Frauenfrühstück

Met zeven Duitse dames zit ik bij S. thuis aan het ontbijt. Ik ken hen van haar vorige verjaardagen. Het zijn niet de mensen die ik zelf zou uitzoeken maar ik probeer er het beste van te maken en wijd me volledig aan wat me bij dit soort gelegenheden het beste ligt: luisteren.

Met verve vertelt de vrouw rechts van mij over het ongeval dat ze de vorige dag heeft gehad. Opmerkingen vliegen over en weer en iedereen is het er roerend over eens: verzekeringsmaatschappijen proberen overal onderuit te komen en politiemensen zijn te lomp om te helpen donderen. Voorbeelden te over, hoor ik, het ene al schrijnender dan het andere.
Als vanzelf komen ze op artsen. Artsen zijn geldgeile machtswellustelingen die niet kunnen communiceren, vinden ze.  Vooral de klassiek geschoolden. Ik zeg niets.
Even later moeten de politici eraan geloven. Hun beleid en hun pensioenen. Ik denk aan Karel de Gucht maar zwijg. Wat ze hier op tafel gooien is al erg genoeg.
Rond een uur of elf zijn ze bij de ziektes aanbeland. De vrouw tegenover mij heeft al drie knieprothesen gehad en is hard op weg naar de vierde. Dit keer staan haar na de operatie zes tot acht weken rolstoel te wachten, zegt ze terwijl ze door haar randloze bril vergenoegd van de een naar de ander kijkt. Ik krijg medelijden met haar man en kinderen.
Daarna komt het gesprek op inentingen – vaste prik in deze ronde. Wat daarvan de gevolgen kunnen zijn! Motorische en mentale achterstand, spraakgebreken, chronisch vermoeidheidssyndroom, onvruchtbaarheid! De gemoederen verhitten en wanneer er gezegd wordt dat iedereen het maar voor zich moet weten, wordt het me teveel. Ik vind het helemaal geen zaak van ieder voor zich, zeg ik luid. Ziektes als polio en mazelen kunnen alleen worden uitgeroeid wanneer meer dan negentig procent van de bevolking zich laat inenten. En dat zij die zich niet laten inenten gemakkelijk praten hebben; dat ze erop rekenen dat anderen het wél hebben gedaan. Ik haal de klassieke geneeskunde erbij en in mijn bevlogenheid overweeg ik de verzekeringen, de politie en de politiek er ook nog bij te sleuren. Ik doe het niet. Er zijn grenzen. Aan mijn welbespraaktheid en mijn Duits.

Advertenties

Gefluister

Het was hoog tijd dat ik er een kocht. Want vanaf begin februari heb je, wanneer je Aken met de auto wil binnen rijden, een groen vignet nodig. Een paar dagen geleden ging ik dan ook naar een tankstation hier in de buurt. Daar belandde ik in een lange wachtrij. En ik moet zeggen, dat schept een band. Buiten, midden in de winter, staan aanschuiven zorgt ervoor dat je je onwaarschijnlijk snel verbonden voelt met alle wachtenden voor en achter je. Het weer alleen al is een dankbaar thema. Als je dan ook nog eens allemaal hetzelfde doel hebt, het bemachtigen van een groen vignet, kan de sfeer niet meer stuk.

