Secuur werkje

We zijn net de parkeergarage uitgereden. Vijf verdiepingen zijn we naar omlaag gecirkeld en in mijn achteruitkijkspiegel zie ik hoe de slagboom gehoorzaam op zijn plaats gaat hangen.

Van opzij kijkt mijn metgezel me aan. Ik voel dat hij iets wil zeggen. Maar hij twijfelt – hij kent me niet goed genoeg om mijn reactie te kunnen peilen. Dan komt het toch: ‘Euh, ik zeg het niet om te lachen, hé, maar ik vind, voor een vrouw kunt gij wel heel vlot rijden.’  Ik verschiet van kleur maar om een andere reden dan hij denkt. Ik, vlot rijden? Dat hebben er nog niet veel gezegd. Ja, de parkeergarage ken ik ondertussen wel, en de stad doorkruisen is ook al lang geen probleem meer. En ja, blik ik terug, ik had mijn autootje toch maar keurig geparkeerd en ik ben ook zwierig achteruit weer van die plaats weg gereden. Uiterst ingenomen met mezelf denk ik ook nog terug aan de bochten die ik vandaag, eerst naar boven en daarna naar beneden, heel gezwind heb genomen. Nee, zijn indruk is heus niet verkeerd en ik geloof hem op slag: ik ben een vrouw die vlot kan rijden.

Terwijl P. en ik ´s avonds in de auto zitten, vertel ik hoe mijn dag is geweest. En dat ik een schoon compliment heb gekregen. Dat er misschien zelfs iets van waar is, babbel ik gezellig, want het laatste jaar is er niks meer gebeurd, toch? Hoofdschuddend kijkt P. me aan. ‘Gelijk gij het toch kunt uitleggen. Onderhand gaat ge nog beweren dat ge beter kunt rijden dan ik’, zegt hij, ‘terwijl ik nog nooit, enfin,  terwijl gij toch degene zijt, die …’

We komen thuis. Ik stap uit en mijn man rijdt achterwaarts de carport in. Dat is een secuur werkje, want het is er niet heel breed en er ligt een stapel hout achterin. Terwijl ik naar de achterdeur loop, weerklinkt een soort gekraak. Hier in de buurt hoor je nu ook eens altijd iets, denk ik geërgerd en loop naar binnen. Even later komt P. ook. ‘Wat was dat nu weer, daarjuist?’, vraag ik. ‘Mwaah, niks’, antwoordt hij en ontwijkt mijn blik, ‘ik heb alleen de houtstapel onder de carport opnieuw gesorteerd.’

Napoleonbollen en vreemde bedden

Wanneer wij in de zomer met de auto op vakantie gaan, speelt zich iedere keer opnieuw hetzelfde scenario af. De voorbereidingen verlopen meestal prima. De koffers staan de avond tevoren omzeggens klaar, de wasmand is leeg en mijn man komt goed gezind naar huis. Geld omwisselen hoeft niet meer. Wat een geluk dat wij de Euro hebben, zeggen we tegen elkaar, reizen binnen de Europese Unie is nogal wat simpeler geworden. We heffen het glas en klinken op een zorgeloze vakantie. Er eens even tussenuit, het heeft zijn charme, vinden we allebei.

