Facebook en Sting

In het begin van dit jaar schreef ik dat ik een beetje genoeg had van alle nieuws dat de hele dag op ons afgevuurd wordt. Ik was oververzadigd en besloot de papieren Aachener Nachrichten niet meer in te kijken, mijn dagelijkse digitale uitgave van De Standaard op te zeggen en een abonnement te nemen op de papieren zaterdageditie. Dat voornemen heb ik ook uitgevoerd. Wat het nieuws betreft, bevalt me dat best. De actuele gebeurtenissen krijg ik zo ook wel  mee.
Wel vond ik het spijtig dat ik bepaalde columnisten niet meer kon volgen. Gelukkig had ik daar al rap iets op gevonden: Facebook. De meeste columnisten verwijzen immers via een link op hun Facebookpagina naar hun teksten. Kranten publiceren er hun pakkendste artikelen en veel journalisten en schrijvers ventileren er hun persoonlijke mening. Facebook biedt echt een schat aan informatie. Ik weet nu ook wie wanneer jarig is, feliciteer meer mensen dan ik ooit heb gedaan en vind heel veel leuk. Natuurlijk post ik ook af en toe zelf een foto, publiceer ik er mijn columns en hoop dat mensen mijn berichten ook liken.
Het probleem is nu dat ik te veel tijd verdoe op Facebook. ´s Ochtends even kijken,  ´s middags iets controleren en ´s avonds nog snel eens gluren. En dat voor een moeder en grootmoeder. Ik vrees dus dat ik een verslaving heb. Een zucht naar schermen. Eerst was ik verslaafd aan de digitale krant, tussendoor aan Candy Crush en nu aan Facebook. En dan mag ik het checken van mijn website en mails nog niet vergeten.

Vandaag las ik (digitaal) dat Sting in Vorst een concert gegeven heeft. Vijfenzestig is hij en naar het schijnt ziet hij er heel patent uit en is zijn conditie prima. Hij haalt nog alle hoge noten. Dat kan ik niet zeggen. Mijn conditie is beneden alle peil. Ik sport veel te weinig. Waarschijnlijk omdat ik zoveel naar die schermen tuur. Verder ben ik uit het koor gegaan. Ik krijg de hoge mi en fa er niet meer uit. Maar Sting doet dan ook aan yoga. Misschien moet ik die app die ik in januari al heb gedownload, Yoga met Evy, toch maar activeren?

Advertenties

De schuld van de natuur

Mannen begrijpen zoiets niet. Althans de mijne niet. En de man van mijn vriendin, ik noem hem Wee, ook niet. Al meer dan eens hebben ze het er hoofdschuddend over gehad. Maar sinds kort heeft Wee er een theorie over. Die gaat zo: het heeft allemaal te maken met de structuur van onze hersenen. Daar zit onderaan een schil, of een laag, een of ander overblijfsel uit vroeger tijden, van toen de mannen nog gingen jagen en hun vrouwen op zoek gingen naar bessen en zo. De mannen gingen doelgericht af op hun prooi, lieten zich door niets of niemand afleiden en als de prooi binnen was, kwamen ze spoorslags terug naar huis. (Vrij vertaald: ze kunnen maar een ding tegelijk doen, dacht ik toen de theorie uit de doeken werd gedaan, maar ik zei niks.) Ondertussen gingen hun vrouwen op pad om bessen, noten en vruchten te verzamelen. Die moesten ze van alle kanten goed bekijken en op hun rijpheid controleren. En zo dwaalden die vrouwen wel eens af en kwamen naar huis met iets waar ze niet naar op zoek waren gegaan. Het is dus allemaal de schuld van de natuur.
‘Och, ik heb me erbij neergelegd’, schokschouderde Wee afgelopen zaterdagavond. ‘De week na carnaval waren we aan zee en T. wou gaan winkelen. Ze had nog grijze jeans nodig, zei ze. Want het enige wat ze nog niet had voor dit seizoen was een grijze broek. Wij dus naar Oostende. En wat denk je? In heel Oostende geen grijze broek te vinden. Ze heeft toen maar een nieuwe regenjas gekocht. Want die had ze opeens toch ook zó nodig en was juist wat ze in gedachten had gehad’, knipoogde hij naar mijn man.

