Finale

Mijn man wil naar het Wereldkampioenschap atletiek kijken, dat plaatsvindt in het Olympisch Stadion van Londen. Het is even na tienen en nog net op tijd voor de finale van de honderd meter mannen zien we hoe alle acht de deelnemers als filmsterren uit de coulissen komen. Als laatsten verschijnen de verguisde Justin Gatlin, het nieuwe talent, Christian Coleman, en de gedoodverfde winnaar, Usain Bolt.
‘Och arme’, verzucht ik, huiselijk naast mijn man op de bank gezeten, ‘moeten ze nu echt zichzelf zo opvoeren? Is dit wel de juiste voorbereiding – kunnen ze zich zo wel focussen?’
‘Hèhè’, zegt mijn man, iets minder huiselijk,’ meent ge weer dat gíj de commentaar moet leveren? Ik wil niet alleen kijken, ik wil ook horen wat ze zeggen. Ge lijkt Lieven van Gils wel, die komt ook altijd overal tussen.’

Bolt, die hier zijn laatste solowedstrijd loopt, wordt derde. Christian Coleman wordt tweede en Justin Gatlin wint de wedstrijd. Eensgezind in onze verbazing zien we hoe de camera daarna de hele tijd op Bolt gericht blijft en de winnaar na de wedstrijd nauwelijks nog in beeld komt.
‘Ik vraag me af of overal hetzelfde wordt uitgezonden’, zegt mijn man, ‘of krijgt iedereen de beelden van de Britten?’
‘Misschien blijft Gatlin ook uit zichzelf uit de schijnwerpers en wíl hij helemaal geen ereronde lopen’, zegt hij even later. ‘Terwijl. Ge moet het toch maar doen, op uw vijfendertigste de honderd meter winnen.’ Hij ziet er bijzonder verstoord uit.
‘Ja, ge hebt helemaal gelijk’, knik ik, in een poging de huiselijkheid weer te herstellen. ‘Misschien is hij bang voor nog een keer boe-geroep. Die Britse toeschouwers hebben hem er bij het binnenkomen in het stadion ook al op getrakteerd.’
Een paar minuten later staat mijn man op en steekt een beschuldigende vinger uit naar de televisie. ‘Nu zijn de sportverslagen ook al miserabel’, zegt hij kwaad ‘waar moet het met de berichtgeving toch naartoe. Het mag dan het afscheid zijn van Bolt, maar hem nu zó fêteren en Gatlin zó negeren vind ik echt misplaatst. Weet ge wat, ik ga slapen.’
En zittend op de bank hoor ik hoe hij nijdig bonkend de trap opgaat.

Advertenties

De schuld van de natuur

Mannen begrijpen zoiets niet. Althans de mijne niet. En de man van mijn vriendin, ik noem hem Wee, ook niet. Al meer dan eens hebben ze het er hoofdschuddend over gehad. Maar sinds kort heeft Wee er een theorie over. Die gaat zo: het heeft allemaal te maken met de structuur van onze hersenen. Daar zit onderaan een schil, of een laag, een of ander overblijfsel uit vroeger tijden, van toen de mannen nog gingen jagen en hun vrouwen op zoek gingen naar bessen en zo. De mannen gingen doelgericht af op hun prooi, lieten zich door niets of niemand afleiden en als de prooi binnen was, kwamen ze spoorslags terug naar huis. (Vrij vertaald: ze kunnen maar een ding tegelijk doen, dacht ik toen de theorie uit de doeken werd gedaan, maar ik zei niks.) Ondertussen gingen hun vrouwen op pad om bessen, noten en vruchten te verzamelen. Die moesten ze van alle kanten goed bekijken en op hun rijpheid controleren. En zo dwaalden die vrouwen wel eens af en kwamen naar huis met iets waar ze niet naar op zoek waren gegaan. Het is dus allemaal de schuld van de natuur.
‘Och, ik heb me erbij neergelegd’, schokschouderde Wee afgelopen zaterdagavond. ‘De week na carnaval waren we aan zee en T. wou gaan winkelen. Ze had nog grijze jeans nodig, zei ze. Want het enige wat ze nog niet had voor dit seizoen was een grijze broek. Wij dus naar Oostende. En wat denk je? In heel Oostende geen grijze broek te vinden. Ze heeft toen maar een nieuwe regenjas gekocht. Want die had ze opeens toch ook zó nodig en was juist wat ze in gedachten had gehad’, knipoogde hij naar mijn man.

