. Het vermijdt dat we sprakeloos worden. Er is niets wat we niet mogen zeggen of vragen. We mogen God zelfs aanklagen. Waarom vragen we, en hoe lang? Waarom ik? In het gebed is er geen censuur. Is dat geloven? Misschien is dat niet belangrijk. Ook ongelovigen kunnen  bidden. Het belangrijkste van het gebed is misschien wel dat diegene die vragen stelt, aanklaagt of iets wenst, niet resigneert. Hij is al begonnen iets te ondernemen tegen dat wat hem of anderen wordt aangedaan.

Dit is een vrije vertaling van een tekst* die ik gisteren heb gelezen. Bidden zorgt ervoor dat we vreugde en verdriet niet verzwijgen, leerde ik. Ook ongelovigen bidden en bidden wil zeggen dat je niet berust. Mooi en passend voor deze tijd, dacht ik. Bidden is zo gek nog niet.

Vandaag belde ik iemand op om naar haar gezondheidstoestand te informeren. Ze is gelovig en daarom wou ik vragen: Bid jij nog? Maar ik durfde niet. Want het is een pijnlijke vraag en het antwoord is ook vaak pijnlijk. ‘Van een paar dingen heb ik geluk’, zei ze in de loop van het gesprek. ‘Ik kan goed slapen en ik stel al die vragen niet: waarom ik, waarom nu, en hoe lang dit nog gaat duren.’ Ik was er erg van aangedaan en of ze nu wel bidt of niet, is niet meer relevant. Ze had hoop uitgesproken, en een groot vertrouwen.

 

* uit Der andere Advent 2016/17: Da hilft nur Beten van Heribert Prantl

Dagboekfragment: Oorwurm

Woensdag, 9.11.2016

Trump heeft de verkiezingen gewonnen. Het is als wakker worden in een andere wereld. Als dit mogelijk is, moet de democratie opnieuw uitgevonden worden. Of nee, niet de democratie, wel de democratische methode. Wat me opvalt, is dat de kiezers in de statistieken worden ingedeeld naar klasse en afkomst. Gaan we terug naar de standenmaatschappij? Zie de toekomst niet rooskleurig in.

Met E. bij K. op de koffie geweest. E. zat in overdrive. Het was zondag al begonnen, zei ze, in de kerk. De eerste lezing had twintig minuten geduurd en ging over folteringen. Alleen maar afgehakte handen en hoofden, en dat in tijden van IS, foeterde ze. In het evangelie had de pastoor tot overmaat van ramp ook nog over harpen en eeuwige rust gesproken. Wie wil er nu eeuwige rust in het hiernamaals, raasde ze, of daar op een harp zitten spelen! Eerlijk gezegd, ik kan het me van haar ook niet voorstellen. Na een uur heeft K. haar een paar Rescue Druppels gegeven. Ze hebben niet geholpen.

Heb mevrouw H. een bloemetje gebracht. Ze is gisteren zevenentachtig geworden. Iedere avond tussen tien en half elf bidt ze haar rozenkrans. Daar wordt ze rustig van, zegt ze. Moet het E. eens voorstellen.

Donderdag, 10.11.2016

Vannacht om vier uur wakker geworden. Had een oorwurm. Tell me there ´s a heaven, tell me  that it´s true  en they sit with God in paradise. Van Chris Rea. Weet niet of het aan E. ligt of aan Trump.

Leonard Cohen is dood. Quasi in het harnas gestorven. Krijg het koud als ik aan zijn laatste lied denk: It´s over now, the water and the wine. Hij wist het.

Heb het zwemmen afgezegd. Het was te nat buiten. In plaats daarvan De Kinderjaren van Jezus gelezen en naar de Slimste Mens gekeken. Hoop dat ik deze nacht niet nog eens met een oorwurm wakker word.

Vrijdag, 11.11.2016

Opgestaan met I lie and I cheat van Won Ton Ton.

Vandaag wordt de Wapenstilstand herdacht. Of het in Duitsland ook een feestdag is, vragen familie en vrienden nog altijd. Wat denkt ge, vraag ik dan droog. Vandaag dus gewerkt. Niks spectaculairs gebeurd. Geen woorden gehad met P. Is eigenlijk best spectaculair.