De miserie begint in de auto, nadat ik me goed heb geïnstalleerd, de juiste CD heb ingeschoven en vergenoegd om me heen begin te kijken. Zoals ieder jaar schrik ik dan opeens van al die auto´s, allemaal tot aan de nok toe volgepakt, sommigen met een autokoffer boven op het dak, anderen met fietsen achterop. Ontzet bekijk ik al die caravans, bussen en mobilhomes. Allemaal rijden ze in dezelfde richting. Onze richting. Existentiële vragen komen op en laten zich niet terugdringen. Wat doe ik hier eigenlijk? Kijk toch eens, het lijkt wel een volksverhuizing. En daar zitten wij middenin. Vrijwillig. Waarom zijn we niet thuis gebleven? Zo fijn als het daar is. En daar kunnen we tenminste in ons eigen bed gaan liggen. God weet hoeveel mensen hebben al geslapen in die vreemde bedden waar wij naar toe gaan. Viezerds met voetschimmel. Mensen met diarree. En daar betálen wij ook nog voor. Nerveus grijp ik naar een Napoleonbol met citroensmaak. IJverig sabbelend vraag ik me af wat de perfecte vakantie zou zijn. Wat zoek ik eigenlijk en ga ik het wel vinden? Moet een mens nu echt op reis om zijn innerlijke rust te vinden? Waar zijn we met z´n allen toch mee bezig, dat we zo hoognodig ons eigen leven voor een paar weken willen ontvluchten? Ik bijt mijn Napoleonbol stuk. De scherpe kanten raken mijn wang en huig. Blaise Pascal, die ouwe filosoof, denk ik, hij had verdorie gelijk. Zei het al in de zeventiende eeuw, dat alle ellende begonnen is toen de mens niet meer thuis kon blijven.  De volgende keer hebben ze me zo niet meer, protesteer ik inwendig. Volgende zomer blijf ik thuis.

Mijn molentje draait zo twee dagen aan een stuk en er gaan heel wat Napoleonbollen aan op. Dan valt het stil. Ik begin te genieten, bouw misschien niet alle stress af, maar laad alleszins mijn batterijen op. Mentaal en fysiek afstand nemen is zo slecht nog niet.

Napoleonbol en geld

 

Kiezen aan de kassa

Samen naar de supermarkt gaan is iets wat mijn man en ik zelden doen, maar het kómt voor. Meestal op vakantie – wanneer het weer goed is en een picknick midden in de natuur heel aanlokkelijk lijkt maar ons plots invalt dat we geen eten of drinken bij hebben. Tussen haakjes, voor die picknick zitten we niet meer avontuurlijk op een dekentje of op de rand van de opengeslagen kofferbak van onze auto; nee nee, tegenwoordig nemen we keurig plaats in campingstoelen.

In de grote Franse supermarkt voelen we ons een beetje verloren. Na enige koerswijzigingen komen we gelukkig bij de baguettes terecht. Boter, kaas en fruit liggen in de buurt; aan water is er ook geen gebrek. De wijn laten we, ascetisch als we zijn, links liggen en eensgezind lopen we naar de kassa. En daar verandert mijn man in iemand die ik niet herken. Mijn hele getrouwde leven heb ik gedacht dat hij iemand is die een keuze maakt en dan pal achter zijn keuze gaat staan. Dat heeft hij met zijn werk gedaan, met mij en met de plaatsen waar we woonden. Maar bij die kassa weet hij me toch nog te verrassen. Hij snelt naar de rij die volgens hem het kortste is om daar te gaan aanschuiven. Ongeduldig ter plaatse trappelend ziet hij, denkt hij, dat de rij naast de onze veel sneller geholpen wordt en hij rolt onze inkoopwagen daar naartoe. Ondertussen houdt hij alle andere kassa´s scherp in het oog. Ineens schiet hij weer naar een andere rij. En ik, slaafs als een hondje, overal maar achter hem aan. Het is geen doen en het helpt ook niet. Omstandig begin ik uit te leggen hoe ik daarmee omga. Ge moet van te voren uw tijd nemen, zeg ik vermanend, voordat ge gaat aanschuiven moet ge goed kijken wat er allemaal op de band en in die wagens ligt, dan kiest ge een rij en ge gaat ervoor. Nooit veranderen. Het is eigenlijk gewoon gelijk ge tot nu toe hebt geleefd, voeg ik er bemoedigend aan toe. Kies. Kies en bemin dan uw keuze.

