Fitness

(variatie op een oud stokpaardje)

Ik ben best sportief. Altijd geweest, eigenlijk. Toch in de zin van ‘met plezier lichamelijke activiteit beoefenen’. Als tiener deed ik mee aan zwemwedstrijden en op school was ik één van de besten in het lange afstandslopen. Ik deed ook graag grondoefeningen. Toestelturnen was dan weer minder mijn ding. Aan een rek hangen durfde ik nog, maar over een paard of een bok springen was net iets teveel gevraagd. Dat de gymleraar me daarbij maar al te graag een ruggensteuntje gaf, hielp niet echt. Ik wist nooit zeker waarnaar hij grabbelde. Bovendien haatte ik het pakje dat we in de turnles moesten dragen: een donkerblauwe, sponzen onesie met korte mouwen en nog kortere broekspijpen. Zwemmen doe ik nog altijd graag, maar omdat ik allergisch reageer op water (lach niet, het bestaat wel degelijk) komt het er nog zelden van en ga ik liever wandelen. Dit alles om aan te tonen dat ik niets tegen wat beweging heb. Daarom maak ik ook zelf mijn huis schoon. 

In sommige milieus doen ze dat niet. Daar láten ze schoonmaken. Eén van de argumenten die ik daarbij hoor, is dat ze dan meer tijd overhouden om iets zinvollers te gaan doen. Zoals sporten. Waarmee ze dus bedoelen: sporten is zinvol maar schoonmaken niet. Schoonmaken, beweren ze ook, leidt tot niets. Akkoord, knik ik dan toegeeflijk, er ontstáát niets. Het is niet hetzelfde als pakweg je eigen groenten kweken of een trui breien. Maar wat in hemelsnaam ontstaat er door te gaan joggen, tennissen of fitnessen? 

Er is dus sprake van een uiterst eigenaardige redenering. Bij mijn weten betekent sporten: een lichamelijke of mentale activiteit beoefenen waarbij vaardigheid, kracht en inzicht vereist worden. En de strekbeweging bij het ramen lappen, of het zeulen met de stofzuiger, door de knieën gaan en op een laddertje kruipen om stof af te nemen, strijken, tapijten uitkloppen, is dat dan geen lichamelijke activiteit? Is daar geen kracht voor nodig, of inzicht? Echt, het wil er bij mij niet in. Kilometers joggen of fietsen, zomaar, nergens naartoe, of nog erger: gaan fitnessen – is daar meer zingeving mee gemoeid dan wanneer je, ik zeg maar, de vloeren van je boven- én benedenverdieping op één uur dweilt?

Ik wil hier niet beweren dat ik gráág schoonmaak. Maar het zelf doen houdt me fit en met de voeten op de grond. Ondertussen krijg ik ook vaak verhelderende gedachten over het leven. Grootse, filosofische redeneringen zijn er al bij op gang gekomen. Over zin en onzin van theedoeken strijken, over stof dat alsmaar wederkeert, over steeds opnieuw beginnen en mijn eigen vergankelijkheid. Eerlijk, bij sporten heb ik dat nog niet gehad. Dan is het enige wat me bezighoudt: waarom doe ik dit eigenlijk? Hoe lang duurt het nog? Aan wie moet ik hier iets bewijzen? Of: ik zou mijn tijd beter besteden aan ramen lappen, want mijn schoonouders komen op bezoek. Heb ik in een moeite door een buig- én strekbeweging. Ook al leidt het dan tot niets.