Gisteren vertrok ik naar de stad. Mijn man vroeg of ik iets bepaalds van plan was. ‘Ach’, zei ik, ‘eens kijken voor een blauw vestje. Dat ene is al zo oud als de straat, ik kan wel eens een nieuw gebruiken.’
Ik ben thuis gekomen met een heel schoon, crèmekleurig tafellaken. Allemaal de schuld van de natuur. Maar wel eentje dat ik niet hoef te strijken. Juist wat ik in gedachten had gehad.

De saaiheid van het bestaan

In de filmzaal kijk ik naar acht opeenvolgende dagen uit het leven van Paterson. We zijn op ongeveer drie vierde van de bijna twee uur durende film. Hoe saai kan het leven zijn, denk ik. Moet er niet nog iets ergs gebeuren? Hoort hier geen omwenteling te komen?

   Het leven van Paterson, een jonge, sympathieke buschauffeur in de gelijknamige stad, bestaat uit een aaneenschakeling van routines. Iedere morgen wordt hij op hetzelfde uur wakker. Hij staat op, eet, wandelt naar zijn werk, rijdt met zijn bus elke dag hetzelfde parcours en loopt ´s avonds weer naar huis. Tussendoor schrijft hij dichtregels in zijn notitieboekje. Iedere avond eet hij wat zijn vrouw heeft klaargemaakt. Daarna laat hij Marvin, hun buldog, nog even uit en drinkt in de plaatselijke kroeg een biertje. In tegenstelling tot zijn baasje heeft Marvin een levendig karakter en de daarbij passende gelaatsuitdrukkingen.

   Laura, de kwieke, bloedmooie vrouw van Paterson, koestert grote, artistieke ambities. Voor zichzelf en voor haar man. Zelf zou ze graag een beroemde countryzangeres worden, of een gevierde kunstenares. Hoewel Paterson keer op keer aangeeft dat hij alleen schrijft voor zijn plezier, stimuleert Laura hem iedere dag opnieuw zijn gedichten te publiceren. Haar lijzige stemgeluid strookt absoluut niet met de energie die ze tentoonspreidt en begint me na verloop van tijd te irriteren. Samen met het flegmatieke karakter van Paterson maakt dit wel geloofwaardig dat er, ondanks de zichtbare liefde tussen die twee, gedurende die acht dagen geen enkele keer sprake is van seks.

     Paterson is gelukkig met zijn leven en zijn gedichten worden steeds beter. Ondertussen zit ik te wachten op de grote ommekeer. Ik kijk nu eenmaal naar een film. Maar die komt er niet. De gebeurtenissen die de dagelijkse routine af en toe onderbreken, hebben geen grote consequenties. Paterson is een dichtende buschauffeur en blijft een dichtende buschauffeur. Toch verveel ik me geen moment. De herhalingen hebben iets grappigs en ik word geraakt door de mooie, subtiele verfilming van het alledaagse leven. En ná de film begin ik het te begrijpen: deze film is een gedicht – een ode aan de banaliteit van het bestaan. Om kunst te kunnen maken móet het leven saai zijn.

Jim Jarmusch, Paterson, 2016

Secuur werkje

We zijn net de parkeergarage uitgereden. Vijf verdiepingen zijn we naar omlaag gecirkeld en in mijn achteruitkijkspiegel zie ik hoe de slagboom gehoorzaam op zijn plaats gaat hangen.

Van opzij kijkt mijn metgezel me aan. Ik voel dat hij iets wil zeggen. Maar hij twijfelt – hij kent me niet goed genoeg om mijn reactie te kunnen peilen. Dan komt het toch: ‘Euh, ik zeg het niet om te lachen, hé, maar ik vind, voor een vrouw kunt gij wel heel vlot rijden.’  Ik verschiet van kleur maar om een andere reden dan hij denkt. Ik, vlot rijden? Dat hebben er nog niet veel gezegd. Ja, de parkeergarage ken ik ondertussen wel, en de stad doorkruisen is ook al lang geen probleem meer. En ja, blik ik terug, ik had mijn autootje toch maar keurig geparkeerd en ik ben ook zwierig achteruit weer van die plaats weg gereden. Uiterst ingenomen met mezelf denk ik ook nog terug aan de bochten die ik vandaag, eerst naar boven en daarna naar beneden, heel gezwind heb genomen. Nee, zijn indruk is heus niet verkeerd en ik geloof hem op slag: ik ben een vrouw die vlot kan rijden.