DSC_0147

Gefluister

Het was hoog tijd dat ik er een kocht. Want vanaf begin februari heb je, wanneer je Aken met de auto wil binnen rijden, een groen vignet nodig. Een paar dagen geleden ging ik dan ook naar een tankstation hier in de buurt. Daar belandde ik in een lange wachtrij. En ik moet zeggen, dat schept een band. Buiten, midden in de winter, staan aanschuiven zorgt ervoor dat je je onwaarschijnlijk snel verbonden voelt met alle wachtenden voor en achter je. Het weer alleen al is een dankbaar thema. Als je dan ook nog eens allemaal hetzelfde doel hebt, het bemachtigen van een groen vignet, kan de sfeer niet meer stuk.

De man voor me spreekt Duits. Hij zegt dat hij van Eupen komt en dat hij blij is dat het niet sneeuwt. En of ik weet hoeveel zo´n vignet kost? En hoe lang dat ding geldig is? Terwijl we verder naar voren schuiven, mengt de vrouw achter me zich in het gesprek. In het Frans. Ze woont in Verviers, vertelt ze. Zij spreekt over haar dochters, de man over zijn zonen en ik over mijn taal. Het wordt steeds leuker, daar met ons drietjes. Opeens, we zijn nog volop bezig onze vriendschapsband te verstevigen, gaat er gefluister door de rij. Alle ogen richten zich op een vrouw die na het tanken haar auto gewoon aan de tankzuil heeft laten staan en nu ook mee aanschuift. Haar wagen verspert de toegang tot twee andere zuilen maar ze lijkt zich van geen kwaad bewust. Na tien minuten, het gemor bereikt stilaan zijn hoogtepunt, komt de eigenaar van het tankstation naar buiten gevlogen. Wild zwaaiend vraagt hij van wie die Range Rover daar is. De vrouw kijkt voor zich uit, alsof ze met dit alles niets te maken heeft. Wanneer de omstaanders haar als de schuldige aanwijzen, kan ze niet anders dan de rij verlaten en haar auto verplaatsen. Met haar lange haren voor haar ogen sluit ze even later lijdzaam de rij. Weer begint het gefluister. Psst, och, misschien … ook niks aan doen, want kijk, blond …

IMG_0334

Bochtenwerk

Vorige week vroeg mijn jongste zoon hoe de nieuwe auto bevalt. Die vraag stelde hij niet aan mij, maar aan zijn vader. Ik was er niet eens bij. Nochtans ben ik de bestuurder van die wagen. Nu ja, ze weten hier allemaal dat ik niks met auto´s heb.

Mijn man vertelt me wat hij daarop geantwoord heeft. Dat ik vrijdags thuis gekomen was van het boodschappen doen en dat het overduidelijk was wat ik ervan vond. Dat ik na mijn eerste rit alleen de voordelen van mijn vorige auto had opgenoemd. Ik voel zijn teleurstelling. Oei, denk ik en laat mijn hoofd wat hangen, het is nog waar ook. Ik heb me toen wel heel lovend geuit over de vorige. En dat voor iemand die zich zogezegd niet voor auto´s interesseert. Tja, vervolgt hij verwijtend, moest ik soms verzwijgen dat gij denkt dat de afstand tussen het stuur en uw billen in die andere auto precies veel groter was. Dat ge daar veel gemakkelijker in geraakte, in één vloeiende beweging. Ge hebt het hier zelfs voorgedaan. Ik krimp ineen. Dat ge ook over de kofferbak heb geklaagd, heb ik gezegd, dat hij veel te klein is voor als ge boodschappen moet doen. Dat uw groene draagbak er nog in gaat maar dat er dan niet meer veel langs past. Alsof wij met ons tweeën nog zoveel nodig hebben. En dat ge vindt dat die auto teveel knopkes heeft. Beschuldigend steekt hij een vinger naar me uit. Awel, zegt hij, als gij vindt dat ge teveel knopkes hebt, dan laat ge ze gewoon gerust. Niks doen, alleen maar goed opletten en rijden. Overal afblijven en zorgen dat ge zonder ongelukken van A naar B geraakt. Daarvoor is dat ding tenslotte ook gekocht. Ai, vrees ik, gaat hij er nu toch nog over beginnen? Over dat ongeval in die bocht? Waarvan hij zelf verkondigt dat ik er echt niks aan kon doen? Apropos rijden, roep ik beverig enthousiast. Hij rijdt echt fijn. Soepel. Veel beter dan de vorige. Hij ligt ook veel vaster op de weg. Zelfs in de bochten.

