De balk

Foto door Kenneth Carpina op Pexels.com

Een vrouw rijdt naar de stad om vóór sluitingstijd nog snel de laatste sinterklaasinkopen te doen. Chagrijnig van al het corona-gedoe in de winkels kart ze een uur later terug naar huis. Vóór haar rijdt een SUV. Ze houdt niet van SUV’s. Vooral niet in de stad. Het zijn immers terreinwagens – gemaakt om over ruwe, onverharde wegen te rijden. En zulke wegen heb je in de stad per definitie niet. Ze gelooft best dat ze de bestuurder een gevoel van veiligheid geven maar ondertussen ergeren wel alle andere weggebruikers zich groen en geel. Omdat ze teveel plaats innemen en het zicht versperren. Deze permitteert het zich ook nog zonder licht te rijden.
Ze flitst twee keer kort na elkaar met haar grootlichten. De sufferd aan het stuur merkt niets en rijdt gewoon verder. Ter hoogte van het benzinestation waarschuwt ze hem nog een keer. Heeft die kerel soms splinters in zijn ogen?
Na honderd meter probeert ze het een derde keer en eindelijk floepen zijn stadslampen aan. Tevreden met haar sociale reflex – ze heeft hem toch maar fijn voor ongelukken behoed – slaat ze bij de groentekiosk linksaf. Hoewel ze de bocht maar al te goed kent, komt ze bijna in de berm terecht. Nu wordt er ook al bespaard op de straatlantaarns.
Opzij van haar huis lijkt het veel duisterder dan anders. Pas wanneer ze pal voor de garagedeur staat, merkt ze het. Haar lichten branden niet.

Secuur werkje

We zijn net de parkeergarage uitgereden. Vijf verdiepingen zijn we naar omlaag gecirkeld en in mijn achteruitkijkspiegel zie ik hoe de slagboom gehoorzaam op zijn plaats gaat hangen.

Van opzij kijkt mijn metgezel me aan. Ik voel dat hij iets wil zeggen. Maar hij twijfelt – hij kent me niet goed genoeg om mijn reactie te kunnen peilen. Dan komt het toch: ‘Euh, ik zeg het niet om te lachen, hé, maar ik vind, voor een vrouw kunt gij wel heel vlot rijden.’  Ik verschiet van kleur maar om een andere reden dan hij denkt. Ik, vlot rijden? Dat hebben er nog niet veel gezegd. Ja, de parkeergarage ken ik ondertussen wel, en de stad doorkruisen is ook al lang geen probleem meer. En ja, blik ik terug, ik had mijn autootje toch maar keurig geparkeerd en ik ben ook zwierig achteruit weer van die plaats weg gereden. Uiterst ingenomen met mezelf denk ik ook nog terug aan de bochten die ik vandaag, eerst naar boven en daarna naar beneden, heel gezwind heb genomen. Nee, zijn indruk is heus niet verkeerd en ik geloof hem op slag: ik ben een vrouw die vlot kan rijden.

Terwijl P. en ik ´s avonds in de auto zitten, vertel ik hoe mijn dag is geweest. En dat ik een schoon compliment heb gekregen. Dat er misschien zelfs iets van waar is, babbel ik gezellig, want het laatste jaar is er niks meer gebeurd, toch? Hoofdschuddend kijkt P. me aan. ‘Gelijk gij het toch kunt uitleggen. Onderhand gaat ge nog beweren dat ge beter kunt rijden dan ik’, zegt hij, ‘terwijl ik nog nooit, enfin,  terwijl gij toch degene zijt, die …’

We komen thuis. Ik stap uit en mijn man rijdt achterwaarts de carport in. Dat is een secuur werkje, want het is er niet heel breed en er ligt een stapel hout achterin. Terwijl ik naar de achterdeur loop, weerklinkt een soort gekraak. Hier in de buurt hoor je nu ook eens altijd iets, denk ik geërgerd en loop naar binnen. Even later komt P. ook. ‘Wat was dat nu weer, daarjuist?’, vraag ik. ‘Mwaah, niks’, antwoordt hij en ontwijkt mijn blik, ‘ik heb alleen de houtstapel onder de carport opnieuw gesorteerd.’

