Later, misschien

Hoe naïef ben ik wel niet. Laat ik nu altijd gedacht hebben dat kinderen een geschenk zijn, een godsgeschenk zelfs, geboren uit de liefde van een man en een vrouw. Een geschenk dat je dan ook nog liefst op tijd krijgt. Zo van, een slimme meid krijgt haar kind op tijd. In mijn optiek kríjg je ook nog kinderen en worden ze niet gemaakt, genomen of gekocht. Verder denk ik dat kinderen die uit liefde geboren worden het best gewapend zijn voor het leven. Ik geloof echt dat kinderen al in de moederbuik voelen of ze gewenst zijn of niet en dat alleen liefhebbende ouders het kind de best mogelijke start kunnen geven. Ook denk ik dat vrouwen tegen hun dertigste wel weten of ze kinderen willen of niet. Zo naïef ben ik dus. Want nu blijkt dat steeds meer vrouwen van begin dertig hun eicellen laten invriezen, omdat ze nu nog geen kind willen maar later misschien wel. En vijftig is toch het nieuwe dertig.

Dat onvruchtbare paren of vrouwen die een zware medische behandeling moeten ondergaan op deze technologie kunnen terugvallen, is een vooruitgang die ik alleen maar kan toejuichen. Maar ik weet niet wat ik moet denken wanneer vrouwen van, laat ons zeggen, begin dertig, eventueel zonder partner, beweren dat ze een kinderwens hebben en zich willen voorbereiden op bewust ongehuwd moederschap. Wel pas over een jaar of tien, want ze willen eerst carrière maken. Waarom willen die vrouwen, alleen, later, misschien, een kind? Wat betekent een kind voor hen? Is het een hebbeding, iets voor als ze ouder worden? Een gadget dat hopelijk ooit hun eenzaamheid zal verlichten? Iets wat op wens in de kliniek voor hen in elkaar wordt gebokst? En waarom denken ze niet aan het omgekeerde scenario? Waarom denken daar überhaupt zo weinig vrouwen aan? We worden gemiddeld tachtig, wat belet vrouwen om eerst kinderen te krijgen en daarna nog voor een leuke baan te gaan? Als je denkt dat je tussen je veertigste en je vijftigste nog fit genoeg bent om een kind te dragen en te baren, waarom dan niet meer durven denken aan een carrière? Vijftig is toch het nieuwe dertig?

Advertenties

Dan ben je gezien

Strijken is niet mijn favoriete bezigheid. Van strijken slaan mijn gedachten op hol. En meestal naar de verkeerde kant. Hoe dat komt, weet ik niet goed. Het is waarschijnlijk iets wat van moeder op dochter overgaat, want mijn zussen staan er ook niet om te springen.

In lakens heb ik me nooit druk gemaakt. Die worden gewassen, gedroogd en meteen terug op het bed gelegd. Maar alles wat terug de kast in moet, wordt zorgvuldig gestreken. Ik kan echt heel slecht tegen slordige en onopgeruimde kasten.
De zorg voor handdoeken en zakdoeken heb ik vroeger regelmatig gedelegeerd. Jongens moeten het huishouden ook leren, vind ik. Stoffen zakdoeken gebruikten we trouwens op een bepaald moment bijna niet meer, vanwege onhygiënisch. Maar al die andere dingen… Soms werd ik er wanhopig van en dat voortdurend malen in mijn hoofd maakte het er niet beter op. Er bleef ook steevast iets in de wasmand liggen. Dat ene, laatste stuk was er altijd te veel aan.

Toen de kinderen nog klein waren, streek ik nogal eens op vrijdagavond. Ze mochten dan wat langer opblijven en zaten in de woonkamer aan de televisie gekluisterd terwijl ik stond te strijken en met een half oog meekeek. Heen en weer ging het strijkijzer en heen en weer gingen mijn gedachten. Onze jongste heeft toen eens met een bang gezichtje gevraagd waarom ik zo streng keek. Of ik héél boos was? “Maar nee”, heb ik vlug gezegd, “dat is toch mijn gewone gezicht, voor als ik wat moet nadenken.”