De man voor me spreekt Duits. Hij zegt dat hij van Eupen komt en dat hij blij is dat het niet sneeuwt. En of ik weet hoeveel zo´n vignet kost? En hoe lang dat ding geldig is? Terwijl we verder naar voren schuiven, mengt de vrouw achter me zich in het gesprek. In het Frans. Ze woont in Verviers, vertelt ze. Zij spreekt over haar dochters, de man over zijn zonen en ik over mijn taal. Het wordt steeds leuker, daar met ons drietjes. Opeens, we zijn nog volop bezig onze vriendschapsband te verstevigen, gaat er gefluister door de rij. Alle ogen richten zich op een vrouw die na het tanken haar auto gewoon aan de tankzuil heeft laten staan en nu ook mee aanschuift. Haar wagen verspert de toegang tot twee andere zuilen maar ze lijkt zich van geen kwaad bewust. Na tien minuten, het gemor bereikt stilaan zijn hoogtepunt, komt de eigenaar van het tankstation naar buiten gevlogen. Wild zwaaiend vraagt hij van wie die Range Rover daar is. De vrouw kijkt voor zich uit, alsof ze met dit alles niets te maken heeft. Wanneer de omstaanders haar als de schuldige aanwijzen, kan ze niet anders dan de rij verlaten en haar auto verplaatsen. Met haar lange haren voor haar ogen sluit ze even later lijdzaam de rij. Weer begint het gefluister. Psst, och, misschien … ook niks aan doen, want kijk, blond …

IMG_0334

Huppelpas

Van Dale

De wijnen die ik graag drink heten Chardonnay en Tempranillo. Dat heeft mijn man me laatst verteld en hij kan het weten. En daarom heb ik, toen ik ergens Tempranillo zag staan, en procenten, via het internet een bestelling geplaatst. De nieuwe Van Dale heb ik ook online besteld. Naar het schijnt wordt dat nog een collector´s item.

Ik kom thuis en vind een briefje van een verzendfirma. Ze hebben iets afgeleverd bij onze nieuwe buren en in huppelpas vertrek ik naar hiernaast. Joepie, denk ik, zo rap, lang leve internet!
Ja, ze heeft iets aangenomen, vertelt mijn Duitse buurvrouw als ik aanbel. “Ik trek vlug mijn jas aan, dan … ”
“Ha”, onderbreek ik haar verheugd, “dat zal mijn Dikke Van Dale zijn. Pas gisteren besteld en kijk eens, nu al hier!”
Ze kijkt me bevreemd aan. “Het zijn wel twee pakketten”, zegt ze voorzichtig. “En ze zijn zwaar. Zal ik helpen dragen?”
“Tja”, antwoord ik vrolijk, “dan zullen ze hem over die twee pakketten verspreid hebben, zeker. Die Van Dale heet niet voor niets de dikke, hé.” Ik knipoog nog net niet. “Wil je ze misschien bovenop elkaar in mijn armen leggen, dan kan ik het verder wel alleen. Ik hoef er toch niet ver mee te lopen.” Typisch, denk ik terwijl ik mijn armen uitstrek, die Duitsers ook,  kennen nu toch geen van allen hun talen. Beseffen niet hoe rijk onze Nederlandse woordenschat wel is en hoe dik daarom ons woordenboek.

Ze staat er wat bedremmeld bij en kijkt me indringend aan. Of ik echt geen hulp nodig heb. “Maar nee”, stel ik haar gerust en draai me zwierig om. “Dankjewel” roep ik nog over mijn schouder en langs de straat strompel ik terug naar huis. Want het is toch zwaarder dan ik dacht. Hijgend zet ik de pakketten op de keukentafel, hang mijn jas over een stoel en verschiet me een ongeluk. Er staan afbeeldingen van flessen op de verpakking. Daar kun je echt niet naast kijken en dat heeft mijn nieuwe buurvrouw vast ook niet gedaan.

Ik durf niet te denken aan wat zij moet hebben gedacht.

Vreemde talen

Is het niet verschrikkelijk, zucht een Duitse kennis terwijl we aan de rand hangen van het zwembad in het Preuswald, een woongebied in Aken. Rijd ik met de bus naar het centrum van Aken en, je gelóóft het niet, voor me zitten twee vrouwen in het Roemeens met elkaar te babbelen. Waarom spreken die geen Duits? Die vreemde talen overal! Hoe kan ik nu weten waar ze het over hebben? Misschien lachen ze mij wel uit. Het is ronduit onbeleefd, ergert ze zich. Als iemand in een Duitse bus wil zitten, dan moet ie maar Duits spreken.
Blijkbaar is ze vergeten dat ik een buitenlandse ben. Of zijn Belgen in Duitsland geen buitenlanders en Bulgaren en Roemenen wel?
Ach zo, geef ik haar mee, dus als ik met mijn Vlaamse buurvrouw in de bus naar Aken zit, dan moeten wij Duits spreken met elkaar? Zodat jij kunt verstaan wat wij zeggen? Wij zijn gewoon blij als we onze moedertaal kunnen gebruiken, soms spreekt dat net iets makkelijker. Als jij met een Duitse vriendin op de trein zit naar Maastricht, spreek je dan ook Nederlands? Ze haalt eens diep adem en zwemt met op elkaar geklemde kaken weg.

