Vrouwen – en mannenzaken

Onze vakantie is voorbij en ik heb uren en uren gewassen en gestreken. Ik ben het beu. Er ziet toch niemand hoe netjes mijn kasten erbij liggen en nooit is de was echt gedaan. Ik wil ook weleens iets doen waar je weken of misschien zelfs maanden deugd van hebt.

‘Dit jaar wil ík het terras doen’, zeg ik. ‘Ik vind dat ik dat verdien. Want wie heeft die hogedrukreiniger op het internet besteld en wie heeft hem hoogst persoonlijk in het postkantoor afgehaald? En wie heeft dat pakket helemaal alleen naar buiten gedragen? Doe maar eens een deur open met zo´n lomp pak in uw handen; sta daar maar eens te houden, niet wetend wat te doen, en dat allemaal voor de ogen van twee postbediendes die geen hand uitsteken om u te helpen! Van pure ellende heb ik het pakket op de grond moeten zetten, de deur open gehouden met mijn ene voet, mijn andere naar dat pak uitgestoken om het dichterbij te halen, en voor de rest kan ik echt niet zeggen hoe ik buiten ben geraakt, ik voelde alleen maar die ogen in mijn rug. En toen moest ik het nog in de auto op de achterbank leggen, want tja, die kofferbak, wat klein, hé.’

‘Ge had hem toch ook thuis kunnen laten leveren’, sputtert mijn man tegen, ‘het is toch niet míjn schuld dat ge er zo´n miserie mee hebt gehad. En met een hogedrukreiniger werken, dat is toch niks voor vrouwen. Bovendien, ík heb hem uit de auto gehaald en in elkaar gestoken. Dit voorjaar test ik hem uit – gij moogt dan volgend jaar.’

Ah zo’, zeg ik gevaarlijk, ‘ik wist niet dat gij een seksist waart.’

‘Ik vertrek hier’, grommelt hij, ‘gij met uw kuren, ik moet nog naar de garage, banden laten wisselen, en naar het containerpark. Of wilt ge dat misschien ook zelf doen?’

Hij is weg en vlug haal ik de Kärcher uit het tuinhuis, sluit alles aan en begin aan het terras. Gestaag werk ik door en ik geniet. Goh, zo proper zijn die tegels in jaren niet geweest. En dat ligt vast niet alleen aan die nieuwe Kärcher, denk ik fier. Dat is mijn vrouwenhand. Ik begin zowaar te dansen. Tot ik twee ogen voel prikken in mijn rug…

Kärcher


 

Advertenties

Een frisse pint

GSM

Ik wandel langs de kerk op een plein in Oostende. Vóór me loopt een koppel van middelbare leeftijd, sportief in blauw en rood gekleed. Opeens houden ze halt. Zij blijft onderaan de trap van de kerk staan en hij loopt omhoog tot aan de grote, houten deur. Boven aangekomen klapt hij zijn gsm open en begint geanimeerd te praten. “Ja, we zijn hier in Oostende. Op het Sint-Petrus-en-Paulusplein. Mooi weer dat het hier is!” Oh God, denk ik, alweer zo iemand die iedereen kond wil doen van zijn hele doen en laten. “We zitten juist op een terras achter een frisse pint”, hoor ik hem nog zeggen. Ondertussen schuurt hij zijn rug tegen de deur. “Jongens, we genieten, zalle.”

Het brengt me enigszins van mijn stuk. Dat je een gsm ook kan gebruiken om je leven een beetje op te leuken, daar heb ik nog nooit bij stil gestaan. Laat ik nu altijd hebben gedacht dat mensen via hun draagbare telefoon de werkelijkheid beschrijven. Soms erger ik me zelfs aan de bereidheid waarmee sommigen hun hele leven zo luidruchtig willen delen. Wanneer iemand telefonisch meedeelt dat hij over het zebrapad loopt, bijvoorbeeld. En dat, godbetert, het licht net op rood springt. Of wanneer iemand in de supermarkt in zijn smartphone schettert: “Wélk toiletpapier moest ik meebrengen? Wat vond je nu ook weer het zachtste aan de poep, Hakle? Oh, klinkers verwisselen? Zewa? Drie-laags?”

Even later zit ik op een terras aan de dijk. Naast me zit een man alleen aan een tafeltje. Zijn telefoon rinkelt en hij legt zijn Nederlandse krant weg. “Ja, hoi, nee hoor, ik ben niet op kantoor. Veuls te mooi weer vandaag. Ik zit op een terras in Oostende, achter een groot glas bier. Of je mag storen? Voor goed nieuws, altijd joh, haha. Wat zeg je? Hebben we er 187.000 Euro mee verdiend? Nou zeg! Daar drink ik er nog eentje op. Doei! “ Breed lachend neemt hij zijn krant weer op en loert tersluiks naar mij, in de hoop dat ik het heb gehoord. Ongeïnteresseerd kijk ik weg. Pfft, alsof ik daar nog intrap.