Sinds ik van Emma Crebolder, een Nederlandse dichteres, hoorde dat ze een of andere routineklus gaat opknappen wanneer ze vast zit met het schrijven, strijken bijvoorbeeld, kijk ik er wat positiever tegenaan. En warempel, de gedachten blijven stromen, maar anders. Creatiever. De mand raakt de laatste tijd ook altijd leeg. Wat me wel nog dwarszit, zijn die papieren zakdoekjes. Want als je vergeet ze vóór het wassen uit de broekzakken te halen, dan ben je gezien. Die resten plakken geweldig aan alle andere kleren. Gisteren nog meegemaakt. Ik kreeg acuut heimwee naar stoffen zakdoeken. Als dat geen goed idee is…

Onvoorspelbaar

Of het echt gaat helpen, weet ik niet. Een belasting van 24 Euro is misschien nog niet genoeg. Maar ik krijg weer hoop. Hoop dat de inwoners van deze gemeente toch even zullen nadenken vooraleer ze zich een hond aanschaffen. Ik heb echt geen behoefte aan nog meer van die joekels op de straten en de wandelpaden. Of erger nog, in restaurants. Toen we hier jaren geleden kwamen wonen, waren er hier bij mijn weten twee honden en hoorde je zo af en toe een eenzame blaf. Nu zijn ze niet meer te tellen. Onderhand zijn er meer honden dan kinderen! Het lijkt wel alsof hier een wedstrijd aan de gang is. Eén exemplaar per gezin is niet meer genoeg, nee, je hebt er best twee of meer. Veel leuker voor die lieverds. Dat dier moet ook nog zo groot mogelijk zijn, liefst een herdershond, een Rottweiler of een Dobberman. Soms lopen die loebassen aan de lijn, soms ook niet. En blijkbaar hoort het tot mijn burgerplicht daar niks over te zeggen. Ook niet wanneer wildvreemd gespuis tegen me omhoog springt, me besnuffelt en mijn kleren vol sabbert. Want vragen of de belhamel niet aan de lijn moet, is een aanslag op de vrijheid. Van de hond en van zijn baasje. Veel kans dat de hondenbezitter me de les spelt en me daarna in het lang en breed vertelt hoe braaf zijn hond wel niet is, en kijk toch eens! Hij doet toch niks! Echt niks. Hij heeft nog nooit iets gedaan. Hij wil alleen maar spelen.

Ik mag ook niet vies kijken wanneer iemand met een groot, nat, langharig beest in het restaurant naast me gaat zitten. Of wanneer dat loeder plots opstaat, gevaarlijk met zijn harige lijf schudt, al zijn parasieten door de kamer zwiert en daarna afwachtend gaat liggen kwispelen en kwijlen. Kwestie van respect voor die viervoeter. Ik had bijna medemens geschreven.

Kinderen mag je in restaurants wél scheef bekijken. Ze kunnen niet stil zitten en zijn zo onvoorspelbaar. Maar een hond, ach, een hond, die doet toch niks. Die wil alleen maar spelen.

hondjesDSC_0033

Hoofdrekenen en talen en al

2014-12-02 09.35.15
Afgelopen zondag had ik het zaag. Tot in de namiddag ging alles goed maar zo rond vier uur kreeg ik het.