In de namiddag bezoek gehad van zoon en kleinzoon. Was leuk. Zie de toekomst weer positief tegemoet.

Frauenfrühstück

Met zeven Duitse dames zit ik bij S. thuis aan het ontbijt. Ik ken hen van haar vorige verjaardagen. Het zijn niet de mensen die ik zelf zou uitzoeken maar ik probeer er het beste van te maken en wijd me volledig aan wat me bij dit soort gelegenheden het beste ligt: luisteren.

Met verve vertelt de vrouw rechts van mij over het ongeval dat ze de vorige dag heeft gehad. Opmerkingen vliegen over en weer en iedereen is het er roerend over eens: verzekeringsmaatschappijen proberen overal onderuit te komen en politiemensen zijn te lomp om te helpen donderen. Voorbeelden te over, hoor ik, het ene al schrijnender dan het andere.
Als vanzelf komen ze op artsen. Artsen zijn geldgeile machtswellustelingen die niet kunnen communiceren, vinden ze.  Vooral de klassiek geschoolden. Ik zeg niets.
Even later moeten de politici eraan geloven. Hun beleid en hun pensioenen. Ik denk aan Karel de Gucht maar zwijg. Wat ze hier op tafel gooien is al erg genoeg.
Rond een uur of elf zijn ze bij de ziektes aanbeland. De vrouw tegenover mij heeft al drie knieprothesen gehad en is hard op weg naar de vierde. Dit keer staan haar na de operatie zes tot acht weken rolstoel te wachten, zegt ze terwijl ze door haar randloze bril vergenoegd van de een naar de ander kijkt. Ik krijg medelijden met haar man en kinderen.
Daarna komt het gesprek op inentingen – vaste prik in deze ronde. Wat daarvan de gevolgen kunnen zijn! Motorische en mentale achterstand, spraakgebreken, chronisch vermoeidheidssyndroom, onvruchtbaarheid! De gemoederen verhitten en wanneer er gezegd wordt dat iedereen het maar voor zich moet weten, wordt het me teveel. Ik vind het helemaal geen zaak van ieder voor zich, zeg ik luid. Ziektes als polio en mazelen kunnen alleen worden uitgeroeid wanneer meer dan negentig procent van de bevolking zich laat inenten. En dat zij die zich niet laten inenten gemakkelijk praten hebben; dat ze erop rekenen dat anderen het wél hebben gedaan. Ik haal de klassieke geneeskunde erbij en in mijn bevlogenheid overweeg ik de verzekeringen, de politie en de politiek er ook nog bij te sleuren. Ik doe het niet. Er zijn grenzen. Aan mijn welbespraaktheid en mijn Duits.

Pikdonker

Misschien heb ik wel een voorspellende gave! Zou dat kunnen? Dat zoiets op latere leeftijd nog naar boven komt? Samen met opvliegers, bijvoorbeeld? Want nog maar pas schrijf ik aan een fictief verhaal over een stroompanne en ploep, gaat hier het licht uit. Gelukkig is de batterij van mijn laptop helemaal opgeladen en kan ik gewoon verder gaan met tikken.

Pikdonker

Onderweg naar de benedenverdieping stokt de lift en stopt. Zuster Theresa laat haar rozenkrans los, opent haar ogen en zet een stap naar voren. Oei, zo donker, schrikt ze en deinst terug. Het koude zweet breekt haar uit. En waarom gaan die deuren nu niet open? Moet ik nog ergens op duwen? Oh God, ik zal toch niet tussen twee verdiepingen zijn blijven hangen? Ze staat helemaal alleen in de lift en voelt haar knieën slap worden. Rustig blijven, probeert ze zichzelf te kalmeren, goed door de neus ademen en vooral niet panikeren.

