Niks nieuws

Voorzichtig stel ik voor naar de stad te rijden. Ik weet dat hij bij dit mooie weer liever de tuin ingaat, maar als ik het verstandig aanpak, krijg ik hem  misschien wel mee. Als we nu vertrekken, zeg ik monter, dan is het daar nog niet te druk en hebt ge namiddag nog tijd genoeg om in de tuin werken. En ja, het lukt. Hij trekt zijn schoenen alvast aan.

– Wat wilt ge daar eigenlijk gaan doen?

– Euh, eens wat rondkijken. Koffietje drinken. Misschien een short kopen.

– Een short? Sinds wanneer wilt gij een short?

– Zeg! Denkt ge dat ik daar niet meer mee sta, soms?

– Nee, nee. Dat heb ik toch niet gezegd. Dat maakt gij er nu weer van. Maar ik dacht dat ge vanaf nu alleen nog maar rokken en kleedjes ging dragen. Hebt ge gisterenavond nog gezegd, hoe gemakkelijk zoiets eigenlijk zit . Niks dat spant aan uwe buik, en …

– Ja, gísteren. En vandaag vind ik dat ik een nieuwe short nodig heb. Voor Thailand, voor wanneer we met die boot naar dat eiland gaan. Ge denkt toch niet dat ik weeral in een kleedje op zo´n speedboot kruip, zeker. En die gele short, die ben ik precies toch wat moe gezien. Hoelang zou ik die al hebben.

– Alsof dat ertoe doet, hoelang ge iets hebt. Als het nog goed is en het past nog, dan hebt ge niks nieuws nodig.

– Jaja. Die ken ik, die redenering van u. Trouwens, een nieuwe korte broek voor u is eigenlijk nog dringender. Die van u is nog ouder dan die van mij. En ze zakt af.

– Niks korte broek. Ik doe alleen nog lange broeken aan daar. Met al die muggen.

– Muggen? Hebt gij al ooit éne muggenbeet gehad? Ik ben hier degene met de muggenbeten, niet gij.  Ze moeten uw bloed niet. Maar goed, als gij geen korte broek wilt dragen, dan zweet gij u maar kapot in uw jeans. Voor mij niet gelaten.

– Allez, vertrekken we nu nog?

– Och, laat maar. Mijn goesting is al over.

 Opgewekt trekt hij zijn schoenen uit en doet zijn rubberlaarzen aan.

Op de buiten

Soms heb ik spijt dat ik weer op het platteland ben komen wonen. Want wat ik zocht, was rust en ruimte. Ondertussen is Hergenrath bijna dicht gebouwd en van rust kan ik ook niet echt spreken. Altijd en overal hoor ik machines. De hele dag door. Gras- en bosmaaiers. Cirkelzagen. Minigravers. Drilboren. Hogedrukreinigers en bladblazers. De bevrediging die dat werken met elektrische apparaten geeft, lijkt recht evenredig met het lawaai dat ze maken.

Dan zijn er de honden. Eigenlijk heb ik niks tegen die dieren, de meesten zijn best lief. Het zijn er gewoon wat veel. Ook kan ik maar niet begrijpen, waarom mensen een eigen hond willen hebben, hem bijna als hun kind behandelen, en hem dan in de publieke ruimte zijn behoefte laten doen. Dat ze die hondenpoep eens zelf bijhouden, denk ik dan. Kinderen laat je toch ook eerst thuis naar het toilet gaan, vooraleer je ermee gaat wandelen. En dat die eigenaren af en toe eens zeggen dat hun hond stil moet zijn. Dat blaft er maar op los. Die honden kunnen er natuurlijk niks aan doen, maar die baasjes…

Ik vraag me ook af waarom mensen een kat willen hebben en die dan de hele dag in de tuinen van de buren laten rondstruinen. Omdat katten van hun vrijheid houden en ze niet de hele dag binnen kunnen zitten? Oké. Maar waarom moeten ze dan, en het zijn er dagelijks een stuk of vier, in míjn tuin rondstruinen en hun behoefte tussen míjn planten doen? Hoe zit het met míjn vrijheid?

Muziek, ook nog zoiets. In Kelmis werd vorige dinsdag, 21 juli, tot in de vroege uren gevierd. Dat kan ik getuigen. Tot overmaat van ramp begon afgelopen weekend de kermis in Hergenrath. En ze gaan ervoor, hoor. Vanochtend tot half vier. Ik kan daar niet tegen. Ik word wild als ik wil slapen en de hele tijd ritmische doef-doefgeluiden hoor. En niet in de aangename zin. Vanochtend ben ik dan ook heel slecht gehumeurd opgestaan. Schrijf het van je af, dacht ik, schrijf het van je af. En voilà, het gaat al beter. Leve de buiten!

