Op de waterfiets

Houden de Nederlanders niet meer van hun taal? Want waar wij, Vlamingen, over de Ronde van Frankrijk spreken, hebben zij het over de Tour de France. En de start in Utrecht noemen ze Le Grand Départ. Tenminste, dat is wat ik op de radio hoor terwijl we met de auto naar Amsterdam rijden. Ik ga er naar een studiedag en mijn man wil de World Press Photo tentoonstelling bezoeken.

De tentoonstelling is erg confronterend en de vader van mijn zonen is diep onder de indruk. “Al die ellende overal – daarbij zinkt alles waar wij over klagen en zagen toch volledig in het niet”, zegt hij stil wanneer hij me ´s avonds afhaalt. Even later leeft hij op. “Gelukkig heb ik nadien nog wat kunnen lachen.” Hij klapt zijn gsm open en toont me een foto van een groep naakte fietsers die aan een coffeeshop voorbij rijden.

Ik kijk naar de foto en denk spontaan aan De Tango van het blote kontje van Toon Hermans. Aan de blote piemel op de waterfiets. Waarom weet ik niet. Is het de associatie van Nederland met water en met fietsen? Het liedje staat op een muziekcassette die jaren geleden in onze auto lag en alleen werd opgezet wanneer we een lange rit voor de boeg hadden. De kinderen wachtten dan in vrolijke spanning af tot ze Toon hoorden en begonnen steevast luidkeels mee te zingen. Want kont en piemel waren woorden die wij niet bezigden maar in de kleuterklas en de lagere school een hoge populariteit genoten. Dat ze die nu zomaar hardop konden zeggen waar wij bij waren! En dat we er ook nog mee konden lachen! De pret kon niet op en ze kregen er nooit genoeg van. Ik ook niet. Nog altijd geniet ik van ‘die dozen van Pandora’ en van ‘die trieste billen die in het water staan, zo van waarom komt hier nu nooit eens iemand aan’. Zoveel hoop en teleurstelling in één liedje. Altijd weer die combinatie van een lach en een traan. Ik houd van dat spel met taal. Ons aller Nederlandse taal.

4 juli A´dam

Advertenties

Vieze broeken

Al zo lang zorg ik voor het huishouden en toch blijf ik maar fouten maken. Twee maanden geleden heb ik een Levi´s jeans gekocht en sindsdien heb ik die al minstens vijf keer gewassen. Ze ligt in de wasmand te wachten tot er nog wat donkere was bijkomt, wat tegenwoordig wel iets langer duurt dan toen we nog met z´n vijven waren. Maar vandaag lees ik dat je ze best zo weinig mogelijk wast. Liever helemaal niet. Toen modeontwerper Tommy Hilfiger dat zei, heb ik het niet serieus genomen. Nu Chip Bergh, de CEO van Levi´s, met dezelfde boodschap komt, moet ik er toch eens over nadenken. Hij gaat er prat op dat hij zijn broek al een jaar heeft en dat ze nog altijd niet in de wasmachine is beland. Echte fans van Levi´s laten hun broek liever niet in de buurt van water en zeep komen, beweert hij. Hardnekkige vlekken verwijderen ze met een droge tandenborstel en verse vlekjes deppen ze met een spons. Als ze vies begint te ruiken, leggen ze hun broek in een plastieken zak in de diepvriezer. 24 uur en alle bacteriën zijn kapot. Èkes. In welk vak komt ze dan? In het vleesvak? Of in het groentevak? In het onderste misschien, naast die doos met speculaasijs? En wat als je zo´n grote diepvrieskist hebt? Dan is het maar te hopen dat er geen prei in ligt. Een jeans die naar prei ruikt… Als lichamelijke aantrekkingskracht geen rol meer speelt, is het misschien geen slecht idee. Het zal wel een reden hebben dat er in kloostertuinen zo veel prei wordt gekweekt.

Op mijn eerste jeans heb ik lang moeten wachten. Ieder meisje, ja echt, of toch in mijn gedachten, ieder meisje uit mijn klas op de middelbare school had een jeans voordat ik er een kreeg. Mijn ouders vonden broeken niet passen voor hun dochters. Zeker niet met brede pijpen. Zij waren voor rokjes. Gesoebat dat ik heb! Uiteindelijk is ze er gekomen, op mijn veertiende. Ze had brede pijpen, maar schuin over mijn buik zaten twéé ritssluitingen en dan die scherpe vouwen…

Bruisende toekomst

Roland Vanden Abeele, zo heet de eerste watersommelier van België. Is dat nu niet raar? Vroeger heb ik geleerd dat water kleurloos, geurloos en smaakloos is. En nu ineens een waterproever? Ik had nooit gedacht dat er iemand is die meer weet van water dan dat je er anderhalf liter per dag van moet drinken. Maar als je het zo leest, drink je tegenwoordig bij ieder gerecht, naast de aangepaste wijn, het aangepaste water. Exotisch water genoeg, zo blijkt, met en zonder bruis.
Zou het niks voor mijn man zijn? Want dat zou ik nu toch eens graag zeggen: mijn man is watersommelier. Natuurlijk kan ik het ook zelf nog worden. Watersommelière. Ach nee, klinkt toch heel anders. Laat mijn man het maar doen. Over een paar jaar gaat hij met pensioen en ik vind dat een mooie invulling van zijn tijd. Hij zal veel moeten reizen, misschien zelfs een secretaresse nodig hebben (mij) en veel moeten proeven. Dat kan alvast geen kwaad en hij zou ten minste iets te vertellen hebben.

Ooit heeft mijn man gezworen geen wijnkelder aan te leggen. Zo iets dikkenekkerigs, nee, daar deed hij niet aan mee. Hij vond het veel leuker om wijn in de wijnhandel te gaan halen en uitgebreid met de eigenaar te bespreken welke wijn het best zou passen bij het gerecht dat ik ging koken. Hij heeft het jaren volgehouden maar sinds we geabonneerd zijn op de Knack, krijgen wij ook post van de Wijnbeurs. En niks zo verleidelijk als die bijna wekelijkse reclame voor wijn. Aanbiedingen dat ze daar hebben! Ge moet wel zot zijn om daar aan te weerstaan. Met de regelmaat van de klok komt hier dus een krat wijn aan. De hele kelder ligt vol en op gezette tijden verdwijnt P. om zijn flessen te tellen of triomfantelijk net dat éne, perfect passende wijntje boven te halen. Ik heb dat niet graag. Twee alkoliekers in mijn omgeving vind ik wel genoeg. Maar als hij nu onverhoopt watersommelier zou worden… misschien doe ik dan ook wel wat water bij de wijn.