Gisteren vertrok ik naar de stad. Mijn man vroeg of ik iets bepaalds van plan was. ‘Ach’, zei ik, ‘eens kijken voor een blauw vestje. Dat ene is al zo oud als de straat, ik kan wel eens een nieuw gebruiken.’
Ik ben thuis gekomen met een heel schoon, crèmekleurig tafellaken. Allemaal de schuld van de natuur. Maar wel eentje dat ik niet hoef te strijken. Juist wat ik in gedachten had gehad.

Geen benul

Koorts waart rond in deze contreien. Voetbalkoorts. En ik ben er ook door aangestoken. België en Duitsland spelen allebei mee voor het Europees kampioenschap en ik krijg daar chauvinistische gevoelens van. Anders ben ik echt niet zo. Maar nu! België móet het beter doen dan Duitsland. Wat denken ze wel. Wij staan wel vóór op de wereldranglijst, dat ze dat maar goed in hun oren knopen.

Ik ben er al twee avonden echt voor gaan zitten. Kussens in de rug, voeten op de salontafel, drank en verschillende soorten inwerpselen bij de hand en top geconcentreerd offerde ik een paar uren lezen op voor het voetbal. Ik snap er wel geen barst van. Voetbal blijft Chinees voor mij. Ik heb nog altijd geen benul van wat buitenspel inhoudt en ik kan maar niet begrijpen wanneer of waarom er een hoekschop of een strafschop moet worden genomen. Gelukkig heb ik meestal na een paar minuten intens opletten toch al door welke ploeg naar welke kant speelt (ik durf het niet meer te vragen, voel me zo onnozel bij die ten hemel geslagen ogen). Sinds kort merk ik ook wanneer spelers agressief beginnen spelen of vertragingsmanoeuvres uitvoeren en dat zeg ik dan ook. Soms slaag ik er zelfs in op het gepaste moment een kreet van ergernis te slaken of mijn handen radeloos in de lucht te steken. Allemaal in de hoop dat ze hier thuis denken dat ik er inzicht in heb. Niet dat dat mijn reputatie al ten goede is gekomen, maar ik vind het toch het proberen waard.

Allez, riep mijn man maandagavond, ziet ge dat, die durven niet te lopen, die durven hunne nek niet uitsteken, en zie, ze vallen over hun eigen voeten. Hoe is het nu toch mogelijk? Tja, ik wist direct waar het aan lag. Het was hun haar. Veel te veel tijd gestoken in hun haar. Zo verzorgd als die jongens eruit zagen… Met zo´n kapsel ga je toch niet over het gras liggen rollen, laat staan dat je ermee gaat koppen of zoiets. Uren en uren moeten ze ervoor nodig hebben gehad. Uren die ze misschien toch beter op het oefenveld hadden doorgebracht.

Vrouwen – en mannenzaken

Onze vakantie is voorbij en ik heb uren en uren gewassen en gestreken. Ik ben het beu. Er ziet toch niemand hoe netjes mijn kasten erbij liggen en nooit is de was echt gedaan. Ik wil ook weleens iets doen waar je weken of misschien zelfs maanden deugd van hebt.

‘Dit jaar wil ík het terras doen’, zeg ik. ‘Ik vind dat ik dat verdien. Want wie heeft die hogedrukreiniger op het internet besteld en wie heeft hem hoogst persoonlijk in het postkantoor afgehaald? En wie heeft dat pakket helemaal alleen naar buiten gedragen? Doe maar eens een deur open met zo´n lomp pak in uw handen; sta daar maar eens te houden, niet wetend wat te doen, en dat allemaal voor de ogen van twee postbediendes die geen hand uitsteken om u te helpen! Van pure ellende heb ik het pakket op de grond moeten zetten, de deur open gehouden met mijn ene voet, mijn andere naar dat pak uitgestoken om het dichterbij te halen, en voor de rest kan ik echt niet zeggen hoe ik buiten ben geraakt, ik voelde alleen maar die ogen in mijn rug. En toen moest ik het nog in de auto op de achterbank leggen, want tja, die kofferbak, wat klein, hé.’