Mijn gelijk

Het is dus diegene met het grootste uithoudingsvermogen, die wint. Je moet gewoon je tegenstander zo vermoeien dat hij op het laatst bereid is toe te geven. Wat moet ik anders denken van een resultaat dat er is gekomen na 17 uren onderhandelen? Onderhandelingen die ook nog eens pas in de namiddag van start zijn gegaan? Je weet toch niet meer wat je zegt, na 17 uren. Dat slaaptekort alleen al. Hoe houden politici dat toch vol? Angela Merkel zag er echt heel moe uit. Maar ze heeft wél haar doel bereikt. Of dat van Wolfgang Schäuble, daar ben ik nog niet uit.

Ik probeer me voor te stellen hoe die Europese zittingen verlopen en heb daarbij mijn man en mezelf voor ogen. Wij zijn natuurlijk maar met z´n tweeën, maar de theorie blijft dezelfde: we spreken af over een bepaald onderwerp op een bepaald ogenblik te gaan discussiëren. En zo gaan we op een zondagnamiddag, vier uur, gezellig aan tafel zitten, drinken een tas koffie en eten een lekkere, zelfgebakken wafel. Of twee, al naar gelang. We beginnen over dat onderwerp te spreken. Over het geld op onze zakelijke rekening, bijvoorbeeld. Of we onder nul mogen gaan. Of we een vette plus zullen overhevelen naar ons spaarboekje. Of dient geld om uit te geven? Wat vinden we belangrijk? Op den duur gaat het al lang niet meer over die rekening, maar over een levenswijze. Zelfs in de langste huwelijken komt dat nog ter sprake en loert er botsingspotentieel om de hoek. Als het gesprek dan toch wel heel erg uitloopt (wat wil zeggen dat mijn man nog altijd meedoet en niet van ellende is beginnen zwijgen), wil ik alleen nog maar mijn gelijk halen. Welk gelijk dan ook. Kan me niet meer schelen hoe of wat, maar ik moet en zal het laatste woord hebben. Ik geef vooral niet op. Wat denkt hij wel. Dat ik een watje ben? Omdat ik een vrouw ben? Vrouwen hebben altijd gelijk, zeker als het om geld gaat. We zullen wel eens zien wie er hier met de staart tussen de benen vertrekt…

Sambuca

In het midden van de winkel staat een grote, houten bak met daarin misschien wel honderd blinkende kommen. Ik blijf hier even staan en zie hoe een oudere vrouw er gretig eentje uit pakt. Ze bekijkt het ding van alle kanten. “Ha, die is pas mooi”, hoor ik haar bewonderend zeggen. Het lijkt alsof ze in zichzelf praat, maar voor een zelfgesprek klinkt het net iets te luid. Als ik ook nog zie hoe ze vanuit haar ooghoeken schuin naar achteren kijkt, heb ik het door. Het is de bedoeling dat haar man haar opmerkt. “En zo práktisch”, voegt ze er voor de zekerheid nog rap aan toe. Liefkozend wrijft ze met haar wijsvinger nog eens over de rand. Haar man komt dichterbij, neemt de kom vast en vraagt fronsend: “Waar dient dat nu voor?” Hij draait de kom om en om, spiegelt zichzelf even in het roestvrije staal en vraagt dan: “Is dat voor Sambuca?” Ik vind het maar een veeg teken: als eerste aan drank denken wanneer je een grote mengkom ziet.

“Of hoe heet dat ook al weer?” vraagt hij geërgerd. “Zabone, of nee, Sabayon!”
“Ja”, antwoordt ze hoopvol en neemt de kom vlug weer over, “dat is voor Sabayon!”
Misprijzend laat de man zijn blik over zijn eega glijden. “En wie gaat dat maken? En wanneer? Weet gij wel hoe dat moet? Daarvoor moet ge met uwe klopper achten kunnen slaan, heel snel achter elkaar. Alsof gij dat kunt!” De vrouw krimpt even in elkaar bij deze schromelijke onderschatting van haar talenten. Een seconde later recht ze haar rug.
“Ik kan daar ook chocola…”
“Niks chocoladesaus, dat hebt ge bij mijn weten ook nog nooit gemaakt. Alsof ge dat ooit nog gaat doen.”
“Ze kost maar één euro negenenzestig”, probeert de vrouw nog.
“Zet ze toch maar weg. Hebt ge me niet gehoord, we kunnen ze niet gebruiken. En dan is zelfs één euro negenenzestig weggegooid geld. ”
“Eén euro negenenzestig” herhaalt de vrouw stilletjes. Met twee handen legt ze de kom, alsof het een baby is, voorzichtig terug. Ze kijkt naar mij. Alle hoop is vervlogen.