Huppelpas

Van Dale

De wijnen die ik graag drink heten Chardonnay en Tempranillo. Dat heeft mijn man me laatst verteld en hij kan het weten. En daarom heb ik, toen ik ergens Tempranillo zag staan, en procenten, via het internet een bestelling geplaatst. De nieuwe Van Dale heb ik ook online besteld. Naar het schijnt wordt dat nog een collector´s item.

Ik kom thuis en vind een briefje van een verzendfirma. Ze hebben iets afgeleverd bij onze nieuwe buren en in huppelpas vertrek ik naar hiernaast. Joepie, denk ik, zo rap, lang leve internet!
Ja, ze heeft iets aangenomen, vertelt mijn Duitse buurvrouw als ik aanbel. “Ik trek vlug mijn jas aan, dan … ”
“Ha”, onderbreek ik haar verheugd, “dat zal mijn Dikke Van Dale zijn. Pas gisteren besteld en kijk eens, nu al hier!”
Ze kijkt me bevreemd aan. “Het zijn wel twee pakketten”, zegt ze voorzichtig. “En ze zijn zwaar. Zal ik helpen dragen?”
“Tja”, antwoord ik vrolijk, “dan zullen ze hem over die twee pakketten verspreid hebben, zeker. Die Van Dale heet niet voor niets de dikke, hé.” Ik knipoog nog net niet. “Wil je ze misschien bovenop elkaar in mijn armen leggen, dan kan ik het verder wel alleen. Ik hoef er toch niet ver mee te lopen.” Typisch, denk ik terwijl ik mijn armen uitstrek, die Duitsers ook,  kennen nu toch geen van allen hun talen. Beseffen niet hoe rijk onze Nederlandse woordenschat wel is en hoe dik daarom ons woordenboek.

Ze staat er wat bedremmeld bij en kijkt me indringend aan. Of ik echt geen hulp nodig heb. “Maar nee”, stel ik haar gerust en draai me zwierig om. “Dankjewel” roep ik nog over mijn schouder en langs de straat strompel ik terug naar huis. Want het is toch zwaarder dan ik dacht. Hijgend zet ik de pakketten op de keukentafel, hang mijn jas over een stoel en verschiet me een ongeluk. Er staan afbeeldingen van flessen op de verpakking. Daar kun je echt niet naast kijken en dat heeft mijn nieuwe buurvrouw vast ook niet gedaan.

Ik durf niet te denken aan wat zij moet hebben gedacht.

Op de waterfiets

Houden de Nederlanders niet meer van hun taal? Want waar wij, Vlamingen, over de Ronde van Frankrijk spreken, hebben zij het over de Tour de France. En de start in Utrecht noemen ze Le Grand Départ. Tenminste, dat is wat ik op de radio hoor terwijl we met de auto naar Amsterdam rijden. Ik ga er naar een studiedag en mijn man wil de World Press Photo tentoonstelling bezoeken.

De tentoonstelling is erg confronterend en de vader van mijn zonen is diep onder de indruk. “Al die ellende overal – daarbij zinkt alles waar wij over klagen en zagen toch volledig in het niet”, zegt hij stil wanneer hij me ´s avonds afhaalt. Even later leeft hij op. “Gelukkig heb ik nadien nog wat kunnen lachen.” Hij klapt zijn gsm open en toont me een foto van een groep naakte fietsers die aan een coffeeshop voorbij rijden.