Gevallen steken

Stel u voor: iemand zit ergens buiten op een terras. In Hasselt, zeg maar. Het is begin april en ze geniet van haar kopje koffie. Naast haar zitten twee vriendinnen druk te praten en heftig te gesticuleren. Maar de wind zit verkeerd. Ze kan het gesprek niet goed volgen. Wat ze niet hoort, fantaseert ze er dan maar bij.

– Dat Herman daar nu ook weet van heeft! Meestal ligt hij al lang te knorren wanneer Reyers Laat begint. Maar laatst was Isolde Lasoen daar om de actie dertig dagen stilte te promoten. En voor die madam kon meneer ineens wel wakker blijven!

– Isolde Lasoen?

– Die drumster, je weet wel, van Daan. Ja zeg, als ik bij Daan moest drummen zou ik ook nood hebben aan wat stilte!

– Je bent gewoon jaloers. Ik zie het, het groen komt uit je ogen!

– En toen stelde Herman voor dat wij meedoen en in april ook elke dag tien minuten stilte inweven. Hij klonk als Dirk de Wachter. Ínweven. Alsof het leven een breiwerk is!

– Daar zeg je iets. Een warm wollen vestje, in verschillende kleuren. Mooi glad gebreid, een rij rechts en een rij averechts. Met af en toe een kabel of een stukje ribbelsteek.

– Jouw leven misschien! Dat van mij is een grijze sjaal van gevallen steken. Een aaneenschakeling van grote gaten geluidloosheid. Hoeveel soorten stiltes je bij ons kan horen! En dan is het nog niet genoeg!

– Maar ik zal hem hebben. Wat denkt hij wel. Vanaf nu zwijg ik. Heel april. Dertig dagen lang. En ik doe niks dat geluid maakt. Dat hij het terras zélf maar met de hogedrukreiniger te lijf gaat. Mij kan die groenaanslag geen barst schelen. Van geen kanten!

– Denk je dat dat gaat lukken?

– Wat lukken?

– Dat hij dit jaar het terras hogedrukreinigt? En dat jij dan je mond houdt?

– Begin jij nu ook al? Ik dacht dat jij mijn vriendin was?

– Mijnheer, kunnen wij betalen? Twee koffies en twee broodjes gezond. Ieder apart alstublieft.

En daarmee basta

“Burn-out, waar komt ge nu toch weer mee af? Omdat de halve wereld een burn-out heeft, meent gij dat ge er ook een moet hebben, of wat? Hoe komt ge daar eigenlijk bij?”

De tafeltjes op dit terras staan nogal dicht naast elkaar en ik spits mijn oren.

“Euh, ik heb vanmorgen een test gedaan op mijn computer, en het is zo duidelijk als wat. Op al die vragen …”

“Ja zeg, als ik zo’n test doe, heb ik ook een burn-out. Dan heeft iedereen er een! Hoe is het mogelijk! Een opgebrande huisvrouw! Hoe denkt ge dat vrouwen dat vroeger deden? Toen bestonden er geen wasmachines, zalle. Toen moesten ze hun kleren nog op een plank wassen! Eerst water koken in van die grote ketels, en dan maar wrijven, hun knokkels wreven ze er op kapot! Nu moet ge alleen nog op een knopke drukken en dat is blijkbaar al teveel gevraagd – ons madam krijgt een burn-out!”

“Ja maar nee, toen hadden ze ook niet zo veel kleren, hooguit iets voor door de week en nog iets voor zondags. Nu heb ik alle dagen minstens een machine vol. En het gaat toch niet over die was alleen! Ik kan niet meer slapen, ik heb niks geen fut, en ik zie op tegen sociale contacten! Allemaal tekenen van! Ik wou dat ze me allemaal gerust lieten, en gij vooral. Begrijp dat nu toch eens, ik zie het gewoon niet meer zitten, dat huis, die kelder, die zolder, de tuin, nooit is het werk af!”

“Hou toch eens op met uw gezaag, hoort ge niet wat ik zeg? Hoe denkt ge dat dat vroeger ging? Denkt ge dat het toen beter was? Ze deden wat ze moesten doen en daarmee basta. En pas op hé, toen hadden ze geen kredietkaarten om eens therapeutisch te gaan winkelen. Niks hadden ze. Van de vroege morgen tot de late avond moesten ze werken. Die hadden geen tijd om ’s morgens van die computertestjes te maken. Laat staan dat ze gezellig met z’n tweeën op een terras ging zitten genieten, gelijk als wij nu.”