Traditiegetrouw versier ik op de eerste zondag van de advent het hele huis. Ik had gouden sterren op de ramen geplakt en de houten engel buiten op de vensterbank gezet. Toen begon het. Die sterren keken mij ineens zo treurig aan.
“Voor wie of voor wat zou ik het huis nog versieren?”, vroeg ik beschuldigend aan mijn man, die nietsvermoedend voor een kopje koffie naar beneden kwam. “Het is te veel huis, hier wonen geen kinderen meer, die komen alleen nog op bezoek. Ik voel me op pensioen! Bovendien woont er een in Thailand!” En bwèèè – ik was vertrokken.
Mijn man ging in de verdediging. Onze ene zoon was toch langs gekomen, met de andere hadden we geskyped en nummer drie was de dag tevoren hier geweest! Ik moest mijn zegeningen eens leren tellen! En ik was toch goed bezig, met die schrijversacademie en mijn blog en mijn sociale contacten en de praktijk en al!
“Ja,” jammerde ik, “gij vindt ook alles goed wat ik doe, áls ik maar iets doe en vooral niet zaag, maar wie zegt dat ik dat allemaal kan? Ik wil schrijven maar weet niet of ik goed genoeg ben en ik ga nooit aan de bak komen en ik ben al veel te oud en vastgeroest en het leven is te moeilijk en hoe lang ga ik nog leven, en misschien ben ik morgen al dood, denkt maar aan Luc De Vos, en wat weet gij daar nu van?”
Hij keek me aan en zei: “Da´s waar, daar ken ik niks van. Maar als dit niet lukt dan probeert ge toch weer iets anders.” Hij kwam echt goed op dreef. “Wat gij allemaal in uw mars hebt! Hoofdrekenen en talen en al!” Toen aarzelde hij een beetje. “Behalve rijschoolinstructrice misschien. Als ge daarmee afkomt dan denk ik toch dat ik u ga tegenhouden. Want dat kunt ge de mensheid echt niet aandoen, gelijk gij u niet kunt concentreren in de auto.”
Wijselijk heb ik gezwegen en het eerste kaarsje aangemaakt.

Echt werk

Nog altijd kan ik er furieus van worden. Als jonge moeder kreeg ik keer op keer dezelfde vraag: Zeg, hoeveel uur per week werk je eigenlijk? Oh, wat was ik dat moe gehoord! En zo gebeurde het dat ik ooit de euvele moed had te vertellen dat ik minstens zestig uur per week werkte. Het gezelschap waar ik toen in verkeerde moest daar eens hartelijk mee lachen. Zestig uur? Hoe kwam ik erbij? Ik werkte toch helemaal niet? Ach ja, ik deed mijn huishouden zelf, zorgde voor onze drie kinderen en ging mijn man wat helpen in zijn praktijk, maar dat kon je toch niet wérken noemen? Ik heb toen gevraagd waarom zij een poetshulp, een kinderoppas, een strijkmadam, kookmoeder en tuinman in dienst hadden. Werden die dan betaald om niks te doen? Blijkbaar is werken pas werken als je er geld voor krijgt.

Als je een gezin met kinderen hebt, is dat in deze tijd een bewuste keuze. Die kinderen hebben er niet zelf voor gekozen om op de wereld te komen en zijn daarom onze grootste verantwoordelijkheid. Ouders zouden vrij moeten kunnen kiezen hoe ze daarmee omgaan. Maar ze voelen zich niet vrij. Ze krijgen een schuldcomplex aangepraat wanneer ze wensen buitenshuis te gaan werken. Of een minderwaardigheidscomplex als ze ervoor kiezen thuis te blijven. Want je bent waarschijnlijk te dom of te lui als je voltijds voor je gezin kiest. Of beter nog, je hebt een rijke partner! Zorgen voor je eigen gezin is geen normale zaak, nee, het is een luxe!

Hoe zou het zijn als we diegene die de zorg voor zijn gezin zelf op zich neemt een loon zouden geven, of op zijn minst pensioenrechten? Het zou alleszins een blijk van maatschappelijke waardering zijn. En misschien, heel misschien heeft die persoon – wanneer hij het rond zijn vijfenveertigste voorzichtig waagt buitenshuis te solliciteren – zelfs nog een kans op die “echte” arbeidsmarkt. Hij kan dan tenminste zeggen dat hij altijd al heeft gewerkt. Als manager van een klein bedrijf.