Het duizelt mij

Ben ik blij dat ik al jaren een deugdelijk rijbewijs heb. Als ik nu nog een rijexamen zou moeten afleggen – ik weet niet of ik nog zou slagen. Het was vroeger al op het randje. Hoewel, daar ga ik best niet over uitweiden. Wat ik wel kwijt wil: de geruchten dat de examinatoren in die tijd zo streng waren dat ze je zelfs lieten zakken wanneer ze vonden dat je haar niet goed lag, kan ik niet bevestigen. Ik heb op mijn praktijkexamen heel wat stommiteiten mogen uithalen vooraleer ik moest terug draaien om een afspraak te gaan maken voor een volgende poging.

Een theoretische test over mijn kennis van verkeersborden en de verkeersreglementen zou ik, mits een paar uur studie, misschien nog met succes kunnen afleggen. Maar me in het verkeersgewoel storten om een examinator te bewijzen dat ik in staat ben een min of meer foutloos parcours af te leggen, nee, ik geloof nooit dat me dat nog zou lukken. Want soms duizelt het mij. Dan lijkt het alsof ik door een woud van louter verkeersborden rijd. Laatst heb ik eens geprobeerd alle borden te tellen die ik tegenkom op mijn weg van de stad terug naar huis, een autorit van zo´n acht kilometer. Het ging niet. Ik raakte pardoes de tel kwijt, zo snel volgden ze elkaar op. Ineens merkte ik zelfs allerlei borden op die ik voordien nooit had gezien. Verward reed ik verder. Stonden die daar al lang? Ja, eigenlijk moest het wel, zo nieuw zagen ze er nu ook weer niet uit. Je moest je schamen, dacht ik, al die informatie, allemaal voor jouw veiligheid, en jij rijdt daar zo achteloos aan voorbij. Al snel begon ik me te ergeren. Want hoe veilig is dat eigenlijk? Constant naar verkeersborden moeten kijken en steeds weer nieuwe aanwijzingen krijgen? Of ben ik soms de enige die daarvan in de war geraakt, vroeg ik me even later af. Is mijn geest niet meer flitsend genoeg? Een diepe treurnis overviel me. Toen doemde het volgende verkeersbord voor me op. Was ik nu echt aan het duizelen? Of liet het gewoon zijn hoofd wat hangen?

IMGP0001

Hello!

Adele. Dat is nu eens een vrouw naar mijn hart. Drie jaar geleden heeft ze de titelsong van Skyfall, een James Bond film, geschreven en gezongen. Maar op de filmpremière was ze toen de grote afwezige. Ze kwam niet omdat ze liever bij haar pasgeboren zoontje bleef. Simple as that, liet ze weten. Prachtig vond ik dat. Achteraf vond ik het wel jammer voor haar dat ze Charles en Camilla niet had kunnen ontmoeten. Camilla was in blauw fluweel. De foto stond op het internet. Ik vermoed dat ze rap, rap naar binnen was gelopen na een wandeling met de honden en dat haar avondjurk nog niet klaar lag. Geen tijd meer en dan maar het dekkleed van haar beste paard over het hoofd getrokken. Koninklijke kleur, dat blauw, dat wel, en voor de opera had het misschien nog gekund. Maar voor een filmpremière, ik weet niet.

