Tsunami

De Olympsiche Spelen hebben iets magisch. Vooral voordat ze begonnen zijn. Iedere keer neem ik me voor toch zeker het zwemmen en atletiek te gaan volgen. Als het kan ook het schoonspringen, turnen en judo. Weer op de hoogte zijn van de beste tijden en de nieuwste technieken, al die prachtige lichamen kunnen bewonderen, mogen genieten van gebalde competitiedrang en saamhorigheid, het wordt gewoon een feest, denk ik dan.

Ze zijn nu een paar dagen bezig, de Spelen in Rio, en menig uur heb ik al voor de televisie doorgebracht. Jammer genoeg kan ik er tot nu toe niet veel van navertellen. Blijkbaar ben ik ondertussen zo op rampspoed geconditioneerd dat ik alleen nog weet dat het been van de Franse turner Samir Ait Said na een oefensprong in een wel heel akelige hoek stond, dat de Nederlandse wielrenster Annemiek Van Vleuten zo zwaar ten val kwam dat ze voor dood bleef liggen, en dat de Belgische Karine Donckers tijdens de cross-country van haar paard duikelde. De naam van dat paard klonk heel exclusief. Ik dacht nog, da´s een mooie om zo eens in een gesprek te laten vallen. Toch ben ik hem weer vergeten. Ik erger me teveel en ergernis is niet goed. Je verliest dan andere, belangrijkere dingen uit het oog. Maar ik kan er niks aan doen. Die tsunami aan woorden die wij als kijker en toehoorder over ons heen moeten laten gaan, begint me echt de keel uit te hangen. En waarom moeten ze tegenwoordig met z´n tweeën verslag uitbrengen? Het commentaar wordt er voor mijn part niet beter van. Zijn de televisiemakers zo bang voor stiltes? Ik zou het echt niet erg vinden, wanneer er wat meer gezwegen werd bij sport op televisie. Dat geleuter en geteuter is soms niet te harden. De gouden medaille van Greg van Avermaet (heb ik blijkbaar toch ook onthouden en oh ja, Dirk van Tichelt won brons!) heeft van zijn glans verloren, alleen al omdat de commentatoren de tijd tussen zijn overwinning en het uitreiken van de medaille moesten of wilden volpraten.  Ze hadden beter wat meer mooie natuurbeelden laten zien. Met op de achtergrond een diepe, eerbiedige stilte.

Advertenties

Feest in de tent

Al meer dan een uur zit ik hier aan mijn bureau te prullen. Op de achtergrond klinkt muziek van Mark Knöpfler. Maar het helpt niet, ik geraak maar niet in schwung. Mijn papieren heb ik al drie keer van links naar rechts en weer terug geschoven. In een halfslachtige poging wat te werken heb ik mijn laptop tien centimeter meer naar voren getrokken. Alle reclame balpennen die hier rondslingeren heb ik uitvoerig getest en mijn potlood is geslepen.
Ik verstuur nog een bericht naar de kinderen en ondertussen luister ik met een half oor naar wat er buiten aan de gang is. Want het is druk bij onze buren en ik wil op tijd weten of er vanavond gaat gefeest worden of niet. Ze hebben in hun tuin namelijk twee partytenten opgezet. Twee! En ik weet van niets! Inwendig borrelt het als een vulkaan. Ze kunnen ons toch op zijn minst eens komen vertellen wanneer het lawaai hier gaat losbarsten, denk ik verontwaardigd. Dat jong volk heeft ook geen manieren meer. Snappen die dan niet dat je, als je weet waar je aan toe bent, je daar ook op kunt voorbereiden. Door weg te gaan bijvoorbeeld. Of zelf lawaai te maken, zoals Simon Vestdijk. Ik heb ooit eens gelezen dat die alleen maar kon schrijven wanneer de stofzuiger langs hem stond te loeien. Zie, daar kan ik me nu eens perfect in vinden. Ik zet de radio vaak oerend hard, gewoon om de geluiden buiten niet te horen.

De bel gaat. Er staat een jong koppel aan de deur. De buren. Of ik al gezien heb dat ze twee partytenten hebben opgesteld? Ja? Dan zal ik al wel gedacht hebben dat ze iets te vieren hebben, zeker?
“Ja,” vertelt de jongeman me fier, “we trouwen morgen. En we willen ons nu al verontschuldigen voor al het lawaai dat op jullie af gaat komen.” Onder de welwillende blik van zijn toekomstige overhandigt hij me een fles rode wijn. “Ach,” roep ik verheugd, “van harte geluk gewenst! Dat was toch helemaal niet nodig geweest! Bovendien, morgen zijn we niet thuis!” Ik straal en grijp de fles al vast.