Port voor de Sint

sinterklaas
De kinderen zijn nog klein. We zijn pas van België naar Duitsland verhuisd en we wonen in de stad in een appartement. Ze zijn ijverig bezig met een tekening voor Sinterklaas.
Onze zes-jarige zoon maakt zich zorgen. “Sinterklaas zal toch wel weten dat wij nu in Aken wonen?”
“Sinterklaas weet toch alles.” Zijn broertje klinkt vol vertouwen.
“En hoe gaat hij hier binnen geraken? Dat dak is toch veel te hoog voor zijn paard? ”

Ik weet zelf nog niet goed hoe we hier met Sinterklaas zullen omgaan. Of we de mythische betovering rond die Heilige Man die alles weet, alles kan en zoveel geeft, kunnen bewaren. Heimwee duikt in alle hevigheid op.
Met z´n allen aan het televisiescherm gekluisterd zitten voor de aankomst van Sinterklaas in Antwerpen, het is voorbij. We kunnen de juiste zender hier niet krijgen en nergens in Duitsland komt er een stoomboot met waaiende wimpels uit Spanje aan. Voorbij is het om ter hardst zingen met neefjes en nichtjes van Sinterklaas kapoentje. De hoopvolle spanning of Sinterklaas en Zwarte Piet in levende lijve langs zullen komen, het is verleden tijd. Hier verkleedt zich niemand en klopt niemand op de deur. In de hele stad valt er geen Sint of Piet te bespeuren. Zelfs geen hulp-Sint. In de Kindergarten wordt Sinterklaas compleet verwaarloosd; fluisteren de vriendjes zelfs dat de ouders … Hier brengt het Christkind de cadeautjes. Hoe komen ze erbij, uitgerekend het Kindje Jezus, dat daar maar in zijn kribbe ligt en geen vin verroert.

Het was lastig Sinterklaas in ere te houden. Maar het is ons gelukt. Ondanks de tegenberichten bleven onze kinderen nog lang in hem geloven. Op 5 december zetten ze met glanzende ogen en plechtige gebaren hun bord. Ze legden er een wortel en een klontje suiker in, zeulden met een emmer water voor het paard en schonken Port in voor de Sint. De volgende ochtend bewees steeds opnieuw dat Sinterklaas wel degelijk bestond. Want wat daar op de tafel lag, dat zouden papa en mama nooit of nooit voor hen kopen.

Onvermoede horizonten

Twee jonge mannen liggen met hun hoofden dicht bij elkaar languit in onze zetel. Ze kijken samen naar iets op de laptop. De ene heeft zijn benen naar rechts uitgestrekt, de andere naar links. Lang geleden hebben we die sofa daar ook voor gekocht – om er met z´n vijven op te zitten of met z´n tweeën in te liggen.
Vanuit de keuken werp ik af en toe een blik op die jonge mannen. Twee van mijn drie zonen. Ik ben blij: V. is voor tien dagen hier! Ik moet ervan genieten want wie weet wanneer dat nog eens gaat gebeuren. Ondertussen denk ik ook aan Pascal Smet, de vorige minister van onderwijs, die vindt dat één op drie studenten in het buitenland zou moeten kunnen studeren. Zou hij zich bewust zijn van de gevolgen van zijn theorieën?

Want stel je eens even voor: een gezin met drie kinderen. Eén van die drie geniet ruimschoots van de mogelijkheden die zijn studie hem bieden. Hij studeert een semester in Hongkong, een half jaar in Amerika en loopt zes maanden stage in Ras al-Khaimah.

Het heeft voordelen voor de twee kanten, hoor je overal. Ze worden er zó zelfstandig van; je hebt gewoonweg geen idee. Je leert ze loslaten. Je gaat zelf reizen en dat verruimt ook jouw geest en opent onvermoede horizonten. En er bestaat toch zoiets als skypen en whatsappen? Afstanden zijn heus niet meer zo groot als vroeger.