Adele dus. Ze blijft maar voor verrassingen zorgen. Drie jaar lang is het stil geweest. En ineens, zonder boe of bah, stond vorige week haar nieuwe single online. Ondertussen is haar videoclip al meer dan 86 miljoen keren aangeklikt.

Ik hoorde het liedje voor het eerst vorige zaterdag in de auto. We waren al een paar uur aan het rijden; mijn man zat achter het stuur en ik hing in de stoel ernaast. Hello, it´s me klonk het weemoedig ergens in de verte. Ik was half in slaap gesukkeld en schoot meteen recht. Want hoor je idool maar eens zingen: hallo, hier ben ik. Na drie jaar stilte. En het ging nog verder: ik vroeg me af of je me na al die jaren nog zou willen ontmoeten? Natuurlijk, wou ik roepen, Adele, hoe meer van jou, hoe liever. Maar in de auto staat dat toch wat raar. Bovendien viel me opeens iets te binnen, Lionel Richie, die heeft ook een liedje dat begint met Hello. Ik raakte in de war. Want was het nou Adele wel? Of toch Lionel Richie? Of had ze hem gecoverd? God, nee toch? Tot ze uithaalde voor het refrein. Toen was er geen twijfel meer mogelijk. Adele is terug.

Als je de videoclip nog niet gezien hebt, klik dan hier.

Janneke

Voor alle mensen die het wél hebben gedaan: ik hoop dat het de moeite waard was. En ik geef het hier meteen toe: ik ben er niet voor opgestaan. Mijn lekker warme bed verlaten voor de superbloedmaan, ik heb het niet eens overwógen. Dat het nog tot 2029 gaat duren vooraleer we dit natuurverschijnsel weer eens kunnen aanschouwen, heeft me er niet van kunnen overtuigen mijn slaap er ook maar een seconde voor te laten. Allez zeg, in het holst van de nacht opstaan en een beetje naar een rode maan gaan zitten kijken. Of ze nu verduisterd is, wit of rood, het is toch gewoon de natuur. Ik zou mezelf voor gek hebben verklaard als ik daarvoor mijn wekker had gezet. Die zou gegarandeerd zijn afgelopen net wanneer ik voor de vierde keer was ingeslapen. Nee, bedankt hoor.

In vroeger tijden, toen de maan nog Janneke heette en ik als klein meisje op de achterbank van onze auto vanuit het raampje naar buiten keek terwijl we ´s avonds na een bezoek naar huis reden, ja, toen deed de maan me nog wat. Ze was er ook altijd. Of we nu een bocht naar rechts namen of naar links, vroeg of laat dook ze weer op. En later, toen ik ouder was en vanop mijn bed door de open gordijnen naar de donkere hemel lag te staren – nog lang nadat ik onder de lantaarnpaal smachtend afscheid had genomen van mijn lief – lachte ze soms heel begripvol naar mij. Bleekjes, maar toch. Ach, toen bracht ze nog soelaas.

Sinds onze kinderen het huis uit zijn, zie ik nog weinig reden om ´s nachts op te staan. Alleen een dringende plas of het gerinkel van de telefoon kan me nog het bed uit jagen. Want aanhoudend gerinkel in het midden van de nacht kan maar twee dingen betekenen: er is iemand geboren of er is iemand dood. En dan vlíeg ik de slaapkamer uit. Ook al is het gewoon de natuur.

Op de waterfiets

Houden de Nederlanders niet meer van hun taal? Want waar wij, Vlamingen, over de Ronde van Frankrijk spreken, hebben zij het over de Tour de France. En de start in Utrecht noemen ze Le Grand Départ. Tenminste, dat is wat ik op de radio hoor terwijl we met de auto naar Amsterdam rijden. Ik ga er naar een studiedag en mijn man wil de World Press Photo tentoonstelling bezoeken.