Ik kijk naar de foto en denk spontaan aan De Tango van het blote kontje van Toon Hermans. Aan de blote piemel op de waterfiets. Waarom weet ik niet. Is het de associatie van Nederland met water en met fietsen? Het liedje staat op een muziekcassette die jaren geleden in onze auto lag en alleen werd opgezet wanneer we een lange rit voor de boeg hadden. De kinderen wachtten dan in vrolijke spanning af tot ze Toon hoorden en begonnen steevast luidkeels mee te zingen. Want kont en piemel waren woorden die wij niet bezigden maar in de kleuterklas en de lagere school een hoge populariteit genoten. Dat ze die nu zomaar hardop konden zeggen waar wij bij waren! En dat we er ook nog mee konden lachen! De pret kon niet op en ze kregen er nooit genoeg van. Ik ook niet. Nog altijd geniet ik van ‘die dozen van Pandora’ en van ‘die trieste billen die in het water staan, zo van waarom komt hier nu nooit eens iemand aan’. Zoveel hoop en teleurstelling in één liedje. Altijd weer die combinatie van een lach en een traan. Ik houd van dat spel met taal. Ons aller Nederlandse taal.

4 juli A´dam

Geen kattenpis

Het wordt geen wandeling in het park, zegt Kris Peeters. De coformateur spreekt over de onderhandelingen voor een federale regering die 17,3 miljard moet zien te vinden en hij bedoelt dat het niet gemakkelijk wordt. Dat het allemaal geen kattenpis is en niet van een leien dakje zal lopen.

Een wandeling in (of door) het park is een letterlijke vertaling uit het Engels: a walk in the park. Met deze uitdrukking geef je aan dat iets gemakkelijk is en wanneer iets not a walk in the park is, is het op z´n minst een hachelijke onderneming. Op een typisch Engelse, onderkoelde manier zeg je eigenlijk dat iets aartsmoeilijk is. Persoonlijk denk ik, als Nederlandstalige, bij een wandeling door het park aan mooi weer en picknicken. Aan schilderachtige toestanden – Le déjeuner sur l´herbe van Manet bijvoorbeeld. Waarmee ik niet wil zeggen dat Kris Peeters een fout maakt. Zijn taalgevoel is gewoon anders dan het mijne. De coloribus et gustibus non est disputandem, zou Bart De Wever zeggen, ieder zijn smaak.

Denken aan Engelse uitdrukkingen slingert me terug in de tijd. Tijdens mijn opleiding tot vertaler moesten wij een boekje vol Engelse spreekwoorden van buiten leren. Dat was ook geen wandeling in het park. Goh, wat heb ik daar op geblokt. Jaren later droomde ik nog dat ik examen moest afleggen van die spreekwoorden. De uitdrukking it´s raining cats and dogs is me nog het beste bijgebleven. Ik hoop maar dat Kris Peeters dat niet gaat meemaken tijdens zijn wandeling. Honden en katten die zomaar uit de hemel vallen… Dan toch liever pijpenstelen.

Ik kan me nu ook goed voorstellen dat Kris Peeters aan de onderhandelingstafel zegt dat het zijn kopje thee niet is wanneer hem iets niet bevalt. Op een heel monotone toon, dan komt het niet zo hard aan. En ik hoor hem al verkondigen: als premier zal ik in het buitenland veel Engels moeten spreken, voor mij is dat een stukje cake, zo gemakkelijk. Uitgerekend tegen BDW, die geen interesse meer heeft in eten. Veel kans dat die dan zegt: Ga wandelen zeg, in het park, voor mijn part.

Vreemde talen

Is het niet verschrikkelijk, zucht een Duitse kennis terwijl we aan de rand hangen van het zwembad in het Preuswald, een woongebied in Aken. Rijd ik met de bus naar het centrum van Aken en, je gelóóft het niet, voor me zitten twee vrouwen in het Roemeens met elkaar te babbelen. Waarom spreken die geen Duits? Die vreemde talen overal! Hoe kan ik nu weten waar ze het over hebben? Misschien lachen ze mij wel uit. Het is ronduit onbeleefd, ergert ze zich. Als iemand in een Duitse bus wil zitten, dan moet ie maar Duits spreken.
Blijkbaar is ze vergeten dat ik een buitenlandse ben. Of zijn Belgen in Duitsland geen buitenlanders en Bulgaren en Roemenen wel?
Ach zo, geef ik haar mee, dus als ik met mijn Vlaamse buurvrouw in de bus naar Aken zit, dan moeten wij Duits spreken met elkaar? Zodat jij kunt verstaan wat wij zeggen? Wij zijn gewoon blij als we onze moedertaal kunnen gebruiken, soms spreekt dat net iets makkelijker. Als jij met een Duitse vriendin op de trein zit naar Maastricht, spreek je dan ook Nederlands? Ze haalt eens diep adem en zwemt met op elkaar geklemde kaken weg.

