Banger hart

Wanneer ik enthousiast reageer op een lied durft mijn man me wel eens te vragen of ik ook weet waarover het gaat. Dat bedoelt hij niet ironisch – de tekst interesseert hem oprecht. Ik heb hem al meer dan eens met een woordenboek betrapt terwijl hij naar Mark Knöpfler zit te luisteren.

Niettemin word ik altijd kregelig van die vraag. Want het is niet leuk te moeten bekennen dat ik er meestal geen jota van begrijp. Ermee geconfronteerd worden dat ik iets mooi vind en ervan geniet, soms zelfs heel hard meezing met woorden die heel anders zijn bedoeld dan ik ze interpreteer, is helemaal niet fijn.

Daarom durf ik ook nooit goed te antwoorden op de vraag van welke muziek ik houd. Mensen oordelen zo snel. Wat als ik bijvoorbeeld zeg dat ik Two out of three van Meatloaf zo graag hoor en compleet uit de bol ga bij Banger hart van Rob de Nijs? Laat ik hen dan vermoeden dat het helemaal fout zit in mijn relatie? En wat als ik spreek over mijn weemoed bij The ghosts that we knew van Mumford and Sons en Gone fishing van Chris Rea? Of bij Love of my life van Queen en Je tʼ aime avec ma peau van Mireille Mathieu? Denken ze dan dat ik alle nachten lig te huilen?

Niemand hoeft te weten dat ik meestal genoeg heb aan één zin en een paar noten muziek om helemaal van de wereld te zijn. Dat mijn gedachten vrijwel meteen op hol slaan en ik meestal na een paar regels al geen tekst meer hoor. Evenmin voel ik de behoefte te vertellen dat muziek me heel snel in een bepaalde stemming brengt maar dat ik zelden iets wil horen omdat ik in een bepaalde stemming bén.

Ook de vraag wat ze op mijn begrafenis moeten spelen vind ik een moeilijke. Om mezelf niet te schande te maken zal het vermoedelijk iets worden zónder tekst. Want stel je voor dat ik de verkeerde woorden kies. Het Adagio uit het Klarinetconcert in A Majeur, KV 622 van Mozart misschien. Heel veel kans dat ik daarvan in de juiste stemming geraak.