Als je een land goed genoeg vindt om er te wonen en te werken, dan is het eerste wat je moet doen je de voertaal eigen maken. En dit zo goed mogelijk. Maar kinderen het verbod opleggen hun moedertaal te spreken wanneer ze op de speelplaats een landgenootje zien, dat gaat te ver. Het zegt meer iets over het wantrouwen van degenen die dat zo willen dan over de niet-bereidheid van buitenlanders een andere taal te leren.
Taal heeft met gevoel te maken en vaak kan je jezelf beter uitdrukken in je moedertaal. Zeker wanneer je tijdens de pauze als Bulgaars jongetje dat wat je hebt geleerd op je Vlaamse school nog eens wil uitleggen aan je Bulgaars vriendje. Je moedertaal leg je niet af alsof het een jas is. Dat Zuhal Demir en Peter De Roover, beiden van de N-VA en kandidaat voor de Kamer, in dit verband spreken over “kiezen voor apartheid” (DS 11 april) vind ik dan ook totaal misplaatst.

Onbetaalbare stilte

Zie mij hier nu liggen. De hele zaal ruikt naar opgedroogd zweet en niet-gelucht-zijn. Naar bokken en paarden en Zweedse banken. Niet bepaald een oord van ontspanning. En daar lig ik dan: op een vieze, blauwe mat in Aken, op zoek naar mezelf. Nog een geluk dat ik mijn eigen badhanddoek heb meegebracht.

Na drie kwartier power-yoga maken we ons klaar voor een fantasiereis. We drukken onze rug plat tegen de mat, sluiten gewillig onze ogen en laten onze voeten lichtjes uit elkaar vallen. Onze handen rusten discreet op de buik, want de buik is de bron van alle energie. In de verte klinkt muziek van klankschalen en met een kunstmatig lome stem verlangt de yogaleraar dat we onze ledematen één voor één ontspannen. Zo jong nog, moet die deze hoop vrouwen hun innerlijke rust teruggeven? Als dat maar lukt. Beetje buitenlands type, donkere huid en donkere ogen. Een getraind lichaam in een nauwaansluitende, witte joggingbroek. Niet onaantrekkelijk, alhoewel, die heupen zijn misschien íetsje te breed naar mijn smaak.
Van onder naar boven, of was het nu van buiten naar binnen? Ik kan niet meer volgen, zijn we al bij de schouders of nog bij de benen? Wordt dit een groepsgebeuren en moet ik in het Duits meereizen of is het individueel en mag het in het Nederlands? Ik piep eens naar links en naar rechts. Niemand beweegt. Ik knijp mijn ogen weer dicht en besluit in mijn moedertaal te gaan relaxen. Water vind ik goed passen bij het Nederlands, bergen verbind ik meer met het Duits. De Atlantische oceaan dan maar.
Elegant spring ik over en door de golven en krachtig crawl ik in mijn mooiste badpak door het blauwgroene water. Niets heerlijker dan dit. Boven me zie ik een eindeloze, stralend blauwe hemel. Gedragen door het zoute water zwem ik even rustig schoolslag, ik kijk wat om me heen en geniet van de vrijheid. Niemand anders in de buurt en vooral: geen geluid. Onbetaalbaar, zo´n stilte.

Een luide snurk laat me opschrikken uit mijn mooie droom. Ik wil naar huis. Groepsreizen liggen me uiteindelijk toch niet zo.