Als je een land goed genoeg vindt om er te wonen en te werken, dan is het eerste wat je moet doen je de voertaal eigen maken. En dit zo goed mogelijk. Maar kinderen het verbod opleggen hun moedertaal te spreken wanneer ze op de speelplaats een landgenootje zien, dat gaat te ver. Het zegt meer iets over het wantrouwen van degenen die dat zo willen dan over de niet-bereidheid van buitenlanders een andere taal te leren.
Taal heeft met gevoel te maken en vaak kan je jezelf beter uitdrukken in je moedertaal. Zeker wanneer je tijdens de pauze als Bulgaars jongetje dat wat je hebt geleerd op je Vlaamse school nog eens wil uitleggen aan je Bulgaars vriendje. Je moedertaal leg je niet af alsof het een jas is. Dat Zuhal Demir en Peter De Roover, beiden van de N-VA en kandidaat voor de Kamer, in dit verband spreken over “kiezen voor apartheid” (DS 11 april) vind ik dan ook totaal misplaatst.

Onbetaalbare stilte

Zie mij hier nu liggen. De hele zaal ruikt naar opgedroogd zweet en niet-gelucht-zijn. Naar bokken en paarden en Zweedse banken. Niet bepaald een oord van ontspanning. En daar lig ik dan: op een vieze, blauwe mat in Aken, op zoek naar mezelf. Nog een geluk dat ik mijn eigen badhanddoek heb meegebracht.

Na drie kwartier power-yoga maken we ons klaar voor een fantasiereis. We drukken onze rug plat tegen de mat, sluiten gewillig onze ogen en laten onze voeten lichtjes uit elkaar vallen. Onze handen rusten discreet op de buik, want de buik is de bron van alle energie. In de verte klinkt muziek van klankschalen en met een kunstmatig lome stem verlangt de yogaleraar dat we onze ledematen één voor één ontspannen. Zo jong nog, moet die deze hoop vrouwen hun innerlijke rust teruggeven? Als dat maar lukt. Beetje buitenlands type, donkere huid en donkere ogen. Een getraind lichaam in een nauwaansluitende, witte joggingbroek. Niet onaantrekkelijk, alhoewel, die heupen zijn misschien íetsje te breed naar mijn smaak.
Van onder naar boven, of was het nu van buiten naar binnen? Ik kan niet meer volgen, zijn we al bij de schouders of nog bij de benen? Wordt dit een groepsgebeuren en moet ik in het Duits meereizen of is het individueel en mag het in het Nederlands? Ik piep eens naar links en naar rechts. Niemand beweegt. Ik knijp mijn ogen weer dicht en besluit in mijn moedertaal te gaan relaxen. Water vind ik goed passen bij het Nederlands, bergen verbind ik meer met het Duits. De Atlantische oceaan dan maar.
Elegant spring ik over en door de golven en krachtig crawl ik in mijn mooiste badpak door het blauwgroene water. Niets heerlijker dan dit. Boven me zie ik een eindeloze, stralend blauwe hemel. Gedragen door het zoute water zwem ik even rustig schoolslag, ik kijk wat om me heen en geniet van de vrijheid. Niemand anders in de buurt en vooral: geen geluid. Onbetaalbaar, zo´n stilte.

Een luide snurk laat me opschrikken uit mijn mooie droom. Ik wil naar huis. Groepsreizen liggen me uiteindelijk toch niet zo.