De schuld van de natuur

Mannen begrijpen zoiets niet. Althans de mijne niet. En de man van mijn vriendin, ik noem hem Wee, ook niet. Al meer dan eens hebben ze het er hoofdschuddend over gehad. Maar sinds kort heeft Wee er een theorie over. Die gaat zo: het heeft allemaal te maken met de structuur van onze hersenen. Daar zit onderaan een schil, of een laag, een of ander overblijfsel uit vroeger tijden, van toen de mannen nog gingen jagen en hun vrouwen op zoek gingen naar bessen en zo. De mannen gingen doelgericht af op hun prooi, lieten zich door niets of niemand afleiden en als de prooi binnen was, kwamen ze spoorslags terug naar huis. (Vrij vertaald: ze kunnen maar een ding tegelijk doen, dacht ik toen de theorie uit de doeken werd gedaan, maar ik zei niks.) Ondertussen gingen hun vrouwen op pad om bessen, noten en vruchten te verzamelen. Die moesten ze van alle kanten goed bekijken en op hun rijpheid controleren. En zo dwaalden die vrouwen wel eens af en kwamen naar huis met iets waar ze niet naar op zoek waren gegaan. Het is dus allemaal de schuld van de natuur.
‘Och, ik heb me erbij neergelegd’, schokschouderde Wee afgelopen zaterdagavond. ‘De week na carnaval waren we aan zee en T. wou gaan winkelen. Ze had nog grijze jeans nodig, zei ze. Want het enige wat ze nog niet had voor dit seizoen was een grijze broek. Wij dus naar Oostende. En wat denk je? In heel Oostende geen grijze broek te vinden. Ze heeft toen maar een nieuwe regenjas gekocht. Want die had ze opeens toch ook zó nodig en was juist wat ze in gedachten had gehad’, knipoogde hij naar mijn man.

Gisteren vertrok ik naar de stad. Mijn man vroeg of ik iets bepaalds van plan was. ‘Ach’, zei ik, ‘eens kijken voor een blauw vestje. Dat ene is al zo oud als de straat, ik kan wel eens een nieuw gebruiken.’
Ik ben thuis gekomen met een heel schoon, crèmekleurig tafellaken. Allemaal de schuld van de natuur. Maar wel eentje dat ik niet hoef te strijken. Juist wat ik in gedachten had gehad.

Weg van de clan

‘Ons Lena, ons Maria, onze Jos, ons Wies, onze Geert, ons Marleen en ons Liesbeth.’ Iedereen denkt dat ze uit een groot gezin komt. Of ze echt zoveel broers en zussen heeft? Nee, dus. Ze heeft twee zussen, en de anderen zijn tantes en nonkels langs moederszijde. Omdat haar moeder de oudste was van zes, al vroeg trouwde en haar eigen ouders nog vaak ging helpen, bleven haar broers en zussen “ons”. Ze hadden een hechte band en waren er fier op. Haar werd ingehamerd dat het nergens beter was dan in deze familie en hun geboortedorp. Op vakantie gaan, daar had je geen behoefte aan. Ergens anders is het gras heus niet groener.

Ze trouwde met een man uit eigen streek. Hij werd door de familie goedgekeurd en er in opgenomen. Maar toen maakten zij een fout. Ze gingen verhuizen. Weg uit het dorp, weg van de clan. En zoiets doe je niet. Alle broers en zussen van haar moeder woonden in een straal van één kilometer en bezochten elkaar elke dag. Hoe kon ze haar afkomst zo verloochenen. Gelukkig worden zou ze nooit en heel subtiel werd ze buitengesloten.

In die nieuwe stad moest ze leren op haar eigen oordeel af te gaan. Niemand die haar zei: dat is die of die, of: pas op, die zijn zus en zo. Hier was ze niet meer Hannelore van Katrien van Jef de Pauw. God, wat miste ze de geborgenheid van de clan, het fietsen door vertrouwde straten, de spontane bezoekjes van vrienden en familie.

Nu, na al die jaren van op zichzelf aangewezen zijn, kijkt ze met heel andere ogen naar haar familie. En vraagt zich af: is dat wel gezond? Elkaar elke dag bezoeken, alles van elkaar weten? Zo zeker zijn van jezelf en je plaats onder de zon? Dat ze zich daar ooit zo goed heeft gevoeld – in die voor haar nu zo vreemde wereld.

