Wintervest en lentemodus

3EE9B8F5-C901-496A-A01F-8EE97AAB163E

Al sinds meer dan een week gaat het grootste gedeelte van mijn vrijgekomen tijd naar het afschuimen van Duitse, Belgische en Nederlandse nieuwssites. Wij wonen in België, dichtbij het Drielandenpunt in Vaals, en werken in Duitsland, vandaar. De stapel ongelezen boeken daarentegen blijft onaangeroerd. In de gegeven omstandigheden kan ik me niet concentreren op het lezen van literatuur.
Omdat ik wel inzag dat het constant volgen van het nieuws mezelf niet bepaald vooruithelpt, nam ik het breiwerk dat ik een paar maanden geleden opzette, weer ter hand. Ik moet toegeven, de opmerking die mijn man maakte, speelde ook mee. Vorige woensdagavond stond hij aan het raam naar buiten te kijken en zei dat hij zich verheugde op zijn wintervestje. Met de nadruk op winter. Vrijwel meteen daarna vroeg hij of ik al had gezien dat de tuin langzaam in lentemodus kwam.
Gezwind breide ik de rug verder af. De voorste delen, met minderingen voor de V-hals, de armsgaten en de schouders, en ja, ook twee binnenzakjes, waren iets moeilijker. Maar ik breide met naald nummer vijf en de drie delen raakten toch snel klaar. Wonder boven wonder stemden de maten van het vestje overeen met die van het patroon, en nog wonderbaarlijker, ook met die van mijn man. En daar werd ik ontzettend blij van. Iets creëren is zó fijn.
Bij het in elkaar zetten van het vest voorzag ik geen moeilijkheden. Ik moest immers al geen mouwen innaaien. Want mijn man, die onder mijn deskundige leiding het patroon zelf heeft mogen kiezen, liet zijn oog vallen op een mouwloos vest. Toch heeft het me nog twee halve dagen gekost om mijn breisel in elkaar te zetten. Twee lange namiddagen voor twee zijnaden, een halsboord en twee schoudernaden. Ik durf het tegen niemand te vertellen.
Nu ontbreken alleen de knopen nog. Vijf grijsbruine knopen met een doorsnede van twee centimeter, zegt het patroon. Ik zal ze bij een webshop moeten bestellen…

Meerderen en minderen

Voor haken en breien ben ik niet in de wieg gelegd. Mijn eerste pogingen om het onder de knie te krijgen herinner ik me dan ook nog goed. Zo moesten we in het eerste studiejaar een lange ketting haken. Meester Claes waagde zich niet zelf aan het vak handwerken en stuurde ons daarvoor naar de juffrouw van de laatste kleuterklas. Die juffrouw was mijn tante en ik kan me nog levendig voor de geest halen hoe ze mij bijna wanhopig uitlegde wat ik moest doen. Ze is zelfs thuis bijles komen geven. De schande was te groot: een nichtje dat geen losse steken kon haken. Eén van de volgende projecten was babysokjes breien. Schattige sokjes met van boven een stukje ribbelsteek en daarin gaatjes voor het lintje waarmee je ze dan kon dichtbinden. Geen snars begreep ik van die gaatjes. Gelukkig had ik nog twee oma´s. De ene heeft toen het linkersokje gebreid en de andere het rechter. Daarna kwam de babybroek. Die heb ik zelf gebreid. Ze viel wat groot uit omdat ik niet in de juiste rijen had gemeerderd of geminderd, maar dat vond ik niet zo erg. Erger was dat het spierwitte katoen onder mijn kinderhanden en zweetoksels grauw en geel geworden was. De broek was niet meer wit te wassen. Zoiets vies en vuils ging ik mijn kindje later nooit kunnen aandoen en ach, wat heb ik daar toen bitter om gehuild.

Na de lagere school besloot ik geen brei- of haaknaald meer aan te raken. Tot ik afstudeerde en geen werk vond. Bij wijze van bezigheidstherapie, of was het traumaverwerking, stapte ik naar de breiwinkel en kocht garen voor een wit katoenen topje. Mijn topje had onverwacht succes en ik begon aan een trui. Ik breide een korenblauw vest en nog een tweede trui. De naalden tikten ijverig, ook in tijden dat breien uit de mode was. Na een operatie aan mijn rechterpols een paar jaar geleden heb ik mijn breimand aan de kant gezet. Tot vandaag. Want vandaag ga ik een proeflapje breien. En daarna begin ik aan een vestje. Een schattig, piepklein vestje.

IMG_0339