Terwijl P. en ik ´s avonds in de auto zitten, vertel ik hoe mijn dag is geweest. En dat ik een schoon compliment heb gekregen. Dat er misschien zelfs iets van waar is, babbel ik gezellig, want het laatste jaar is er niks meer gebeurd, toch? Hoofdschuddend kijkt P. me aan. ‘Gelijk gij het toch kunt uitleggen. Onderhand gaat ge nog beweren dat ge beter kunt rijden dan ik’, zegt hij, ‘terwijl ik nog nooit, enfin,  terwijl gij toch degene zijt, die …’

We komen thuis. Ik stap uit en mijn man rijdt achterwaarts de carport in. Dat is een secuur werkje, want het is er niet heel breed en er ligt een stapel hout achterin. Terwijl ik naar de achterdeur loop, weerklinkt een soort gekraak. Hier in de buurt hoor je nu ook eens altijd iets, denk ik geërgerd en loop naar binnen. Even later komt P. ook. ‘Wat was dat nu weer, daarjuist?’, vraag ik. ‘Mwaah, niks’, antwoordt hij en ontwijkt mijn blik, ‘ik heb alleen de houtstapel onder de carport opnieuw gesorteerd.’

Gedichtendag 2017

De lezer

De lezer is een vreemde soort.
Men hoort hem niet
en denkt dat men hem ziet,

maar waar hij zit is hij niet
en ongehoord
is het leven in zijn hoofd.

Stoor hem dus niet,
hij is er bezig met bestaan.
Komt hij zo terug, weer

het gerucht in waar hij hoort,
luister dan: het lezen
heeft hem anders verwoord.

Bernard Dewulf

Bernard Dewulf (Vlaams columnist, essayist, dichter, kunstkenner, enz., geboren in 1960) was in  2012-2013 stadsdichter van Antwerpen en schreef toen dit gedicht voor de opening van de nieuwe openbare bibliotheek in Wilrijk. Het werd aangebracht op een muur van de benedenverdieping van de bibliotheek.

Heerlijk relaxed

Ik ga niet graag naar de kapper. Dat heb ik nooit graag gedaan. Je moet er voor de spiegel zitten en kunnen babbelen over niets – twee dingen waar ik een hekel aan heb. Sommige mensen vinden het ontspannend en leggen al weken van te voren hun afspraak vast. Bij mij werkt dat niet. Ik kan toch nu nog niet voorspellen of ik over een paar weken niet in een of andere flow zit. Een schrijfflow of een leesflow, ik zeg  maar iets. Allemaal veel belangrijker dan de kapper.

Het maken van een afspraak is daarom eerder een impulsieve daad. Meestal gaat het als volgt: we zitten in de auto, op weg naar vrienden of familie. Ik klap het autospiegeltje open om te kijken of er niks tussen mijn tanden zit en hoe mijn haar ligt. Vervolgens verschiet ik me een ongeluk. Ik weet het, de meeste mensen controleren hun uiterlijk al van te voren. Ik vergeet zoiets. Niet dat ik nooit in de spiegel kijk. Alleen, ik zie mezelf dan niet. Omdat er dan veel interessantere dingen voor mijn geestesoog verschijnen. Ik denk dat dat een beschermingsmechanisme is. Maar goed, pas in de auto merk ik dat mijn haren ofwel als een hoed op mijn hoofd staan ofwel zo futloos hangen als tulpen die al een paar dagen droog staan. Meteen neem ik me voor een afspraak te maken. Morgen als het kan. Meestal lukt dat ook.

Vanmorgen zat ik in Jean-Marie´s Hairshop voor een muurhoge spiegel. De kapper excuseerde zich, hij kon niet veel praten. Geen gebabbel over het weer of vakantie, dacht ik blij, nu kan ik met goed fatsoen heerlijk relaxed zitten zwijgen. Opgelucht keek ik in de spiegel. En zag dat ik hoognodig mijn schoenen eens moest poetsen. Dat die grijze broek van Witteveen echt niet meer kan. En dat mijn figuur, vooral in zittende houding, zeer te wensen over laat, zelfs onder een zwarte schort. Ik werd niet goed. Ik heb mijn ogen dicht geknepen en heb gedaan of ik sliep. Anderhalf uur lang. Heel ontspannend, zo´n bezoekje aan de kapper.