‘Ge had hem toch ook thuis kunnen laten leveren’, sputtert mijn man tegen, ‘het is toch niet míjn schuld dat ge er zo´n miserie mee hebt gehad. En met een hogedrukreiniger werken, dat is toch niks voor vrouwen. Bovendien, ík heb hem uit de auto gehaald en in elkaar gestoken. Dit voorjaar test ik hem uit – gij moogt dan volgend jaar.’

Ah zo’, zeg ik gevaarlijk, ‘ik wist niet dat gij een seksist waart.’

‘Ik vertrek hier’, grommelt hij, ‘gij met uw kuren, ik moet nog naar de garage, banden laten wisselen, en naar het containerpark. Of wilt ge dat misschien ook zelf doen?’

Hij is weg en vlug haal ik de Kärcher uit het tuinhuis, sluit alles aan en begin aan het terras. Gestaag werk ik door en ik geniet. Goh, zo proper zijn die tegels in jaren niet geweest. En dat ligt vast niet alleen aan die nieuwe Kärcher, denk ik fier. Dat is mijn vrouwenhand. Ik begin zowaar te dansen. Tot ik twee ogen voel prikken in mijn rug…

Kärcher


 

Zó schoon

will-tura

Beste Will,

Hopelijk neem je me niet kwalijk dat ik je met je artiestennaam aanspreek. Natuurlijk weet ik dat je echte naam Arthur Blanckaert is, maar omdat ik je al mijn hele leven als Will Tura ken, ben ik mijn brief zo begonnen.

Graag wil ik je vertellen dat ik diep onder de indruk ben van de manier waarop je 58 jaar lang stand hebt gehouden in het Vlaamse liedjeslandschap. 58 jaar, dat is langer dan ik al leef. Ik vraag me af hoeveel Bloed, zweet en tranen dat moet hebben gekost.

Weet je, en dit blijft Tussen jou en mij: ik heb een zwak voor mannen met een passie. Altijd al gehad. Vooral voor mannen die van hun passie hun beroep hebben gemaakt. En jij bent zo´n man. Jammer genoeg heb ik je maar ooit één keer in het echt gezien, jaren geleden, in de kerk van Lommel. De “voorlopig laatste” show ter gelegenheid van je 75ste verjaardag heb ik zondagavond op televisie  gevolgd. Ik heb er erg van genoten, hier op mijn sofa. Ik heb zelfs luidkeels mee gezongen. Dat je begonnen bent met Vlaanderen mijn land en geëindigd bent met Omdat ik Vlaming ben, vond ik geweldig. Ik woon dan wel in het Duitstalige gebied maar houd nog altijd veel van Vlaanderen en mijn Vlaamse moedertaal. Toen je Ik mis je zo inzette – die intro… het had een lied van Elvis Presley kunnen zijn. Ik denk dat je internationaal ook veel succes had kunnen hebben.

Met je allerlaatste liedje, Ik ben een zanger, heb je in stijl afgesloten. Je zingt daar dat muziek de zin is van je leven. Dat heel je hart in je lied ligt. Een roeping noemt je het. Je bent een man die in zichzelf geloofde en met dit lied bedank je de mensen die je in je keuze met liefde hebben gesteund. Ik vind dat zó schoon. Het geeft me hoop. En Hoop doet leven.

Hierbij wil ik je dan ook uitdrukkelijk bedanken voor alles wat je me gegeven hebt. Doe de groeten aan Jenny en hopelijk tot binnenkort.

Met hartelijke groet,

Zonder zorgen

Het klinkt steeds gevaarlijker, wat we daar gaan doen. Zorgelijk kijk ik naar mijn vriendin. Ik geloof best dat die man van de verhuur ons niet bang wil maken, maar toch. Gelukkig hebben we besloten dat we niet zelf zullen rijden. We gaan bij onze mannen achterop.

Hij vraagt ons hoe we dat gaan doen met die waarborg. Subtiel wijst hij erop dat je, wanneer je iets met een Vespa aan de hand hebt, nooit gaat toekomen met de gevraagde waarborg van driehonderd euro. Er kan van alles mis gaan en hij vindt het zijn morele plicht om daar seffens, wanneer hij de instructies geeft, nog eens op terug te komen.

