Over berg en dal

Vorige week dinsdag zijn we gaan wandelen. Niet zomaar wat kuieren, nee, echt wandelen, met wandelschoenen aan en een rugzak mee. Urenlang liepen mijn man en ik van het ene beekdal in het land van Herve naar het andere. We stapten over bospaadjes en geasfalteerde wegen, soms naast elkaar, soms achter elkaar, doorkruisten weiden met klaphekjes en kwamen stevige klimmetjes tegen. Ondertussen genoten we van de vele vergezichten.

De heuvelachtige streek waar ik woon, kan me nog niet zo heel lang bekoren. Geboren en getogen in de Limburgse Kempen bemin ik nog altijd de droge, zwarte grond, de geur van de naaldbossen en vooral het vlakke landschap daar. Alles is er zo overzichtelijk en behapbaar. En een plat landschap opent de geest. Daarom ga ik ook graag naar zee. Liever dan naar de bergen, die ik pas als tiener leerde kennen, toen ik met een oom en tante mee op skivakantie mocht. De sneeuw was fijn, vooral als je van binnen naar buiten keek, maar die bergen… er waren er te veel en ze waren te hoog. Ze beklemden me. In de bergen voel ik me nog steeds niet op mijn gemak. Ik vind ze bedreigend. Sommigen beweren dat bergen sprookjesachtig zijn, en mysterieus. Nou, ik geloof niet meer in sprookjes en mysteries maken me nerveus.
Het moeten wel heel speciale mensen zijn, mensen die van wandelen in de bergen houden en een top beklimmen, gewoon om die top te halen en te kijken wat erachter ligt. Je ziet toch alleen maar nóg meer bergen die je moet bedwingen? Waarschijnlijk zien ze het leven als iets waar ieder obstakel moet en kan overwonnen worden, denk ik dan, en weten ze nog niet dat dat niet gaat, dat je sommige dingen in een hoekje moet laten staan.

Al die hoogteverschillen en vooral de zon nog niet gewend, kreeg ik het af en toe moeilijk. Met een kop die er volgens mijn man uitzag als een tomaatrode pompoen moest ik dan ook af en toe vragen een kleine rustpauze in te lassen. Gelukkig had hij daar alle begrip voor. Misschien is dat waarom ons huwelijk al zo lang standhoudt: we sleuren elkaar door de heuvels en valleien, door de bergen en dalen van het leven, houden af en toe halt om elkaar weer moed in te spreken en daarna weer samen verder gaan. Soms naast elkaar, soms achter elkaar, maar altijd weer komen we bijeen.

Onder de donsdeken

Al sinds een paar jaar ga ik iedere avond met dezelfde gedachte slapen: morgen begin ik eraan. Nadat ik me heb uitgekleed en daarna in mijn nachtkledij de manshoge spiegel in de slaapkamer passeer, trek ik namelijk steeds dezelfde conclusie: er moet iets veranderen. En wel per direct. Morgen stop ik met snoepen, en morgen wordt er gesport.
Genoeglijk onder mijn donsdeken gelegen overweeg ik dan welke sport zoal in vraag komt. Zwemmen, dat heb ik altijd graag gedaan. Maar daar verlies je zoveel tijd mee: voor een half uur zwemmen ben ik anderhalf uur weg. En in een publiek zwembad doe je schimmels op. Als we nu toch een eigen zwembad hadden… Naar de fitness is ook maar niks, want dan moet ik zo´n nauw aansluitend pakje aan. Bovendien, dat soort beweging zou ik in het huishouden ook nog kunnen vinden. Gewoon alles wat vaker en vlugger doen. Och, nee. Fietsen dan. Heb ik toch altijd fijn gevonden. Maar in dit glooiende landschap, ongeoefend, daar heb ik vast geen lol meer aan. En elektrische fietsen zijn gevaarlijk. Als je daar op mijn leeftijd mee valt…
Zo eindig ik dan meestal met het idee morgen te gaan joggen.
Zaterdagavond mompelde mijn man, ook genoeglijk onder de donsdeken gelegen, dat hij van plan was de volgende ochtend naar de bakker te wandelen. Hij vroeg welk broodje hij voor mij moest meebrengen. Al half in slaap antwoordde ik: “Een rozijnenbroodje. Mmm, met een sneetje kaas, jong-belegen, dat gaat smaken. Wel veel calorieën, maar die jog ik er daarna wel weer vanaf.”
Mijn man moest er eens hartelijk mee lachen maar bewonderde toch mijn initiatief. Hij weet niet dat ik al jaren iedere avond hetzelfde goede voornemen heb. Echtgenoten moeten niet alles van elkaar weten, vind ik, dan gaat de spanning ervan af.
Zondagochtend ging ik aan de ontbijttafel zitten, net op het moment dat mijn man terugkwam van de bakker. Bedrukt legde hij de zak broodjes op tafel en zei: “Spijtig, maar ge zult niet kunnen gaan joggen vandaag.”
Verontrust keek ik hem aan. “Heb ik iets gemist, heeft de Belgische regering dat ook nog verboden?”
“Dat niet. Maar ze hadden geen rozijnenbroodjes.”

Een kort rokje

Soms moeten we er gewoon eens even uit, mijn buurvrouw en ik. En dan gaan we wandelen. We vertrokken van hieruit en stapten fluks door de velden richting Emmaburg. Ik moet er wel bij vertellen dat mijn buurvrouw graag en goed fotografeert. En het valt mij steeds weer op: fotografen kijken anders. Ze zien alles, maar dan ook alles. Tot in het kleinste detail. Zij zag de reiger die in het veld doodstil naar de straat stond te turen. Ik zag hem ook, maar pas nadat zij me erop wees. Het was prachtig. Zo´n grote, grijze vogel die zich van niks iets aantrekt en daar op hoge poten fier in het groene gras staat. Stram als een wachter voor Buckingham Palace. Af en toe draaide hij zijn kop hooghartig rond maar voor de rest liet hij zich door niets of niemand van de wijs brengen. Ze zag ook de kleine paddenstoel op de grond en het haarijs op een afgebroken boomstam. Ach, zo mooi. Zonder haar was ik er gewoon aan voorbij gelopen. Wél zie en hoor ik de weidsheid. Ik ruik de lucht en voel het licht.

Mijn man kijkt ook zo. Toen ik hem leerde kennen dacht ik trouwens dat hij fotograaf was. Telkens als ik hem zag, was hij druk met een fototoestel in de weer. Viel dat even tegen. Nu ja, dat is een ander thema. In ieder geval, wanneer wij samen gaan wandelen, verloopt dat net hetzelfde. Hij wijst me op de vogel die op die hoge tak daar zit. Op het eekhoorntje dat bang wegschiet. Op de noten aan die boom. Alles in de natuur heeft hij gezien. En ik, ik heb mijn ogen in mijn zak.

Bij mensen neem ik de details vaak wel waar. Ik weet meestal of iemand bleker was dan anders, gespannen was, of hoe hij gekleed was. Dat merkt mijn man dan weer niet. Vraag hem niet wat hij vindt van dat toch wel veel te korte rokje van die ene kennis – hij heeft het gewoonweg niet gezien. Zegt hij toch.

ijskristallen
© Greta Den Hert