Niks nieuws

Voorzichtig stel ik voor naar de stad te rijden. Ik weet dat hij bij dit mooie weer liever de tuin ingaat, maar als ik het verstandig aanpak, krijg ik hem  misschien wel mee. Als we nu vertrekken, zeg ik monter, dan is het daar nog niet te druk en hebt ge namiddag nog tijd genoeg om in de tuin werken. En ja, het lukt. Hij trekt zijn schoenen alvast aan.

– Wat wilt ge daar eigenlijk gaan doen?

– Euh, eens wat rondkijken. Koffietje drinken. Misschien een short kopen.

– Een short? Sinds wanneer wilt gij een short?

– Zeg! Denkt ge dat ik daar niet meer mee sta, soms?

– Nee, nee. Dat heb ik toch niet gezegd. Dat maakt gij er nu weer van. Maar ik dacht dat ge vanaf nu alleen nog maar rokken en kleedjes ging dragen. Hebt ge gisterenavond nog gezegd, hoe gemakkelijk zoiets eigenlijk zit . Niks dat spant aan uwe buik, en …

– Ja, gísteren. En vandaag vind ik dat ik een nieuwe short nodig heb. Voor Thailand, voor wanneer we met die boot naar dat eiland gaan. Ge denkt toch niet dat ik weeral in een kleedje op zo´n speedboot kruip, zeker. En die gele short, die ben ik precies toch wat moe gezien. Hoelang zou ik die al hebben.

– Alsof dat ertoe doet, hoelang ge iets hebt. Als het nog goed is en het past nog, dan hebt ge niks nieuws nodig.

– Jaja. Die ken ik, die redenering van u. Trouwens, een nieuwe korte broek voor u is eigenlijk nog dringender. Die van u is nog ouder dan die van mij. En ze zakt af.

– Niks korte broek. Ik doe alleen nog lange broeken aan daar. Met al die muggen.

– Muggen? Hebt gij al ooit éne muggenbeet gehad? Ik ben hier degene met de muggenbeten, niet gij.  Ze moeten uw bloed niet. Maar goed, als gij geen korte broek wilt dragen, dan zweet gij u maar kapot in uw jeans. Voor mij niet gelaten.

– Allez, vertrekken we nu nog?

– Och, laat maar. Mijn goesting is al over.

 Opgewekt trekt hij zijn schoenen uit en doet zijn rubberlaarzen aan.

Van vijf tot elf

“Mevrouw, kunt u me even helpen? Ik zie niet meer zo goed… wilt u niet eens even kijken?” Een oudere dame staat bij het rek met de loungewear. Met haar ene hand houdt ze het prijskaartje van een kort, grijs jasje vast en met de andere strijkt ze over het stof van de mouw. Ze is klein, goed gekleed en keurig gekapt. Ietwat hulpeloos blikt ze naar me omhoog. Ik blijf staan en ze duwt het kaartje onder mijn neus.
“29 Euro en 99 cent”, meld ik.
“Oh, niet meer? Voor zo´n mooi jasje? Of wat vindt u? Zo´n zacht stof. Voelt u eens. Beter dan de kamerjas die ik nu heb. Die is van badstof, veel te zwaar. Ik zit er wel maar van vijf tot elf in, maar toch. Ik kijk weinig televisie, hoor. ”
Ze kijkt me afwachtend aan, merkt dat ik bereid ben te luisteren en ratelt verder: “Iedere middag ga ik de stad in. Ik eet om twaalf uur en daarna vertrek ik. Om vier uur, half vijf ga ik bij Tchibo een kopje koffie drinken en dan wandel ik weer naar huis. En vanaf vijf uur kijk ik televisie.”
Ze neemt het fleece jasje nog eens vast. “ Zo´n vestje is ideaal. Zo licht en zo zacht. Kan ik ook over mijn nachthemd aantrekken. Is het afgeprijsd?”
Ik kijk nog eens goed, en jawel: “ Van 49,99 naar 29,99”. Juist is juist.
Haar ogen lichten op: “Van vijftig naar dertig? Dan moet het wel een echt goed jasje zijn.” Instemmend geknik van mijn kant laat haar doorgaan: “Ik moet nog iemand vragen om mee te komen. Ik heb een bankkaart, hoor. Maar om te kijken of het me wel past. Waar staat de maat?”
Ik bestudeer het kledingstuk nog eens en wijs haar ook voorzichtig op de kap en de roze ritssluiting.
“Maar zo licht en zacht. Veel beter dan die badstoffen dingen. Die zijn toch veel te zwaar.” Ze recht haar rug: “ Ik ben al 88! Zou je niet zeggen, hé. En ik kijk alleen maar televisie van vijf tot elf.”