Omstandig legt hij uit hoe we de motor moeten starten. Als we maar goed denken aan die driehoek contact, rem en starter, kan dat volgens hem niet mislukken. Tijdens het rijden moeten we er vooral voor zorgen niet te vallen. Want dan is meteen de hele zijkant van dat gerij kapot. Met een tragisch gebaar geeft hij aan hoe ontzettend kapot een Vespa kan zijn. Van de staander tot aan de spiegel, en alles daar tussenin. Vijfhonderd tot achthonderd euro, minstens. Altijd. Of je nu gewoon valt of in de gracht sukkelt. Wanneer we ergens moeten stoppen om over te steken, is het goed opletten geblazen met die rem en die gas. Het komt weinig voor dat er iemand echt over kop gaat, maar hij mag het niet verzwijgen. En, oh ja, botsen. Ook al eens gebeurd. Toen vloog die Vespa helemaal dubbel geplooid door de lucht, wel 15 meter ver, en die vrouw zat er nog op. Maar hij heeft er alle vertrouwen in. Kijk, daar staat zijn camionette, klaar om ons te komen depanneren.

Opnieuw vraagt hij hoe het nu zit met die waarborg en of we wel alles gelezen hebben. Ook dat met die 10 of 25 euro? Die 10 euro is voor een verzekering waarbij we altijd nog 100 euro zelf moeten betalen wanneer er iets gebeurt, 25 euro is voor de formule Rijden zonder zorgen. Geen kosten, gelijk hoe of wat. De beslissing is snel genomen…

Vespa

Vespa

Het zijn de darmen

Regelmatig kom ik samen met mijn Duitse vriendinnen. Vroeger ontbeten we nogal eens bij elkaar en noemden dat heel serieus ons Managerfrühstück. We bespraken dan de schoolse vorderingen of niet-vorderingen van onze kinderen en namen en passant het hele onderwijssysteem in Duitsland onder de loep. We leverden gefundeerde maatschappijkritiek en vonden troost in het feit dat niemand van ons een bevredigend concept had voor het managen van een groot gezin met schoolgaande kinderen. Tegen alle verwachtingen in spraken we zelden of nooit over onze mannen, die allemaal even achterdochtig waren. Wie weet wat wij durfden vertellen! Daar staan de boekskes toch vol van, van wat vriendinnen met elkaar delen! Wijselijk streelden wij hun ijdelheid en ontkenden niets.

De laatste jaren ontbijten we niet meer samen maar gaan we wel nog af en toe bij elkaar op de koffie. We hebben ons een tijdje intensief bezig gehouden met wat we lezen en discuteerden over het al dan niet bestaan van de vrije wil. Tegenwoordig gaat het over onze kwaaltjes. En nu verschillen we pas echt van mening. Zíj zijn er van overtuigd dat je de meeste kwalen kunt tegenhouden en zelfs vermijden. Alles is een kwestie van psychologie, en slijtage be-staat niet. Je armen niet meer hoog in de lucht kunnen steken heeft een andere oorzaak, móet een andere oorzaak hebben. Het ligt aan de darmen! Verzuring is het en je moet gewoon je voeding aanpassen. Geen kleermakerszit meer kunnen maken? Een blokkade! Van de darmen! Ík denk dan dat er gewoon sleet op zit. Dat kan toch, op onze leeftijd?

Ze zullen vermoedelijk wel nooit met hulpmiddelen in bed gaan liggen. En ik vrees dat er dan toch een hoop plezier aan hen voorbij gaat. Gisteravond gingen mijn man en ik slapen; hij met een brace rond zijn linker- en ik met een brace rond mijn rechterpols. Na het tandenpoetsen heb ik mijn opbeetplaatje nog ingezet en slissend gevraagd hoe sexy ik er zo uit zag. Proestend van het lachen kroop mijn man onder de dekens en heeft daarna het licht uitgedaan.

