Asperges op Vlaamse wijze

Sinds een paar weken hebben wij een nieuwe regeling. Op vrijdag stellen mijn man en ik samen een weekmenu op en mijn man gaat daarna winkelen. Ik vind dat een hele opluchting. Niet alleen omdat hij de boodschappen doet, maar ook omdat ik nu niet meer iedere dag hoef na te denken over wat we in hemelsnaam gaan eten. Het is misschien vreemd dat ik daar nu nog mee begin. Vroeger, met drie kinderen in huis, had ik veel meer werk met het huishouden en de maaltijden. Met regelmatige tussenpozen heb ik ook wel een poging gedaan me beter te organiseren, maar dat liep altijd op niets uit. Ik hield mij daar nooit aan. Ik kon dat niet. Omdat ik echt geen zin had om te koken wat bijvoorbeeld op dag drie gepland stond of moest vaststellen dat ik de juiste ingrediënten niet in huis had. Ik was eerder iemand van de improvisatie dan van de organisatie.

Het werkt heel goed. Al drie weken houd ik me er keurig aan. Ik kijk op mijn papier, weet meteen wat ik moet koken en begin. Koken heb ik nooit erg gevonden, maar dat nádenken was er teveel aan. Dat is nu opgelost. Ik voel me veel rustiger zo. Ook mijn man is heel tevreden. ´s Ochtends verheugt hij zich al op het avondeten. Hij weet nu tenminste wat het wordt. Bovendien hebben we nooit meer te veel in huis, iets waar hij zich wel eens aan kon ergeren. Want hij brengt nooit iets mee wat niet op het lijstje staat, terwijl ik ertoe neigde dat wel te doen. Nee, het is hier tegenwoordig één en al peis en vree.

Tot afgelopen vrijdag. We hadden asperges op Vlaamse wijze gegeten. Ik krijg er nog het water van in de mond. Maar tegen negen uur kreeg mijn man weer trek. Heel het huis heeft hij afgezocht, grommend op zoek naar iets lekkers. Niks te vinden. Geen chips, geen koekje, geen chocola, niks. Het stond niet op zijn lijstje.

Benen, lijsten en Claudio

Teleurstelling van de week:   Wanneer mijn zussen een daguitstap maken naar de Belgische kust komen ze mooi egaal gebruind op armen én benen terug naar huis. Ik heb de afgelopen dagen in Italië doorgebracht, heb zon gehad van ´s morgens tot ´s avonds en het is weer niet gelukt. Mijn benen zijn nog altijd wit. Ik zal niet zeggen melkflessenwit, maar het scheelt toch niet veel.

Compliment van de week: De gastheer van onze B&B zei bij ons vertrek zo tussen neus en lippen dat wij bij hem op de witte lijst staan. Als we willen mogen we dus nog eens terug komen. En dat wil in zijn geval wat zeggen.

Bekentenis van de week: Ik hád verliefd kunnen worden. Op Claudio. Geef toe, de naam alleen al.

We belden aan, troffen niemand thuis en teleurgesteld liepen we terug naar onze auto. Opeens dook er toch iemand op. Verrast keek ik hem aan en hield mijn adem in. Hij leek wel uit de film weggelopen, deze mooie, mannelijke man. Een zwarte veeg liep schuin over zijn hoekige gezicht en zijn grijze T-shirt zat vol zweetvlekken. Zijn haren staken alle kanten op en zijn handen waren vuil. Maar hij had zo´n lieve ogen en hij lachte zo mooi, een beetje verlegen bijna. En zijn witte tanden schitterden zo aantrekkelijk in zijn bruinverbrande kop. Uitgebreid excuseerde hij zich voor zijn vieze uiterlijk. Alsof dat me ook maar iets kon schelen. Hij kwam recht uit zijn wijngaard, zei hij, hij was daar aan het werk, en of we rond een uur of twee konden terugkomen? Natuurlijk konden we dat.  P. had zich vast voorgenomen op onze laatste vakantiedag van Claudio´s rode wijn te proeven en ik had er niets op tegen Claudio nog een tweede keer te mogen zien.

Fris gewassen, in een bruin T-shirt dat over zijn gespierde borstkas spande, zat hij in zijn cantina voor ons aan een tafeltje. Teder opende hij drie flessen, gaf er een beetje uitleg bij en ging verder zo liefdevol met zijn wijn om dat ik dacht… nee, ik ga niet zeggen wat ik dacht. Zijn wijn smaakte hemels, al kan ik nu niet meer met zekerheid zeggen waar het aan lag. Dat vond P. ook en dus kochten we ervan. We betaalden en namen afscheid.  Het speet me dat ik geen enkele reden kon verzinnen om nog langer te blijven. De aanblik van Claudio had ik gemakkelijk nog een paar uur langer kunnen verdragen. Dromerig stapte ik terug naar buiten. Boven op het balkon liep een kleine, grijze hond luid keffend heen en weer. Een man met een nerveuze, keffende hond, dacht ik terwijl ik naar omhoog keek, ai, mensen lijken meestal op hun hond, of omgekeerd. Op slag waren mijn ontluikende gevoelens voor Claudio bekoeld.

wijngaard Claudio