Curieus

Foto door Nick Demou op Pexels.com

De laatste weken heb ik een ware obsessie voor kappers ontwikkeld. Echt, ik denk er voortdurend aan. Ik droom er zelfs van. In alle talen. Van een Friseur in Lederhose, een coiffeur in een marcelleke, een kapper op klompen en een hairdresser in kamerjas. Vanochtend was ik ineens curieus naar de herkomst van het woord ‘kapper’. Kapper komt van kappen – een werkwoord met twee betekenissen: kappen als omhakken en kappen als haar opmaken. Het kappen als haar opmaken is afgeleid van kap (hoofddeksel). Het ontstaan van het woord had dus betrekking op de gewoonte vrouwen een sierlijke hoofdkap op te zetten. Al gauw werd het algemener: het haar opmaken (al dan niet met behulp van een kap) én het werd ook toegepast op mannen. Iemand die het kappen als beroep heeft, is een kapper.

De parking van Jean Marie´s Hairshop houd ik nu al sinds een dag of tien nauwlettend in het oog. Meestal staat er maar één auto. Toch durf ik geen afspraak te maken. Bij mijn eerste bezoek na de vorige lockdown geraakte mijn kapper nogal van streek en ik wil hem niet nog eens teleurstellen. Nee, niet kleuren, had ik aan de telefoon gezegd, dan zit ik er langer dan een half uur en dat wil ik niet. Bovendien, opperde ik toen ik bij hem in de stoel zat, is dit niet dé gelegenheid eens af te wachten hoe grijs ik eigenlijk al ben? Daar was hij het duidelijk niet mee eens. Zijn ogen drukten zoveel onbegrip uit, en ja, ook treurnis, dat ik me liet overhalen een pakketje mee te nemen om mijn haar thuis zelf te kleuren. Het was niet voor herhaling vatbaar.

Ondertussen hangen mijn haren over mijn oren en voor mijn ogen. Twintig keer per dag kijk ik in de spiegel en nerveus van mijn kriebelend nektapijt zit ik alsmaar met mijn handen in mijn haar. Een vriendin stelde voor een diadeem te gaan dragen. Te verkrijgen in het Kruidvat, zei ze. En mijn man begon over schuifspelden. Schuifspelden! Ik weet niet eens of die nog bestaan. Nee, geen denken aan. Dan zet ik nog liever een hoofdkapje op.

Vrijheid, blijheid

Vroeger was het allemaal geen thema. Ergens in het voorjaar boekten we onze vakantie en in juli ging het dan richting Frankrijk of Italië. Geen discussie, niks, alles was altijd prima geregeld.
Nu ons huishouden tot twee personen is gereduceerd, openen zich opeens heel andere perspectieven. Een georganiseerde reis naar een oosters land! Zomaar vertrekken en in een leuke B&B logeren! Alles kan.
Ik word euforisch bij de gedachte aan het huren van een mobilhome. De vrijheid die je dan hebt! Zomaar vertrekken, gewoon de zon achterna! En je hebt altijd alles bij! Mijn man aarzelt nog wat, maar gaat voor zijn doen toch snel akkoord.
Op weg naar Frankrijk kijk ik genietend om me heen. P. sleurt verbeten aan het stuur, vastbesloten zijn uiterste best te doen. Maar het zit wat tegen. De uitgezochte kampeerplaats in Metz is volzet. Gelukkig is er nog een plekje vrij op de gewone parking. Geen water, geen elektriciteit, maar kom, voor één nachtje is dat geen probleem. De tweede avond, in Charmes, parkeert hij het gevaarte keurig tussen twee andere wagens. Heel idyllische plek, met zicht op de rivier. Alleen jammer dat het stroom- en waterpaaltje het niet doet en dat er ´s morgens hondenpoep voor onze deur ligt. En dat hij daar in trapt.
P. stelt voor een paar dagen op een echte camping te gaan staan. “Daar heb je iets meer ruimte en fatsoenlijke sanitaire voorzieningen; ik vind het hier toch maar een krappe bedoening, hoor. En als we wegrijden, kunnen we met een gerust hart alles buiten laten staan. Dan hoef ik ook niet meer te denken van: slingert hier nog iets rond en zijn alle raampjes dicht?”
Als we terugkomen van het boodschappen doen, staat er een ander op ons zorgvuldig uitgekozen plekje en hebben de buren rechts onze tuinmeubeltjes ingepalmd. Als we dan ook nog eens bedenken hoe we straks dat laddertje weer op moeten om in die alkoof te gaan slapen, zakt de moed ons in de schoenen. En dat chemisch toilet, het stinkt dan wel niet, maar het idee dat je altijd alles bij je hebt…