Hoofdrekenen en talen en al

2014-12-02 09.35.15
Afgelopen zondag had ik het zaag. Tot in de namiddag ging alles goed maar zo rond vier uur kreeg ik het.

Traditiegetrouw versier ik op de eerste zondag van de advent het hele huis. Ik had gouden sterren op de ramen geplakt en de houten engel buiten op de vensterbank gezet. Toen begon het. Die sterren keken mij ineens zo treurig aan.
“Voor wie of voor wat zou ik het huis nog versieren?”, vroeg ik beschuldigend aan mijn man, die nietsvermoedend voor een kopje koffie naar beneden kwam. “Het is te veel huis, hier wonen geen kinderen meer, die komen alleen nog op bezoek. Ik voel me op pensioen! Bovendien woont er een in Thailand!” En bwèèè – ik was vertrokken.
Mijn man ging in de verdediging. Onze ene zoon was toch langs gekomen, met de andere hadden we geskyped en nummer drie was de dag tevoren hier geweest! Ik moest mijn zegeningen eens leren tellen! En ik was toch goed bezig, met die schrijversacademie en mijn blog en mijn sociale contacten en de praktijk en al!
“Ja,” jammerde ik, “gij vindt ook alles goed wat ik doe, áls ik maar iets doe en vooral niet zaag, maar wie zegt dat ik dat allemaal kan? Ik wil schrijven maar weet niet of ik goed genoeg ben en ik ga nooit aan de bak komen en ik ben al veel te oud en vastgeroest en het leven is te moeilijk en hoe lang ga ik nog leven, en misschien ben ik morgen al dood, denkt maar aan Luc De Vos, en wat weet gij daar nu van?”
Hij keek me aan en zei: “Da´s waar, daar ken ik niks van. Maar als dit niet lukt dan probeert ge toch weer iets anders.” Hij kwam echt goed op dreef. “Wat gij allemaal in uw mars hebt! Hoofdrekenen en talen en al!” Toen aarzelde hij een beetje. “Behalve rijschoolinstructrice misschien. Als ge daarmee afkomt dan denk ik toch dat ik u ga tegenhouden. Want dat kunt ge de mensheid echt niet aandoen, gelijk gij u niet kunt concentreren in de auto.”
Wijselijk heb ik gezwegen en het eerste kaarsje aangemaakt.

Mannen snappen ook niks

“En, hoe was jouw dag?” Opgewekt gaat mijn man tegenover me aan tafel zitten.
Ik barst meteen los. “Ja, wat denk je, hoe was mijn dag! Gestudeerd, boodschappen gedaan, gekookt, en voor de rest niemand gehoord of gezien. Als jij dat leuk noemt!”
“Heb ik dat dan gezegd – dat je dat leuk moet vinden?”
“Nee, maar ik weet dat jij denkt dat ik het toch maar goed heb, alleen nog maar bezig zijn met dingen die ik graag doe. Jullie mannen snappen ook niks.”
“Wat moet ik dan nu weer snappen?”
“Ons huis is veel te groot en de tuin ligt er verwaarloosd bij en als we nog eens wat ouder zijn dan kunnen we dat allemaal niet meer aan en ik wil hier weg. Gewoon weg!” Lange uithaal: “En ik mis de kinderen zo!”
“De tuin verwaarloosd? Hoe kom je erbij? Hij heeft er nog nooit zo goed bij gelegen als nu!” Beledigd prikt hij in zijn eten. Weer heeft hij het niet begrepen.
“En in de krant lees ik iedere dag wel iets over wonen. Als we willen dat het voor de volgende generatie betaalbaar blijft, zullen we sneller naar een kleinere woning moeten verhuizen. De Engelsen doen dat toch ook?”
Hij schuift zijn bord weg en reageert stijfjes: “Je weet hoe ik daarover denk. Wij zijn daar nog helemaal niet aan toe.”
“Ja, maar ik kan hier écht niet blijven wonen, het huis is te groot en te leeg en ik kán het niet en ik wíl het niet en wat dénk je wel, alleen maar omdat jij hier nog werkt, en het is zinloos en de kinderen zijn de deur uit en …”
Het begint hem te dagen. Een avond vol zwijgen volgt.

De volgende dag komt onze oudste zoon even langs. Hij werkt aan een doctoraatsthesis over het meergeneratiehuis en uiteraard stimuleert hij mijn zoektocht naar een andere woning.
“En mama, heb je de link die ik gisteravond heb doorgestuurd al geopend?”
Ik kijk zijn vader even aan. “Jaah, maar ik vind het toch wat klein en er is zo weinig tuin bij.”

Ferrari

Ze zitten gezellig na te tafelen met hun kinderen en praten over van alles en nog wat. Over school, over vriendjes, over scheiden en daarbij je ouderlijk huis verliezen. Of ze in een huis op het platteland zullen gaan wonen of toch maar in de stad op hun appartement zullen blijven. Wat de voor- en nadelen daarvan zijn. Dat ze twee auto´s zullen nodig hebben als ze besluiten buiten de stad te gaan wonen.
Hun jongste zoon, hij is vijf, zit er wat in zichzelf gekeerd bij en laat zijn speelgoedautootje over de tafel heen en weer rijden. Hij zegt nooit veel en ze schrikken dan ook allemaal op als hij plompverloren vraagt: “Kan je in een Ferrari ook slapen?” Als hij hun verbaasde blikken ziet, voegt hij er trouwhartig aan toe: “Dan hoef ik later geen huis.”