Oververzadiging

Het nieuws heeft me altijd oprecht geïnteresseerd. Ook als jonge moeder vond ik het belangrijk op de hoogte te blijven van wat er in de wereld gebeurde. Ik had zelfs het idee dat dat ook redelijk lukte; dat ik via kranten, radio en televisie goed werd geïnformeerd en een goed beeld had van de realiteit.

De laatste tijd reageer ik bijna allergisch op de krant. Neem nu onze lokale krant, de Aachener Nachrichten. De woorden Terror, Horror, Angst en Unsicherheit komen me net iets te vaak voor. Toen ik laatst ook nog eens een recensie las over Tommy Wieringa´s Dit zijn de namen, heb ik de krant demonstratief dicht geplooid. Het werd me teveel. Dit prachtige boek over naar zin en bestemming zoekende mensen, over migratie en het ontstaan van een geloof, kan ik iedereen aanbevelen. Het werd kort geleden in het Duits vertaald en de vrouw van een bekend Akens politicus had de recensie geschreven. Ze had een halve(!) bladzijde ruimte gekregen en vertelde begot de hele plot. Niemand gaat dat boek nog kopen!

Sinds een paar jaar heb ik ook een abonnement op De Standaard. Een digitaal abonnement. Eerst dacht ik dat het aan het lezen op een scherm lag dat de dingen niet zo beklijfden. Daarna weet ik het aan mijn leeftijd. Vandaag denk ik dat het aan oververzadiging ligt. Er is gewoon te veel nieuws. Nieuws dat er alleen lijkt te zijn om ons vreselijke dingen te vertellen en ook nog eens eindeloos wordt herhaald. Dagelijks wordt er nieuws over ons uitgestort waar we eigenlijk niets mee kunnen doen. Het verrijkt ons leven niet. Integendeel. Het doet een beroep op onze angst. Net als reclame. Zodat we ons in naam van onze veiligheid en ons welbevinden vrijwillig laten controleren en manipuleren.

Afgelopen vrijdag publiceerde de Standaard der Letteren de toespraak die de Duits-Roemeense schrijfster Herta Müller in december gaf op de internationale conferentie European Angst. Ik ergerde me kapot. In plaats van in de bijlage had de toespraak op de eerste bladzijde moeten staan.

Ik heb veel zin mijn abonnementen op te zeggen. De tijd die dan gaat vrijkomen kan ik beter besteden aan het lezen van een goed boek. Zelfs fictieve verhalen geven vaak een beter beeld van de realiteit dan het nieuws.

Buitengewoon schoon gedacht

Het plan was dat ik als laatste bericht voor dit jaar nog eens iets plezierigs zou plaatsen. Iets humoristisch. Over mijn man bijvoorbeeld, want dat lezen jullie blijkbaar graag.

Op dinsdagmorgen was ik om zeven uur opgestaan. Ik had goed geslapen en mijn humeur was navenant. (Dat verdient enige aandacht want dat gebeurt niet alle dagen.) In mijn hoofd had ik al een planning opgemaakt. Na het ontbijt eerst opruimen, bedacht ik terwijl ik mijn haar föhnde, want gisteravond zag het huis eruit uit alsof hier nog altijd vijf mensen wonen in plaats van twee. Nog wat kerstversiering aanbrengen. Daarna een column schrijven. Boodschappen doen. Pompoensoep koken – die met venkel. In de namiddag boek terugbrengen naar de bib in Vaals en op de terugweg bloemen kopen. Een paar dringende telefoongesprekken voeren. Granola maken. Zelfs een uurtje strijken had ik ingepland. Terwijl ik op andere dagen was en strijk met alle plezier uit mijn gedachten ban. Vol energie ging ik naar beneden.

