De schuld van de natuur

Mannen begrijpen zoiets niet. Althans de mijne niet. En de man van mijn vriendin, ik noem hem Wee, ook niet. Al meer dan eens hebben ze het er hoofdschuddend over gehad. Maar sinds kort heeft Wee er een theorie over. Die gaat zo: het heeft allemaal te maken met de structuur van onze hersenen. Daar zit onderaan een schil, of een laag, een of ander overblijfsel uit vroeger tijden, van toen de mannen nog gingen jagen en hun vrouwen op zoek gingen naar bessen en zo. De mannen gingen doelgericht af op hun prooi, lieten zich door niets of niemand afleiden en als de prooi binnen was, kwamen ze spoorslags terug naar huis. (Vrij vertaald: ze kunnen maar een ding tegelijk doen, dacht ik toen de theorie uit de doeken werd gedaan, maar ik zei niks.) Ondertussen gingen hun vrouwen op pad om bessen, noten en vruchten te verzamelen. Die moesten ze van alle kanten goed bekijken en op hun rijpheid controleren. En zo dwaalden die vrouwen wel eens af en kwamen naar huis met iets waar ze niet naar op zoek waren gegaan. Het is dus allemaal de schuld van de natuur.
‘Och, ik heb me erbij neergelegd’, schokschouderde Wee afgelopen zaterdagavond. ‘De week na carnaval waren we aan zee en T. wou gaan winkelen. Ze had nog grijze jeans nodig, zei ze. Want het enige wat ze nog niet had voor dit seizoen was een grijze broek. Wij dus naar Oostende. En wat denk je? In heel Oostende geen grijze broek te vinden. Ze heeft toen maar een nieuwe regenjas gekocht. Want die had ze opeens toch ook zó nodig en was juist wat ze in gedachten had gehad’, knipoogde hij naar mijn man.

Gisteren vertrok ik naar de stad. Mijn man vroeg of ik iets bepaalds van plan was. ‘Ach’, zei ik, ‘eens kijken voor een blauw vestje. Dat ene is al zo oud als de straat, ik kan wel eens een nieuw gebruiken.’
Ik ben thuis gekomen met een heel schoon, crèmekleurig tafellaken. Allemaal de schuld van de natuur. Maar wel eentje dat ik niet hoef te strijken. Juist wat ik in gedachten had gehad.

Janneke

Voor alle mensen die het wél hebben gedaan: ik hoop dat het de moeite waard was. En ik geef het hier meteen toe: ik ben er niet voor opgestaan. Mijn lekker warme bed verlaten voor de superbloedmaan, ik heb het niet eens overwógen. Dat het nog tot 2029 gaat duren vooraleer we dit natuurverschijnsel weer eens kunnen aanschouwen, heeft me er niet van kunnen overtuigen mijn slaap er ook maar een seconde voor te laten. Allez zeg, in het holst van de nacht opstaan en een beetje naar een rode maan gaan zitten kijken. Of ze nu verduisterd is, wit of rood, het is toch gewoon de natuur. Ik zou mezelf voor gek hebben verklaard als ik daarvoor mijn wekker had gezet. Die zou gegarandeerd zijn afgelopen net wanneer ik voor de vierde keer was ingeslapen. Nee, bedankt hoor.

In vroeger tijden, toen de maan nog Janneke heette en ik als klein meisje op de achterbank van onze auto vanuit het raampje naar buiten keek terwijl we ´s avonds na een bezoek naar huis reden, ja, toen deed de maan me nog wat. Ze was er ook altijd. Of we nu een bocht naar rechts namen of naar links, vroeg of laat dook ze weer op. En later, toen ik ouder was en vanop mijn bed door de open gordijnen naar de donkere hemel lag te staren – nog lang nadat ik onder de lantaarnpaal smachtend afscheid had genomen van mijn lief – lachte ze soms heel begripvol naar mij. Bleekjes, maar toch. Ach, toen bracht ze nog soelaas.

Sinds onze kinderen het huis uit zijn, zie ik nog weinig reden om ´s nachts op te staan. Alleen een dringende plas of het gerinkel van de telefoon kan me nog het bed uit jagen. Want aanhoudend gerinkel in het midden van de nacht kan maar twee dingen betekenen: er is iemand geboren of er is iemand dood. En dan vlíeg ik de slaapkamer uit. Ook al is het gewoon de natuur.

Een kort rokje

Soms moeten we er gewoon eens even uit, mijn buurvrouw en ik. En dan gaan we wandelen. Gisteren vertrokken we van hieruit en stapten fluks door de velden richting Emmaburg. Nu moet ik er wel bij vertellen dat mijn buurvrouw graag en goed fotografeert. En het valt mij steeds weer op: fotografen kijken anders. Ze zien alles, maar dan ook alles. Tot in het kleinste detail. Zij zag de reiger die in het veld doodstil naar de straat stond te turen. Ik zag hem ook, maar alleen toen zij me erop wees. Het was prachtig. Zo´n grote, grijze vogel die zich van niks iets aantrekt en daar op hoge poten fier in het groene gras staat. Stram als een wachter voor Buckingham Palace. Af en toe draaide hij zijn kop hooghartig rond maar voor de rest liet hij zich door niets of niemand van de wijs brengen.
Ze zag ook de kleine paddenstoel op de grond en het haarijs op een afgebroken boomstam. Ach, zo mooi. Zonder haar was ik er gewoon aan voorbij gelopen. Wél zie en hoor ik de weidsheid. Ik ruik de lucht en voel het licht.

Mijn man kijkt ook zo. Toen ik hem leerde kennen dacht ik trouwens dat hij fotograaf was. Telkens als ik hem zag, was hij druk met een fototoestel in de weer. Viel dat even tegen. Nu ja, dat is een ander thema. In ieder geval, wanneer wij samen gaan wandelen, verloopt dat net hetzelfde. Hij wijst me op de vogel die op die hoge tak daar zit. Op het eekhoorntje dat bang wegschiet. Op de noten aan die boom. Alles in de natuur heeft hij gezien. En ik, ik heb mijn ogen in mijn zak.

Bij mensen neem ik de details vaak wel waar. Ik weet meestal of iemand bleker was dan anders, gespannen was, of hoe hij gekleed was. Dat merkt mijn man dan weer niet. Vraag hem niet wat hij vindt van dat toch wel veel te korte rokje van die ene kennis – hij heeft het gewoonweg niet gezien. Zegt hij toch.

ijskristallen
© Greta Den Hert