Kanariepiet

Nog heel duidelijk herinner ik me de dag dat ik als twaalfjarige voor het eerst naar mijn nieuwe school fietste – naar Mater Dei in Overpelt.
De fiets had ik in mei van datzelfde jaar voor mijn Plechtige Communie gekregen. Hij was grijs en had handremmen. Geen terugtraprem meer, maar échte remmen, en de bel rinkelde helder en gedistingeerd. Vier maanden lang stond hij veilig en wel in de garage. Dat hoorde toen nog bij de opvoeding: eerst wachten om iets te krijgen en daarna wachten om het te mogen gebruiken.
Mijn jas hadden mijn moeder en ik in Hasselt gekocht. Hij was geel. Kanariepietengeel. In Hasselt vond ik hem heel mooi. Hij had brede revers, was een beetje getailleerd, en kwam tot net boven mijn knieën. Het met opzet verkreukelde imitatieleer blonk als een spiegel en de grote knopen waren rond en zwart.
Mijn vader vond de jas heel geschikt. Zo veilig, zei hij. Ik zou goed opvallen in het verkeer. Dagelijks twaalf kilometer op de fiets, zes heen en zes terug, met zo´n jas kon me echt niks meer gebeuren.
Ik was dus heel gelukkig met mijn jas. Tot ik op de eerste schooldag naar mijn nieuwe school fietste. Al in onze straat had ik het gevoel dat alle mensen naar me keken en daar werd ik, zenuwachtig als ik al was, niet rustiger van. De jas voelde ook wat stijf aan, niet echt om soepel in te bewegen. Maar mijn fiets liep tenminste lekker en ik trapte dapper verder. Over het kruispunt in de Barrier, langs Overpelt-fabriek en via de Houtmolen naar Overpelt-centrum.  Toen ik het schoolplein opstapte, raakte ik helemaal overstuur. Ineens voelde ik me als een kanariepiet in de mijn. Stokstijf bleef ik staan en verwachtte ieder moment dood te zullen gaan.

Ik was maar wat blij met de schort die we allemaal vanaf de eerste dag moesten dragen. Hij was van synthetisch materiaal, had lange mouwen en moest van voren worden dicht geknoopt. De kleur was afschuwelijk – vies olijfgroen. Anders als de meeste meisjes van mijn school heb ik hem nooit gehaat. Ik voelde me veilig in die schort. Heel wat veiliger dan in mijn gele jas.

 

Advertenties

Op de waterfiets

Houden de Nederlanders niet meer van hun taal? Want waar wij, Vlamingen, over de Ronde van Frankrijk spreken, hebben zij het over de Tour de France. En de start in Utrecht noemen ze Le Grand Départ. Tenminste, dat is wat ik op de radio hoor terwijl we met de auto naar Amsterdam rijden. Ik ga er naar een studiedag en mijn man wil de World Press Photo tentoonstelling bezoeken.

De tentoonstelling is erg confronterend en de vader van mijn zonen is diep onder de indruk. “Al die ellende overal – daarbij zinkt alles waar wij over klagen en zagen toch volledig in het niet”, zegt hij stil wanneer hij me ´s avonds afhaalt. Even later leeft hij op. “Gelukkig heb ik nadien nog wat kunnen lachen.” Hij klapt zijn gsm open en toont me een foto van een groep naakte fietsers die aan een coffeeshop voorbij rijden.

Ik kijk naar de foto en denk spontaan aan De Tango van het blote kontje van Toon Hermans. Aan de blote piemel op de waterfiets. Waarom weet ik niet. Is het de associatie van Nederland met water en met fietsen? Het liedje staat op een muziekcassette die jaren geleden in onze auto lag en alleen werd opgezet wanneer we een lange rit voor de boeg hadden. De kinderen wachtten dan in vrolijke spanning af tot ze Toon hoorden en begonnen steevast luidkeels mee te zingen. Want kont en piemel waren woorden die wij niet bezigden maar in de kleuterklas en de lagere school een hoge populariteit genoten. Dat ze die nu zomaar hardop konden zeggen waar wij bij waren! En dat we er ook nog mee konden lachen! De pret kon niet op en ze kregen er nooit genoeg van. Ik ook niet. Nog altijd geniet ik van ‘die dozen van Pandora’ en van ‘die trieste billen die in het water staan, zo van waarom komt hier nu nooit eens iemand aan’. Zoveel hoop en teleurstelling in één liedje. Altijd weer die combinatie van een lach en een traan. Ik houd van dat spel met taal. Ons aller Nederlandse taal.

4 juli A´dam