Uiteraard wil de minister dat die éne student op drie zijn buitenlandse ervaring in zijn thuisland optimaal zal gaan inzetten. Dat is ook de bedoeling van die ouders: gewoon buitenlandse ervaring opdoen en dan terugkomen. Prachtige theorie, toch?

Maar opeens belanden ze in de praktijk. Hun zoon gaat werken in een groot en sjiek hotel in Thailand. Als ze geluk hebben, komt hij hen één keer per jaar opzoeken en gaan zij ook een keertje zijn kant op. Nu staan ze daar. De geest van hun zoon is al zo verruimd dat het de vraag is of hij ooit nog op een voor hen draaglijke afstand komt wonen.
photo

Waspoeder

Mijn vriendin en ik zijn uitgenodigd in het atelier van een zelfverklaarde kunstenares. Uit respect voor alle aanwezige kunstkenners spreken we op fluistertoon.

“Wat ik hier in zie? Hedendaagse kunst stond op de uitnodiging, het zal dus wel kunst zijn zeker? Eerlijk gezegd, ik kan er maar weinig mee aanvangen.”
“Misschien moeten we wat verder weg gaan staan.” Mijn vriendin gaat een paar pasjes achteruit en tuurt deskundig door de wimpers van haar half gesloten ogen.
“Die witte klodders daar op dat beige vlak, die lijken wel op waspoeder. Gemorst op de vloer van onze wasplaats, die heeft net dezelfde kleur. En dat takje daar heeft de vader van mijn zonen onder zijn schoenen hangen gehad. Alweer zijn voeten niet geveegd.”
“Het zou natuurlijk ook gips kunnen zijn. Iemand is gevallen en dit is het overschot na het spalken van een been.”
“Een maanlandschap misschien? Of het einde der tijden, iedereen is toch zo pessimistisch tegenwoordig. Troosteloos is het in ieder geval.”

“Nu moet ik toch weer aan mijn wasplaats denken. Hoe ik daar vroeger wel eens stond: radeloos huilend, want niet te overzien, die bergen was. Soms wel drie machines op een dag. Nu nog amper drie per week. Jaja, de jongste is ook de deur uit. Het einde van een tijdperk, zo lijkt het wel. Niet verder vertellen hè, maar om de moed er in te houden beeld ik me wel eens in dat ik een gevierd schrijfster ben. Het prototype van een nieuw rolmodel. Eerst echtgenote en moeder en op latere leeftijd nog een schitterende carrière uitgebouwd. Ik zie het al helemaal voor me. We moeten dan natuurlijk nog eens verhuizen, want ik moet in alle rust en stilte kunnen werken. Of nee, we wonen dan de ene helft van het jaar in België, de andere helft in Frankrijk. Thailand kan ook.”

“Goh, nu begrijp ik het: die strepen, die stellen drie wegen voor! Voor drie kinderen die ieder hun eigen weg gaan! En hoe ingenieus is de keuze van dat materiaal! Waspoeder! Reinigend en zuiverend, symbool van een nieuw begin.”

Sjiek

In een heel gewoon hotelletje aan zee zitten we genoeglijk te ontbijten. Een jong gezin neemt plaats aan een tafeltje bij het raam. Mevrouw is groot en slank, heeft lange blonde haren en is gekleed in die sportieve sjiek die daar bij hoort. Je weet wel, dure jeans, lichtblauwe bloes en beige vestje. Meneer oogt ook heel verzorgd – waarschijnlijk zoekt zijn vrouw zijn kleren uit. Een hinderlijke bles hangt voor zijn ogen en moet steeds weer met een snok achterover worden gegooid. Ze hebben – hoe kan het ook anders – twee kinderen, een jongen en een meisje. Aan het tandenspectrum te zien, is het meisje een jaar of zes, haar broertje zal zo´n twee jaar jonger zijn. Ze zitten nog niet goed en wel aan tafel of de kinderen openen hun iPad en swipen geroutineerd over het scherm. Papa en mama buigen zich geconcentreerd over hun iPhone. Mijn man en ik kijken elkaar eens aan. Dat zou bij ons ondenkbaar zijn geweest. Kinderen moeten aandacht krijgen en creatief zijn. Ze moeten met elkáar praten en spelen – verdorie, straks moeten ze nog in therapie!

