Gewoon op straat

‘De meeste verhalen liggen gewoon op straat. Je moet alleen goed kijken en luisteren.’ Met die gedachte in het achterhoofd stapte ik voor het begin van de pandemie wel eens in mijn auto om naar het Kaufhof in Aken te rijden – ook wanneer ik niets nodig had. Het was een ideale plek om columns te sprokkelen: iemand sprak me aan om iets te vragen, ik ving gesprekken op tussen winkelende vriendinnen of tussen verkoopsters, er gebeurde iets in het pashokje of aan de kassa, – kortom, altijd maakte ik wel iets mee waarover ik kon schrijven. Mijn kinderen en kleinkinderen zijn ook een bron van inspiratie, maar vinden het niet fijn ‘gebruikt’ te worden. Mijn man heeft daar gelukkig geen problemen mee. Ergens een lekker stukje taart of een ijsje eten kon eveneens tot een column leiden. Ofwel bracht het gesprek met diegene met wie ik aan een tafeltje zat me op een idee, ofwel luistervinkte ik bij de buren. 

Sinds de eerste lockdown zijn toevallige ontmoetingen zeldzaam geworden. Ik heb ze dan ook deerlijk gemist. Slechts voor het hoogstnodige de deur uit mogen of pas na afspraak ergens kunnen binnengaan, best alleen en ook nog met een mondmasker op, zorgt voor bedroevend weinig interactie. Op den duur kreeg ik zelfs het onbehaaglijke gevoel dat het sociale deel van mijn hersenen verschrompelde. Of toch nog weinig oplichtte. Als robotten liepen we op veilige afstand van elkaar door de straten en de winkels om uiterst doelgericht onze spullen te gaan kopen. Uitgebreid kijken, vergelijken, passen, twijfelen of een voorbijganger aanspreken was er niet meer bij. Samen met het teloorgaan van die toevallige contacten leek ook mijn creativiteit te verminderen. 

Vandaag, al surfend op het internet, las ik dat Lea, een als rollator vermomde robot, de gebruiker niet alleen helpt en beschermt bij het lopen, maar ook stimuleert om lichamelijk actief te blijven. Met oefeningen en met dansen. Voor het eerst sinds lange tijd begon het creatieve gedeelte van mijn hersenen weer op te lichten: een robot die zich vermomt als rollator en met je begint te dansen. Waar en wanneer zou ze dat doen? Als ze er zelf zin in heeft of op commando? Ik zag het al helemaal voor me: allemaal negentigjarigen, mannen en vrouwen, dansend met hun rollator, gewoon op straat. Ineens heb ik zelfs stof genoeg voor een vervolgverhaal. 

De geur van hygiëne

De dokter in het ziekenhuis heeft haar weer een kuur voorgeschreven en stralend verlaat ze zijn spreekkamer. Nog even uitstel.
Ze draagt een gebloemde rok en haar geliefkoosde lichtblauwe trui. Vroeger zou ze voor geen geld ter wereld een rok met elastische tailleband hebben aangetrokken, maar nu… met die opgezette buik… Platte schoenen trouwens ook niet, maar dat gaat even niet anders, ze kan al bijna niet meer lopen. Ik tjok onzeker achter haar aan, niet wetend wat ik er van moet denken. Hadden ze twee weken geleden niet laten doorschemeren dat ze waren uitbehandeld?

Die lieve, ietwat gezette verpleegster van de vorige keer gaat ons voor naar een zonnige eenpersoonskamer. Het is zomer en het is er drukkend heet. Het venster mag niet open want tocht is slecht voor haar. Ik ruik de geur van hygiëne en medicijnen.
Zoals altijd wanneer ik met mijn moeder in het ziekenhuis ben, voel ik me wat onhandig. Mijn moeder durft zich, zeker in bijzijn van vreemden, nogal eens als de queen-mum te gedragen. Ze lacht eens vriendelijk naar de verpleegster en begint míj te commanderen. “Pak mijn koffer al maar uit, en geef me mijn adresboekje even wil je, ik moet nog dringend telefoneren.” Ik zie haar denken: “Zien jullie hier hoe goed mijn dochter naar mij luistert! En zo heb ik er drie!”

Alles wordt voor de behandeling in gereedheid gebracht en nu is ze de volgzaamheid in persoon. Geen klacht komt over haar lippen. Ze stuurt me weg; de rest gaat ze alleen doen. Een chemokuur meer of minder, ze draait er haar hand niet meer voor om. Van uitstel komt tenslotte afstel.
De volgende dag lijkt het alsof ze weer wat kleiner en magerder is geworden en heeft ze hulp nodig bij het lopen. Onderweg in de auto stelt ze zich met glinsterende ogen voor hoe ze woensdag pannenkoeken zal bakken voor de kleinkinderen. Een blosje van opwinding kleurt haar wangen.
Ze bakt die pannenkoeken en ze komen allemaal – alsof ze voelen dat dit het laatste is wat ze ooit nog zal doen.