Mannen snappen ook niks

“En, hoe was jouw dag?” Opgewekt gaat mijn man tegenover me aan tafel zitten.
Ik barst meteen los. “Ja, wat denk je, hoe was mijn dag! Gestudeerd, boodschappen gedaan, gekookt, en voor de rest niemand gehoord of gezien. Als jij dat leuk noemt!”
“Heb ik dat dan gezegd – dat je dat leuk moet vinden?”
“Nee, maar ik weet dat jij denkt dat ik het toch maar goed heb, alleen nog maar bezig zijn met dingen die ik graag doe. Jullie mannen snappen ook niks.”
“Wat moet ik dan nu weer snappen?”
“Ons huis is veel te groot en de tuin ligt er verwaarloosd bij en als we nog eens wat ouder zijn dan kunnen we dat allemaal niet meer aan en ik wil hier weg. Gewoon weg!” Lange uithaal: “En ik mis de kinderen zo!”
“De tuin verwaarloosd? Hoe kom je erbij? Hij heeft er nog nooit zo goed bij gelegen als nu!” Beledigd prikt hij in zijn eten. Weer heeft hij het niet begrepen.
“En in de krant lees ik iedere dag wel iets over wonen. Als we willen dat het voor de volgende generatie betaalbaar blijft, zullen we sneller naar een kleinere woning moeten verhuizen. De Engelsen doen dat toch ook?”
Hij schuift zijn bord weg en reageert stijfjes: “Je weet hoe ik daarover denk. Wij zijn daar nog helemaal niet aan toe.”
“Ja, maar ik kan hier écht niet blijven wonen, het huis is te groot en te leeg en ik kán het niet en ik wíl het niet en wat dénk je wel, alleen maar omdat jij hier nog werkt, en het is zinloos en de kinderen zijn de deur uit en …”
Het begint hem te dagen. Een avond vol zwijgen volgt.

De volgende dag komt onze oudste zoon even langs. Hij werkt aan een doctoraatsthesis over het meergeneratiehuis en uiteraard stimuleert hij mijn zoektocht naar een andere woning.
“En mama, heb je de link die ik gisteravond heb doorgestuurd al geopend?”
Ik kijk zijn vader even aan. “Jaah, maar ik vind het toch wat klein en er is zo weinig tuin bij.”

Mannen en auto´s

“En, hoeveel kilometer heb je nu al met deze auto gereden?” vraagt mijn man geïnteresseerd. Onze vrienden hebben ons afgehaald en we zijn met z´n vieren onderweg naar een restaurant. We gaan weer een verjaardag vieren.
“Vierhonderdvijftigduizend” antwoordt zijn vriend met een zekere trots. Mijn man knikt met gepaste bewondering.
“Ik ben er laatst nog mee naar de keuring geweest. Vier keer ben ik terug moeten gaan, maar ik heb hem er door gekregen. Want ik ben niet van plan hem te gaan afdanken. Ons busje hebben we ook nog altijd. Twintig jaar is het nu, zo oud als onze jongste dochter. Ben ik ook pas mee naar de keuring geweest, allez, met de bus.” Hij denkt er duidelijk met plezier aan terug. “Ik had wat lucht uit de banden gelaten. Dan valt het niet zo op dat de vering niet meer al te best is. Ze maakten wel een opmerking over die banden, maar toen heb ik zo langs mijn neus weg tegen die mannen daar gezegd: ̔ Goh, wat is dat nu, ik heb er laatst nog naar gekeken. ̓ En dat was niet gelogen, hè.” Hij glimt van tevredenheid.
“Mijn auto heb ik nu acht jaar”, zegt mijn man, “en ik ben ook van plan hem zo lang mogelijk te houden. Het is een comfortabele wagen en hij rijdt nog goed. Het enige waar ik niet tegen kan, is dat die lichten zo dikwijls kapot gaan. En die nieuwe lampjes steken, dat is toch altijd zo´n gefroemel. Ik geraak er altijd bij gewond. Ingrid staat al klaar met de pleisters wanneer ik weer naar binnen kom.”
Ik meng me in het gesprek. “Dat zegt hij nu wel, nog lang rijden met die auto. Maar iedere keer dat ie een lampje moet vervangen begint ie te vloeken en te tieren. Auto´s zijn gebruiksartikelen en die moeten functioneren, vindt hij. Ik voel het al aankomen. Dit jaar is zeker weer autosalon? En een auto kopen, dat betekent voor hem niet: een testrit maken, keihard onderhandelen en toch nog eens nadenken. Dat is waarschijnlijk rapper gebeurd dan een lampje vervangen.”