De volgende dag zit ik, diep zuchtend van louter vertwijfeling en met een neiging tot vluchtgedrag, voor mijn computer. Ik moet de beveiligde ruimte op het studienet van de Open Universiteit openen en mijn eerder gemaakte opdrachten uploaden en posten. Volg die instructies nu maar stap voor stap, zo spreek ik mezelf moed in, denk goed na en blijf kalm. Kálm. Je bent niet meer van de jongste maar ook nog niet te oud om dit te leren. Mijn hart klopt in mijn keel als ik eindelijk met ingehouden adem op verzenden klik. Het is gelukt! Opeens vind ik de gedachte dat mijn opdrachten nu in de ruimte rondzweven en door iemand anders zullen worden opgepikt, behoorlijk fascinerend. En ik voel een steek – weliswaar een kleine – van jaloezie. Niet te geloven hoe vanzelfsprekend de volgende generaties met dat hele computer- en internetgedoe omgaan. Zou het aangeleerd zijn of zit het al in de genen?

Het zijn de darmen

Regelmatig kom ik samen met mijn Duitse vriendinnen. Vroeger ontbeten we nogal eens bij elkaar en noemden dat heel serieus ons Managerfrühstück. We bespraken dan de schoolse vorderingen of niet-vorderingen van onze kinderen en namen en passant het hele onderwijssysteem in Duitsland onder de loep. We leverden gefundeerde maatschappijkritiek en vonden troost in het feit dat niemand van ons een bevredigend concept had voor het managen van een groot gezin met schoolgaande kinderen. Tegen alle verwachtingen in spraken we zelden of nooit over onze mannen, die allemaal even achterdochtig waren. Wie weet wat wij durfden vertellen! Daar staan de boekskes toch vol van, van wat vriendinnen met elkaar delen! Wijselijk streelden wij hun ijdelheid en ontkenden niets.

De laatste jaren ontbijten we niet meer samen maar gaan we wel nog af en toe bij elkaar op de koffie. We hebben ons een tijdje intensief bezig gehouden met wat we lezen en discuteerden over het al dan niet bestaan van de vrije wil. Tegenwoordig gaat het over onze kwaaltjes. En nu verschillen we pas echt van mening. Zíj zijn er van overtuigd dat je de meeste kwalen kunt tegenhouden en zelfs vermijden. Alles is een kwestie van psychologie, en slijtage be-staat niet. Je armen niet meer hoog in de lucht kunnen steken heeft een andere oorzaak, móet een andere oorzaak hebben. Het ligt aan de darmen! Verzuring is het en je moet gewoon je voeding aanpassen. Geen kleermakerszit meer kunnen maken? Een blokkade! Van de darmen! Ík denk dan dat er gewoon sleet op zit. Dat kan toch, op onze leeftijd?

Ze zullen vermoedelijk wel nooit met hulpmiddelen in bed gaan liggen. En ik vrees dat er dan toch een hoop plezier aan hen voorbij gaat. Gisteravond gingen mijn man en ik slapen; hij met een brace rond zijn linker- en ik met een brace rond mijn rechterpols. Na het tandenpoetsen heb ik mijn opbeetplaatje nog ingezet en slissend gevraagd hoe sexy ik er zo uit zag. Proestend van het lachen kroop mijn man onder de dekens en heeft daarna het licht uitgedaan.