Ze was met haar gezicht naar de deur gaan staan, herinnert ze zich, en het bedieningspaneel bevond zich links daarvan. Met haar vlakke handen begint ze de wand af te tasten. Ze vindt het paneel en duwt wild op iedere knop die ze onder haar vingers krijgt. Er gebeurt niets. Geen alarm, geen licht, niets. De lift is niet meer in beweging te krijgen en de deuren blijven dicht. ‘Zo verdomd donker ook’, roept ze vertwijfeld en richt meteen haar blik naar boven. ‘Excuseer lieve Heer’, prevelt ze, ‘pikdonker. Of nee, stikdonker.’

Hijgend leunt ze tegen de wand. Het moet een stroompanne zijn. Jezus, Maria, Jozef. Het is woensdagavond en sluitingstijd – wie weet hoe lang dat hier nog gaat duren. Misschien zelfs tot morgen! Ze zal in ieder geval nooit op tijd terug kunnen zijn in het klooster, bedenkt ze en wordt wat wit om de neus. Ze had gezegd dat ze naar de wachtdienst van de tandarts in de stad moest, wat ook waar was, maar ze had er niet bij verteld dat ze daarna ook nog naar het Kaufhof zou gaan. Even naar de schoenenverdieping op de eerste etage en van daaruit naar de voedselafdeling op de benedenverdieping. Gewoon, eens kijken wat er zoal in de wereld te koop is tegenwoordig. Twee minuten een paar schoenen met een hak dragen, en misschien, heel misschien, een reep Lindtchocolade op de kop tikken. Een petieterig klein reepje maar. God zou het wel begrijpen en het haar vergeven, had ze gedacht, zeker als ze een rozenkrans extra zou bidden.

Niet dus. Ze heeft te lang met die rode pumps rondgelopen. Ze grijpt naar haar rozenkrans, begint hardop te bidden en  terwijl ze traag langs de wand naar beneden zakt, vullen haar ogen zich met tranen. Die chocolade kan ze nu wel vergeten.

Een leven in één koffer

Vijf jaar geleden, ook in oktober, vertrok onze middelste zoon naar het buitenland om er te gaan wonen en werken. Soms lijkt dat een eeuwigheid geleden, dan weer lijkt het alsof het gisteren was.

De grootste koffer die hij op zolder heeft kunnen vinden ligt geopend op de vloer van zijn jongenskamer. Hij zit op zijn knieën en is bezig met inpakken.

Ik sta in de deuropening en zie de bijna lege kamer. Zo vaak heb ik over de rommel gezeurd en nu voelt het als een klap in mijn gezicht. Zijn bureau is opgeruimd en zijn boeken, bierglazen, en alle persoonlijke dingetjes die hij in de loop der jaren heeft verzameld, liggen in dozen of plastic zakken. Geconcentreerd schikt hij zijn hemden in de koffer om ze er daarna weer uit te halen en in een ander hoekje in te passen. Hetzelfde gebeurt met zijn ondergoed en sokken. Zijn pas gestoomde dassen komen bovenop. Tientallen foto´s moeten ook nog mee. Rond zeven uur ´s avonds sluit hij met een ritueel gebaar de koffer. En zoals hij zelf – toch wat weemoedig nu – tegen zijn vader zegt: zijn hele leven zit nu in één koffer.

In Zaventem wordt zijn bagage gewogen en te zwaar bevonden. Wat hij al van te voren wist – maar je kunt het altijd eens proberen, is zijn stelling. En dan hebben ze nog niet gezien dat zijn vader ergens verderop staat met zijn handbagage, een gitaar, een fototoestel en twee maatpakken. Als hij zijn koffer opent om te kijken wat hij ons mee terug kan geven, rolt alles over de vloer. Heel zijn leven ligt te grabbel. Rode vlekken kruipen in zijn hals omhoog en terwijl hij alles wat hij zo minutieus had ingepakt weer in de koffer propt, kijkt hij verlegen lachend naar ons op. Ik had me voorgenomen sterk te blijven maar begin toch te huilen. Of hij het begrijpt? Dat ik hem nu al los moet laten…

Ondertussen is hij al een paar keer terug thuis geweest en zijn wij naar hem gereisd. We zijn op plaatsen geweest die we zonder hem nooit hadden gezien. De jongen is een man geworden en ik heb beter leren loslaten. De laatste keer heb ik bij het afscheid niet gehuild. Toch niet dat hij het heeft gezien.