Februari 2015

Zijn komst was al lang van te voren geregeld en op het afgesproken tijdstip, woensdagmorgen negen uur, belde hij aan. Toen ik de deur opendeed, schrok ik een beetje. Hij zag er niet uit als een echte. Tuinmannen zijn in mijn ogen zongebruinde, gespierde types met een verweerd gezicht. Mannen met een pet en zand onder hun nagels. Deze had een ronde, kaalgeschoren kop, een oorbel in zijn linkeroor en een glad en bleek gezicht. Een heel bleek gezicht. Ik wierp een snelle blik op zijn vrachtwagen en zag dat er een hoop oranje buizen keurig netjes naast elkaar op de achterbak stonden. Oei, dacht ik, rioolbuizen. Dit is toch wel die man die komt snoeien? Ik was pas gerust gesteld toen hij zijn tuingereedschap uit die buizen tevoorschijn toverde.

Toen hij klaar was met de struiken aan de voorkant, begon hij met de bomen. Onder elke exemplaar stond hij minutenlang bedachtzaam naar boven te kijken. Daarna nam hij zijn langarm telescoopschaar in de hand en sneed voorzichtig hier en daar iets weg. Alleen de boom bij de groentebak en de appelboom werden wat krachtdadiger aangepakt. “Aan die moeraseiken kan ik echt niks meer doen”, zei hij. “Daar waren ze indertijd beter vanaf gebleven. Zo jammer, die kruinen komen nooit meer in orde.” Twee nieuwe bomen heeft hij van een steun voorzien zodat ze goed kunnen wortelen en mooi rechtop omhoog zullen groeien.

Vrijdagavond ging de telefoon. Slecht nieuws, waarschuwden ze. Zomaar, zonder afspraak deze keer, was de dood, die geniepigaard, bij mijn familie langs gekomen. Weer heeft hij iemand weggesnoeid, weer is er een tak weg uit mijn kruin.

Een paar uur later houd ik een zwart-wit afbeelding in mijn handen en kijk vol verwondering naar een nieuw wezentje in wording. Naar het kind van mijn kind. Leven en dood liggen dicht bij elkaar.

Het ene wezen zal het andere niet vervangen. Er werd gesnoeid en met mijn kruin zal het nooit meer in orde komen. Maar onderaan voelt het alsof ik nieuwe wortels krijg – en meer en meer raak ik verankerd in dit leven.

Mannen snappen ook niks

“En, hoe was jouw dag?” Opgewekt gaat mijn man tegenover me aan tafel zitten.
Ik barst meteen los. “Ja, wat denk je, hoe was mijn dag! Gestudeerd, boodschappen gedaan, gekookt, en voor de rest niemand gehoord of gezien. Als jij dat leuk noemt!”
“Heb ik dat dan gezegd – dat je dat leuk moet vinden?”
“Nee, maar ik weet dat jij denkt dat ik het toch maar goed heb, alleen nog maar bezig zijn met dingen die ik graag doe. Jullie mannen snappen ook niks.”
“Wat moet ik dan nu weer snappen?”
“Ons huis is veel te groot en de tuin ligt er verwaarloosd bij en als we nog eens wat ouder zijn dan kunnen we dat allemaal niet meer aan en ik wil hier weg. Gewoon weg!” Lange uithaal: “En ik mis de kinderen zo!”
“De tuin verwaarloosd? Hoe kom je erbij? Hij heeft er nog nooit zo goed bij gelegen als nu!” Beledigd prikt hij in zijn eten. Weer heeft hij het niet begrepen.
“En in de krant lees ik iedere dag wel iets over wonen. Als we willen dat het voor de volgende generatie betaalbaar blijft, zullen we sneller naar een kleinere woning moeten verhuizen. De Engelsen doen dat toch ook?”
Hij schuift zijn bord weg en reageert stijfjes: “Je weet hoe ik daarover denk. Wij zijn daar nog helemaal niet aan toe.”
“Ja, maar ik kan hier écht niet blijven wonen, het huis is te groot en te leeg en ik kán het niet en ik wíl het niet en wat dénk je wel, alleen maar omdat jij hier nog werkt, en het is zinloos en de kinderen zijn de deur uit en …”
Het begint hem te dagen. Een avond vol zwijgen volgt.

De volgende dag komt onze oudste zoon even langs. Hij werkt aan een doctoraatsthesis over het meergeneratiehuis en uiteraard stimuleert hij mijn zoektocht naar een andere woning.
“En mama, heb je de link die ik gisteravond heb doorgestuurd al geopend?”
Ik kijk zijn vader even aan. “Jaah, maar ik vind het toch wat klein en er is zo weinig tuin bij.”