De tentoonstelling is erg confronterend en de vader van mijn zonen is diep onder de indruk. “Al die ellende overal – daarbij zinkt alles waar wij over klagen en zagen toch volledig in het niet”, zegt hij stil wanneer hij me ´s avonds afhaalt. Even later leeft hij op. “Gelukkig heb ik nadien nog wat kunnen lachen.” Hij klapt zijn gsm open en toont me een foto van een groep naakte fietsers die aan een coffeeshop voorbij rijden.

Ik kijk naar de foto en denk spontaan aan De Tango van het blote kontje van Toon Hermans. Aan de blote piemel op de waterfiets. Waarom weet ik niet. Is het de associatie van Nederland met water en met fietsen? Het liedje staat op een muziekcassette die jaren geleden in onze auto lag en alleen werd opgezet wanneer we een lange rit voor de boeg hadden. De kinderen wachtten dan in vrolijke spanning af tot ze Toon hoorden en begonnen steevast luidkeels mee te zingen. Want kont en piemel waren woorden die wij niet bezigden maar in de kleuterklas en de lagere school een hoge populariteit genoten. Dat ze die nu zomaar hardop konden zeggen waar wij bij waren! En dat we er ook nog mee konden lachen! De pret kon niet op en ze kregen er nooit genoeg van. Ik ook niet. Nog altijd geniet ik van ‘die dozen van Pandora’ en van ‘die trieste billen die in het water staan, zo van waarom komt hier nu nooit eens iemand aan’. Zoveel hoop en teleurstelling in één liedje. Altijd weer die combinatie van een lach en een traan. Ik houd van dat spel met taal. Ons aller Nederlandse taal.

4 juli A´dam

Boterham met ei

vakantie

Mijn ouders zijn nooit met ons op vakantie geweest. Gek eigenlijk, mijn vader was leraar en had heel juli en augustus vrij. Of misschien was het juist daarom. Hij moest er niet hoognodig eens even tussenuit. Mijn moeder had ook geen behoefte aan op vakantie gaan. Een hotel voor het hele gezin konden of wilden ze zich niet veroorloven en een woning huren was maar een verplaatsen van het huishouden. Een caravan of mobilhome kwam al helemaal niet in vraag. Trouwens, het was toch nergens zo goed als in Lommel. Wél maakten we af en toe een daguitstap. Bij voorkeur naar de Ardennen.

We vertrokken altijd op een gezond, normaal uur. Het was tenslotte vakantie. Terwijl wij aan tafel zaten te ruziën over wie van ons dit keer in het midden moest gaan zitten, maakte mijn moeder de picknick klaar. Sandwiches met kaas of gekookte hesp en grijze boterhammen met gebakken ei. Een fles limonade en koekjes. Natte washandjes, een keukenhanddoek. Alles verdween in een grote tas; wij, drie meisjes, gingen braaf achter in de Saab zitten en we vertrokken. In mijn herinnering zat ik altijd met mijn hoofd tegen het zijraampje stilletjes naar de lucht kijken. Aan elkaars haren trekken deden we nooit.

Soms hadden we een echt doel, zoals de Grotten van Han. Bij aankomst rolden we één voor één uit de auto en aten onze broodjes bij het open kofferdeksel van de auto. Thuis kregen we het niet in ons hoofd boterhammen met koud, gebakken ei te eten, maar op verplaatsing waren ze altijd even lekker. Van die grotten weet ik niet meer veel.

Soms vertrokken we op goed geluk – op zoek naar een leuk plekje om gezellig te gaan picknicken. Zelden hebben we zo´n plekje gevonden. Toch niet in de Ardennen. Meestal moest de picknick wachten tot laat in de namiddag, tot we weer bijna thuis waren. Dan stopten we in Kattenbos en legden een groen, geruit deken op het zwarte zand. Dan snoof ik de vertrouwde geur van dennennaalden, at mijn boterham met gebakken ei en dacht: het is nergens zo goed als in Lommel.