Ik zette de radio aan en begon aan mijn kommetje met fruit. Pardoes verslikte ik me in een stukje mandarijn. Aanslag in Berlijn – op de kerstmarkt. Europa in zijn kern geraakt. Ik werd bang. Voor de zoveelste keer dit jaar werd ik bang en mijn gedachten gingen uit naar al die mensen die dit jaar door geweld zijn gestorven, of door geweld iemand hebben verloren.
Daarna dacht ik: de maatschappij wíl dat we bang zijn. Voor Rusland, Turkije, Azië, Afrika en Amerika. Voor de islam, de klimaatverandering, voor armoede en voor al te grote rijkdom. En als we maar bang genoeg zijn, zijn we bereid heel wat van onze vrijheden op te offeren. Eigenlijk wil ik daar niet aan meedoen.
Meteen heb ik de radio uitgezet. De krant heb ik opgevouwen op tafel laten liggen en ik heb die dag ook niet naar de televisie gekeken. Omdat ik niet wéér elke minuut van de dag wou geconfronteerd worden met vragen en vermoedens, met oud nieuws en nieuw nieuws en met nog meer variaties op het nieuws. Ik heb gewoon mijn programma afgewerkt. Behalve die leuke column dan, die heb ik niet geschreven. Dat ging niet meer.

Zondag is het Kerstmis. Herdenking van een geboorte als teken van vernieuwing. Ik vind dat een buitengewoon schoon gedacht: ieder jaar opnieuw de kans krijgen me te vernieuwen of te verbeteren. Daar ga ik me dus nog eens over bezinnen. Daarna hoop ik het leven, fris en opgewekt en zonder bang te zijn, tegemoet te treden. Uiteraard hoop ik voor jullie hetzelfde.

ZALIG KERSTFEEST EN GELUKKIG NIEUWJAAR!

FROHE WEINHACHTEN UND EIN SCHÖNES NEUES JAHR!

JOYEUY NOËL ET BONNE ANNÉE!

MERYY CHRISTMAS AND A HEPPY NEW YEAR!

engel

Oervertrouwen

Bid jij? Het is een pijnlijke vraag en het antwoord is ook vaak pijnlijk. Bidden geldt als kinderlijk en kinderachtig. Omdat het voor de meeste mensen de eerste kennismaking was met het geloof en omdat bidden zonder een soort kinderlijk oervertrouwen niet werkt. Bidden is spreken met God, maar God antwoordt niet. Spreken met Hem geldt dus als verdacht en naïef. Het is iets uit lang vervlogen tijden – iets wat niet meer past in onze moderne, geseculariseerde samenleving.

….

Bidden betekent: geluk, ongeluk en wensen uitspreken in gebaren en in taal. We doen het vooral in extreme situaties. Bij het begin van het leven of het einde ervan. Het vermijdt dat we sprakeloos worden. Er is niets wat we niet mogen zeggen of vragen. We mogen God zelfs aanklagen. Waarom vragen we, en hoe lang? Waarom ik? In het gebed is er geen censuur. Is dat geloven? Misschien is dat niet belangrijk. Ook ongelovigen kunnen  bidden. Het belangrijkste van het gebed is misschien wel dat diegene die vragen stelt, aanklaagt of iets wenst, niet resigneert. Hij is al begonnen iets te ondernemen tegen dat wat hem of anderen wordt aangedaan.

Dit is een vrije vertaling van een tekst* die ik gisteren heb gelezen. Bidden zorgt ervoor dat we vreugde en verdriet niet verzwijgen, leerde ik. Ook ongelovigen bidden en bidden wil zeggen dat je niet berust. Mooi en passend voor deze tijd, dacht ik. Bidden is zo gek nog niet.

Vandaag belde ik iemand op om naar haar gezondheidstoestand te informeren. Ze is gelovig en daarom wou ik vragen: Bid jij nog? Maar ik durfde niet. Want het is een pijnlijke vraag en het antwoord is ook vaak pijnlijk. ‘Van een paar dingen heb ik geluk’, zei ze in de loop van het gesprek. ‘Ik kan goed slapen en ik stel al die vragen niet: waarom ik, waarom nu, en hoe lang dit nog gaat duren.’ Ik was er erg van aangedaan en of ze nu wel bidt of niet, is niet meer relevant. Ze had hoop uitgesproken, en een groot vertrouwen.

 

* uit Der andere Advent 2016/17: Da hilft nur Beten van Heribert Prantl